Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1918

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
2200157324.a
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 SrArt. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep moord na achtervolging en schietpartij in Katwijk

Op 21 mei 2023 vond in Katwijk een schietincident plaats waarbij het slachtoffer na een achtervolging van enkele honderden meters door het hoofd werd geschoten. Het slachtoffer overleed een week later aan zijn verwondingen. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor doodslag en kreeg een gevangenisstraf van 12 jaar met tbs opgelegd.

In hoger beroep oordeelde het hof dat sprake was van moord met voorbedachte raad, omdat de verdachte tijdens de achtervolging voldoende tijd had om zich te beraden. De verdachte handelde doelbewust en probeerde zijn sporen te wissen. De verdediging voerde onder meer een black-out aan, maar dit werd niet geloofd.

De verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege ADHD, persoonlijkheidsproblematiek en middelengebruik. Het hof legde een gevangenisstraf van 12 jaar op, rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de jonge leeftijd van de verdachte. Daarnaast werd tbs met verpleging van overheidswege opgelegd vanwege de ernst van het delict en de complexiteit van de problematiek.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden toegewezen, met schadevergoedingen voor immateriële en materiële schade. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht met deze straf en maatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf en tbs met verpleging voor moord met voorbedachte raad na achtervolging en schietpartij.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001573-24
Parketnummer: 09-130655-23
Datum uitspraak: 11 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],
[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en door en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) vrijgesproken en ter zake van het impliciet subsidiair tenlastegelegde (doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege gelast. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 11 september 2023 - tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2023 tot en met 28 mei 2023 te Katwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[het slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen, althans een wapen, (van korte afstand) één of meerdere kogels in het hoofd en/of het lichaam, althans het bovenlichaam van die [het slachtoffer], te schieten.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de tbs van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege wordt gelast.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het impliciet primair tenlastegelegde (moord) dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de verdediging naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij aanvang van de achtervolging dan wel tijdens de achtervolging heeft besloten
[het slachtoffer] te willen doden. Voor zover dit wel zou kunnen worden vastgesteld dan is er geen ruimte geweest voor kalm beraad en dus geen sprake van voorbedachte raad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleiding
Op 21 mei 2023 omstreeks 04.45 uur hoorden verbalisanten over de portofoon dat er iemand op straat lag in de [straat 1] te Katwijk. Kort daarvoor was hen gevraagd of zij wellicht schoten hadden gehoord, omdat zij op dat moment in verband met een andere melding al in de buurt waren. Eenmaal ter plaatse zagen zij ter hoogte van portiek 13-20 iemand midden op de weg liggen. Het slachtoffer bleek zwaar gewond te zijn. Een van de verbalisanten herkende het slachtoffer als de hem ambtshalve bekende [het slachtoffer], geboren op [geboortedag] (hierna: [het slachtoffer]). De verbalisanten constateerden dat [het slachtoffer] nog een hartslag had en ademde. Hij werd per ambulance afgevoerd naar het LUMC in Leiden.
Na intensieve medische behandeling werd op 28 mei 2023 in overleg met zijn familie de beademing van [het slachtoffer] stopgezet, waarna hij is komen te overlijden. Pathologisch onderzoek wees uit dat het overlijden van [het slachtoffer] werd verklaard door de gevolgen van één inschot aan het hoofd links. Verder wees onderzoek uit dat sprake was van een schot in de buik, met perforatie van de maag, linkerleverkwab en alvleeskliertop. Bij de sectie op het lichaam van [het slachtoffer] werden in totaal uiteindelijk drie kogels aangetroffen: een in de lever en twee in het hoofd.
In deze zaak staat niet ter discussie dat de verdachte [het slachtoffer] om het leven heeft gebracht door twee keer in zijn hoofd te schieten. Wat wél ter discussie staat, is de vraag of de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Alvorens tot een beoordeling van die vraag te komen, zal het hof eerst de met het oog daarop relevante feiten en omstandigheden, die zijn ontleend aan het dossier en het verhandelde ter terechtzitting en niet ter discussie staan, weergeven. Vervolgens zal het hof een juridisch kader schetsen en tot een oordeel komen.
Relevante feiten en omstandigheden
Op 21 mei 2023 tussen 04.15 uur en 04.30 uur vond op of in de nabijheid van de [straat 4] te Katwijk een ontmoeting plaats tussen de verdachte en [het slachtoffer]. Tijdens die ontmoeting werd met een vuurwapen een schot gelost. Bewoners van het nabij gelegen [straat 2] te Katwijk hebben verklaard dat zij rond die tijd een ruzie hoorden, gevolgd door één of meerdere klappen en/of een knal. Een van de getuigen hoorde een mannenstem schreeuwen: “Ik ben het niet, ik ben het niet”. Volgens die getuige klonk de man angstig, alsof hij in paniek was.
Een eindje verderop liep de getuige [getuige 1] samen met de getuige [getuige 2] in de steeg tussen de [straat 5] en de [straat 6] te Katwijk, toen zij omstreeks 04.30 uur een knal hoorden die volgens [getuige 1] klonk als een revolver. Na de knal zagen zij bij de [straat 2] aan de kant van de [straat 3] meeuwen opvliegen.
Omstreeks 04.33 uur zagen zij vanuit de [straat 3] een man komen aanrennen. [getuige 2] herkende de man als [het slachtoffer]. [het slachtoffer] had volgens [getuige 1] zijn linkerhand op zijn linkerzijde. Hij riep: “Ik ben neergeschoten.” [getuige 1] zag aan het gezicht van [het slachtoffer] dat hij van streek was. Hij leek te rennen voor zijn leven. [het slachtoffer] rende over de [straat 7] in de richting van zijn woning aan de [straat 1]. Hij week af van de weg en rende tussen auto’s door. Om 04.34 uur zagen [getuige 1] en [getuige 2] een andere man, de verdachte, hen voorbij rennen. De verdachte kwam eveneens uit de richting van de [straat 3]. Hij rende achter [het slachtoffer] aan met zijn arm/hand in zijn jas. De afstand tussen de verdachte en [het slachtoffer] was ongeveer 30 à 40 meter. Plotseling hoorden [getuige 1] en [getuige 2] twee knallen achter elkaar. [getuige 1] zag de verdachte en [het slachtoffer] in de [straat 1] staan. Hij zag [het slachtoffer] na de knallen in elkaar zakken. Nadat zij dichterbij waren gekomen, zag [getuige 2] bloed aan de rechterkant van het gezicht van [het slachtoffer]. Ook zag hij dat [het slachtoffer] geen schoenen droeg, maar alleen sokken. De verdachte was inmiddels weggelopen. Omstreeks 04.40 uur belde [getuige 1] het alarmnummer 112.
Om 04.35 uur, dus (vrijwel) direct na de knallen, stuurde de verdachte de volgende berichten naar zijn vriend [getuige 3] (hierna: [getuige 3]): “G. Kom naar mij. Word laatate avond.” Vervolgens vond er via Snapchat telefonisch contact tussen de verdachte en [getuige 3] plaats. Om 04.37 uur stuurde de verdachte aan [getuige 3]: “Ben moorduine. Kan je opgale. Met iets.” Om 04.42 uur stuurde de verdachte [getuige 3] een bericht, inhoudende: “Over 1 min tbyus.” Een minuut later, om 04.43 uur, was de auto van de verdachte in de buurt van zijn woning te zien en maakte de mobiele telefoon van [getuige 3] verbinding met het Wifi-netwerk van de woning van de verdachte aan de [straat 8] te Katwijk. Op datzelfde tijdstip werd met het telefoonnummer [telefoonnummer 1], dat bij [het slachtoffer] in gebruik was, gebeld naar een persoon genaamd [getuige 4]. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] maakte daarbij verbinding met een basisstation aan de [straat 9] in Katwijk. De woning van de verdachte valt binnen het theoretisch bereik van dit basisstation. [getuige 4] verklaarde later dat hij alleen gestommel op de achtergrond had gehoord en geen contact met [het slachtoffer] had gekregen. Om 04.48 uur gooide de verdachte slippers in een prullenbak in de [straat 10] te Katwijk. Om 04.57 uur stuurde de verdachte in een groepschat een schermafbeelding van de website alarmeringen.nl, waarop de melding ‘prio 1 [straat 1] katwzh schietpartij’ is te lezen. Om 05.23 uur stuurde de verdachte een bericht aan [getuige 3], inhoudende: “Strijder. Ben weg van hier. Spreek je snel.” Om 05:46 uur liep de verdachte naar de ingang van het Novotel in Den Haag en belde aan bij de intercom.
Juridisch kader voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in het geval dat vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.
Voorts geldt dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan.
Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Oordeel van het hof
De vraag die het hof nu eerst zal beantwoorden, is de vraag of de verdachte vanaf het moment van het eerste schot in de omgeving van de [straat 4] tot het moment van de twee schoten door het hoofd van [het slachtoffer] zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om [het slachtoffer] te doden, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Het hof is op basis van de aan het dossier ontleende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat het dossier de volgende aanwijzingen bevat dat dat het geval is geweest.
Hoewel onduidelijk is van wie het initiatief voor de ontmoeting is uitgegaan en het ook onduidelijk is wie het vuurwapen heeft meegenomen naar de ontmoeting, staat wel vast dat er tijdens die ontmoeting een schot is gelost, waardoor [het slachtoffer] gewond is geraakt. Na dit eerste schot is [het slachtoffer], gewond en op zijn sokken, weggerend in de richting van zijn woning aan de [straat 1]. De verdachte heeft daarop met het wapen in zijn zak de achtervolging ingezet. Daarbij is van belang dat de verdachte zich er van bewust moet zijn geweest dat hij de achtervolging inzette met een wapen dat werkend was, aangezien het wapen bij het eerste schot hoorbaar is afgegaan.
De achtervolging ging vanaf de (omgeving van de) [straat 4] over de [straat 3], via de [straat 11] en de [straat 7] naar de [straat 1]. Tijdens de achtervolging was de afstand tussen de verdachte en [het slachtoffer] 30 à 40 meter, wat blijkens de camerabeelden van [straat 7] neerkwam op 16 seconden tussen het moment waarop [het slachtoffer] in beeld kwam en het moment waarop de verdachte op diezelfde plek in beeld kwam. De verdachte had dus wat achterstand ten opzichte van [het slachtoffer]. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het eruit zag alsof de verdachte “aan het sjokken was maar dan wel met hoge snelheid” en dat hij er vermoeid uitzag, maar de verdachte bleef desondanks achter [het slachtoffer] aan rennen over een afstand van (in elk geval) enkele honderden meters en (in elk geval) langs de verschillende, hierboven genoemde straten. Deze achtervolging heeft minutenlang (minimaal vijf minuten) geduurd.
Toen [het slachtoffer] bijna thuis was en al voor zijn deur was aangekomen, heeft de verdachte op relatief korte afstand [het slachtoffer] twee keer in zijn hoofd geschoten. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het schieten op iemands hoofd niets anders betekenen dan dat de schutter de ander wil doden.
Dit alles wijst niet op een hevige drift of psychische nood waardoor er geen sprake kon zijn van kalm beraad. Overigens heeft de verdachte ook niet verklaard dat hij in paniek was of in psychische nood verkeerde, terwijl vaststaat dat het gevaar dat eventueel van [het slachtoffer] zou kunnen zijn uitgegaan - zoals dat is gesteld - inmiddels in elk geval was geweken, omdat [het slachtoffer] hard was weggerend na het eerste schot. Vervolgens is de verdachte weggegaan en heeft hij [het slachtoffer] in een hulpeloze toestand achtergelaten.
Uit de hiervoor genoemde aanwijzingen volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte tijdens de achtervolging over (in elk geval) enkele honderden meters en door verschillende straten, voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om [het slachtoffer] van het leven te beroven. Dat en waarom het niet mogelijk zou zijn om na te denken tijdens een intensieve fysieke inspanning, zoals namens de verdachte is aangevoerd, is door of namens de verdachte niet onderbouwd. Deze stelling wordt door het hof niet onderschreven. Voorts heeft het hof betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte, nadat hij [het slachtoffer] had neergeschoten, ogenschijnlijk uiterst berekenend heeft geprobeerd zijn sporen uit te wissen. Direct nadat hij [het slachtoffer] in zijn hoofd had geschoten, heeft de verdachte ook contact gezocht met zijn vriend [getuige 3] om hem daarbij te helpen. Hij heeft [getuige 3] de telefoon met het nummer [telefoonnummer 1], dat bij [het slachtoffer] in gebruik was, gegeven en hij heeft de slippers van [het slachtoffer] weggegooid. Een en ander geeft steun aan de vaststelling dat de verdachte doelgericht, vasthoudend en doortastend handelde en dat hij zijn daad na afloop wilde verhullen.
Contra-indicaties?
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of in het dossier contra-indicaties voorhanden zijn, die tot het oordeel moeten leiden dat de verdachte toch niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. In dit verband heeft het hof de verklaringen van de verdachte in ogenschouw genomen.
De verdachte heeft verklaard dat [het slachtoffer] hem op 21 mei 2023 had gebeld en tegen hem had gezegd dat hij naar de [straat 4] te Katwijk moest komen. Tijdens de ontmoeting bracht [het slachtoffer] een (volgens [het slachtoffer]) nog openstaande schuld ter sprake. Nadat de verdachte duidelijk had gemaakt dat hij niet méér zou gaan betalen dan hij al had gedaan, had [het slachtoffer] een vuurwapen op hem gericht. Vervolgens werd [het slachtoffer] afgeleid door het trillen van diens telefoon in zijn broekzak, waarop de verdachte had geprobeerd het wapen af te pakken. Daarop was een worsteling ontstaan. Tijdens die worsteling was het wapen afgegaan. Hierna was [het slachtoffer] weggerend en had de verdachte het vuurwapen in zijn hand. Vanaf dat moment kan de verdachte zich naar eigen zeggen niets meer herinneren; hij had een black-out. Over het moment waarop zijn herinneringen terugkwamen, heeft de verdachte wisselend verklaard.
Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van de verdachte om na te melden redenen niet geloofwaardig en dienen die ter zijde te worden geschoven.
Het hof neemt hierbij als uitgangspunt dat in zijn algemeenheid een verklaring aan geloofwaardigheid wint als deze vroeg in het opsporingsonderzoek wordt afgelegd en daarna bevestiging vindt in onderzoeksresultaten of in getuigenverklaringen van (objectieve) derden. Verder kunnen de algemene (on)waarschijnlijkheid of mate van voorstelbaarheid een rol spelen bij het waarderen van een op die verklaring gebaseerd scenario.
In de onderhavige zaak stelt het hof allereerst vast dat de verdachte pas is gaan verklaren toen het opsporingsonderzoek in een vergevorderd stadium was. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover verklaard dat hij ‘beter’ kon verklaren toen hij het dossier had gelezen, omdat hij toen de gaten in zijn geheugen kon opvullen. Daarbij valt op dat de verdachte over het meest cruciale moment in de onderhavige zaak geen verklaring heeft afgelegd, omdat hij naar eigen zeggen een black-out had. Zo heeft hij geen verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat hij over een afstand van (in elk geval) een paar honderd meter met een vuurwapen in zijn hand achter [het slachtoffer] aan is blijven rennen, terwijl [het slachtoffer] gewond was weggerend en dus geen bedreiging meer voor de verdachte vormde.
Nog los van het feit dat voor de beweerdelijke black-out geen (volledig) organische oorzaak is vastgesteld en de deskundigen een (deels) geveinsde component daarbij niet uitsluiten, past het hebben van een black-out niet bij het doelmatig handelen van de verdachte voorafgaand aan en direct ná het door het hoofd schieten van [het slachtoffer]. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat de verdachte op het cruciale moment een black-out heeft gehad. Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen dat uit het procesdossier niet is af te leiden hoeveel alcohol de verdachte voorafgaand aan het tenlastegelegde had genuttigd - de verdachte heeft daarover immers wisselend verklaard: van ongeveer vijf of zes drankjes, niet heel veel, tot anderhalf tot twee liter wodka - en dat niet is gebleken van indicaties dat de verdachte laveloos was. De verklaring van de verdachte levert naar het oordeel van het hof dan ook geen contra indicaties op.
Daarbij komt dat het dossier aanwijzingen biedt voor een ander scenario dan het scenario dat de verdachte heeft geschetst.
Uit het dossier volgt dat de moeder van de verdachte op 3 februari 2023 aangifte van vernieling heeft gedaan. Een van de ruiten van haar slaapkamer was ingegooid met een steen. De verdachte had het vermoeden dat [het slachtoffer] hiervoor verantwoordelijk was. Hij had een vriend van [het slachtoffer] benaderd met het verzoek om aan [het slachtoffer] te vragen of hij de ruit had vernield. Die vriend zou daar 1000 euro voor krijgen. De getuige [getuige 5] had gehoord dat de verdachte iemand uit de kring van [het slachtoffer] 1000 euro had geboden om hem ‘om te leggen’. Het hof sluit niet uit dat de verdachte [het slachtoffer] in de bewuste nacht met zijn vermoedens over de dader van het ingooien van de ruit heeft geconfronteerd. Een getuige heeft immers een man horen roepen: “Ik was het niet. Ik was het niet.” Ook heeft de verdachte later die nacht/vroeg in de ochtend aan een taxichauffeur gevraagd of hij had gehoord van de steekpartij in Katwijk, gevolgd door de vraag: “Wat zou jij doen als je zus of moeder lastiggevallen wordt?”. Daarop had de taxichauffeur iets geantwoord in de trant van “ik zou diegene zijn kop eraf trekken”, waarop de verdachte de taxichauffeur een high five gaf en iets zei van “jij bent mijn cup of tea”.
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de verdachte vond dat hij nog iets met [het slachtoffer] te vereffenen had.
Hierbij komt dat het hof op basis van het dossier niet kan uitsluiten dat niet [het slachtoffer] maar de verdachte de ontmoeting aan de [straat 4] heeft geïnitieerd. Uit onderzoek aan de (beschikbare) telefoons van [het slachtoffer] en de verdachte is immers niet gebleken van een uitgaande oproep van [het slachtoffer] aan de verdachte die nacht. Sterker: om 03.52 uur had [het slachtoffer] via Instagram contact met [getuige 6] en zei hij tegen haar dat hij ging pitten. Die mededeling duidt er niet op dat [het slachtoffer] van plan was om kort daarna nog iemand te gaan ontmoeten.
Er zijn daarentegen wél aanwijzingen dat de verdachte contact met [het slachtoffer] heeft gezocht. Om 04.06 uur was een uitgaande oproep van 8 seconden van de verdachte naar [het slachtoffer]. Op dat moment was de verdachte in de directe nabijheid van én de woning van [het slachtoffer] én de [straat 4].
Verder zijn er aanwijzingen in het dossier dat de verdachte een of meer vuurwapen(s) in zijn bezit had. De verdachte heeft in februari 2023 een vuurwapen, vermoedelijk een revolver, aan de getuige [getuige 7] laten zien. Daarnaast bevindt zich in het dossier een foto waarop een vriendin van de verdachte met een vuurwapen in haar handen is te zien. Die foto is gemaakt in de woning van de verdachte. Volgens een wapendeskundige van de politie
betreft het wapen op de foto met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een alarmrevolver van het merk BBM model Olympic 38. Dit wapen staat erom bekend dat het eenvoudig kan worden omgebouwd naar een scherp schietend wapen waarmee kogels van het kaliber .22 kunnen worden verschoten. In het lichaam van [het slachtoffer] zijn kogels van dat kaliber aangetroffen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de drie kogels waarschijnlijk door één en hetzelfde vuurwapen zijn verschoten en dat de afvuursporen het beste passen bij een omgebouwd gas-/alarmpistool of -revolver. Dat [het slachtoffer] over (vuur)wapens beschikte, kan uit het dossier evenwel niet worden afgeleid.
Het voorgaande sterkt het hof in zijn oordeel dat het niet noodzakelijkerwijs [het slachtoffer] is geweest die een vuurwapen heeft meegenomen naar de ontmoeting aan de [straat 4]. In dit verband kent het hof ook betekenis toe aan de omstandigheid dat getuigen [het slachtoffer] tijdens het rennen hebben horen roepen dat hij was “neergeschoten”. Dit past veeleer bij een actieve handeling van de verdachte en bij de mogelijkheid dat de verdachte [het slachtoffer] iets wilde aandoen dan andersom.
Gelet op al het voorgaande acht het hof het niet uitgesloten dat de verdachte een ontmoeting met [het slachtoffer] heeft geïnitieerd, omdat hij nog iets met hem te vereffenen had (het ingooien van de ruit). Ook sluit het hof niet uit dat juist de verdachte een vuurwapen heeft meegenomen en niet [het slachtoffer] zoals de verdachte heeft verklaard.
Noch uit de verklaringen van de verdachte noch uit andere stukken in het dossier blijkt dan ook van contra-indicaties voor de voorbedachte raad – integendeel – zodat naar het oordeel van het hof vaststaat dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Conclusie van het hof
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op [het slachtoffer].
Het hof acht niet bewezen dat de verdachte de moord tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) heeft gepleegd, zodat hij van dat bestanddeel zal worden vrijgesproken. Die vrijspraak is in lijn met de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij
in of omstreeks de periode vanop21 mei 2023
tot en met 28 mei 2023te Katwijk
, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[het slachtoffer] opzettelijk en
al dan nietmet voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen
, althans een wapen,(van korte afstand)
één of meerderekogels in het hoofd
en/of het lichaam, althans het bovenlichaamvan die [het slachtoffer]
,te schieten.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Op de toerekenbaarheid van de verdachte zal hierna worden ingegaan onder het kopje ‘Oordeel van het hof naar aanleiding van de adviezen’.
Motivering van de op te leggen straf en maatregel
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord door met een vuurwapen twee keer op het hoofd van [het slachtoffer] te schieten. De verdachte heeft [het slachtoffer] vervolgens in levensbedreigende toestand achtergelaten en is weggelopen. [het slachtoffer] is een week later aan zijn verwondingen komen te overlijden. Door op het hoofd van [het slachtoffer] te schieten, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. De verdachte heeft [het slachtoffer], dat destijds 22 jaar oud was, het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen.
De dood van de jonge [het slachtoffer] heeft onherstelbaar leed toegebracht bij de nabestaanden en de overige naasten van [het slachtoffer]. Zij hebben moeten toezien hoe [het slachtoffer] gedurende een week in comateuze toestand in het ziekenhuis heeft gelegen en hebben de beslissing moeten nemen om de beademing van [het slachtoffer] stop te zetten, waarna hij is overleden. Zij zullen moeten leven met het onomkeerbare verlies van een dierbare. Het enorme leed dat aan de nabestaanden is toegebracht en de gevolgen voor de nabestaanden, komen duidelijk tot uiting in de in deze procedure ter terechtzitting afgelegde en overgelegde slachtofferverklaringen.
Daarbij komt dat aan het schietincident een achtervolging is voorafgegaan waarbij [het slachtoffer] (op zijn sokken) heeft moeten rennen voor zijn leven. Hij heeft het net niet gered om veilig zijn eigen woning in te vluchten en is vlak voor zijn eigen woning op straat neergeschoten. Twee mensen zijn hiervan getuige geweest. Zij hebben de schoten gehoord en een van hen heeft [het slachtoffer] zien neervallen. Dat moet voor hen een traumatische ervaring zijn geweest. Meer in het algemeen kan gezegd worden dat een dodelijke schietpartij op straat gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt.
Het strafblad van de verdachte
Het hof heeft bij de beraadslaging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2026. Hieruit volgt onder meer dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een geweldsmisdrijf. Ook volgt hieruit dat de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 januari 2025, derhalve ná de pleegdatum van het onderhavige feit, ter zake van overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld tot een geldboete. Dit brengt mee dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is.
Over de verdachte opgemaakte rapporten
In de onderhavige zaak is over de persoon van de verdachte een aantal Pro Justitia rapporten en reclasseringsadviezen uitgebracht. Het betreft de volgende rapporten en adviezen:
  • een Pro Justitia rapport van 5 februari 2024, opgemaakt door dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog;
  • een Pro Justitia rapport van 12 februari 2024 opgemaakt door C. Balázs, psychiater, (supervisant), dr. S.J. Roza, psychiater (supervisor) en J. Veel, forensisch milieuonderzoeker;
  • een aanvullend Pro Justitia rapport van 21 juli 2025 opgemaakt door
dr. R.A.R. Bullens, klinisch psycholoog;
  • een aanvullend Pro Justitia rapport van 23 juli 2025 opgemaakt door dr. S.J. Roza, psychiater en
  • de reclasseringsadviezen van 12 maart 2024, 10 januari 2024 en 1 juni 2023.
Genoemde rapporteurs concluderen dat bij de verdachte sprake is van ADHD van het gecombineerde type, een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis, een lichte stoornis in het gebruik van alcohol en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting (vanuit een norm-overschrijdende gedragsstoornis in de adolescentie). Die stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed.
De rapporteurs merken op dat de verdachte zijn (agressieve) impulsen, mede vanwege zijn antisociale ontwikkeling en ADHD, onvoldoende onder controle heeft.
Bullens geeft aan dat het aannemelijk is dat het gedrag van de verdachte - het van dichtbij tweemaal door het hoofd van [het slachtoffer] schieten - ernstig werd ontremd door de invloed van alcohol en door zijn ADHD. Zodoende was de verdachte in een verminderde mate in staat om zijn gedrag te reguleren, andere gedragskeuzes te maken en daarnaar te handelen.
Balász en Roza geven aan dat als gevolg van een combinatie van de genoemde persoonlijkheidsproblematiek, de ADHD en het middelengebruik, bij de verdachte al van jongs af aan sprake was van een fors gestoorde impulscontrole en agressieregulatie. De verdachte wordt gemakkelijk boos als hij onrecht of bedreiging ervaart, en schuwt het gebruik van fysieke of verbale agressie niet. Hij is minder dan een gemiddelde leeftijdsgenoot in staat om nog oplossingsstrategieën te bepalen teneinde een conflict te beslechten. Hij is bovendien meer dan gemiddeld geneigd tot roekeloos gedrag, en daarmee ook geneigd tot (overmatig) alcoholgebruik. Alcohol zal vervolgens zijn impulscontrole en agressieregulatie nog verder doen verslechteren, waardoor hij nog meer ontremd raakt.
Met het aanwezig geachte verband tussen de beschreven problematiek van de verdachte en het hem tenlastegelegde, adviseren de rapporteurs om de verdachte het hem tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Kans op recidive
Balász en Roza schatten het recidiverisico ten aanzien van een delict vergelijkbaar met het tenlastegelegde, bij gelijkblijvende omstandigheden en zonder behandeling van de bij de verdachte geconstateerde problematiek in als matig tot hoog. Het recidiverisico ten aanzien van gebruik van algemeen geweld in conflicten, al dan niet onder invloed van alcohol, wordt door hen ingeschat als hoog. De stoornisgerelateerde risicofactoren zijn de cognitieve, gedragsmatige en affectieve instabiliteit, zijn gebrekkig probleembesef en inzicht, de historische invloed van de sinds de kindertijd bestaande ADHD en de sinds adolescentie bestaande stoornissen in middelengebruik en norm overschrijdende gedragingen en de problemen in de relaties ten gevolge van zijn gevoeligheid voor onrechtvaardige behandeling.
Bullens komt ten aanzien van het recidiverisico tot dezelfde conclusie als bovengenoemde rapporteurs. Volgens hem zijn de belangrijkste risicofactoren gelegen in zijn impuls- en agressie-regulatieproblemen, het geweld als oplossing zien, zijn pro-criminele houding en het problematische alcohol- en cannabisgebruik.
Toepassing van het jeugdstrafrecht
Volgens de rapporteurs geeft de ASR-wegingslijst vanuit gedragskundig oogpunt onvoldoende argumenten om te adviseren tot toepassing van het jeugdstrafrecht.
Interventieadvies
Om het recidiverisico te verlagen adviseren de rapporteurs een intensief behandeltraject met mogelijkheden voor behandeling in zowel klinische als ambulante setting, gericht op psycho-educatie en behandeling van de geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek, verslaving en ADHD. Volgens Balász en Roza zal daarnaast een langdurig en geleidelijk resocialisatietraject nodig zijn. Vanwege de nog relatief jonge leeftijd van de verdachte en de potentiële behandelbaarheid van zijn aandoeningen, adviseren de rapporteurs de behandeling zo spoedig als mogelijk is te doen aanvangen.
Voor de rapporteurs zijn de voorgestelde behandelingen niet haalbaar binnen de tenuitvoerlegging van (alleen) een gevangenisstraf, al dan niet met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Zij adviseren een langdurige en intensieve behandeling op te leggen binnen het kader van een tbs. In dit verband overwegen rapporteurs Balász en Roza dat beperkt is in te schatten of de verdachte zich (duurzaam) zal kunnen houden aan de voorwaarden binnen een tbs met voorwaarden, omdat hij eerder nauwelijks justitiële of reguliere behandelingen heeft gehad. Volgens hen zal de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden niet alleen afhangen van de bereidheid van de verdachte zich aan de voorwaarden te committeren, maar ook van de op te leggen strafmaat. Indien de strafmaat een tbs met voorwaarden niet zou toelaten, adviseren de rapporteurs aan de verdachte de maatregel tbs met verpleging van overheidswege op te leggen. Rapporteur Bullens komt tot hetzelfde advies.
Aanvullende rapportages
Bullens en Roza hebben op respectievelijk 21 juli 2025 en 23 juli 2025 aanvullend gerapporteerd en zijn ten aanzien van de toerekenbaarheid, het recidiverisico en het interventieadvies tot dezelfde conclusies gekomen als verwoord in de rapporten van respectievelijk 5 februari 2024 en 12 februari 2024, zij het dat zij aangeven dat de verdachte in gedragsmatig opzicht wat beter lijkt te functioneren. Bullens schrijft dit voor een belangrijk deel toe aan het ‘detentie’- effect: het leven in een strak gereguleerde omgeving, met een duidelijk sanctiebeleid bij overtreding van de vigerende regels. Binnen die omgeving is de stoornis in het cannabisgebruik en de stoornis in het alcoholgebruik in volledige remissie. Roza komt tot een soortgelijke conclusie. Volgens haar is in diagnostische zin bij de verdachte nog altijd sprake van ADHD, een bedreigde (antisociale-) persoonlijkheidsontwikkeling en een stoornis in cannabisgebruik die binnen gereguleerde omstandigheden in vroege remissie is gegaan. Beiden adviseren opnieuw om tbs met voorwaarden op te leggen of, indien de strafmaat dit niet zou toelaten, een tbs met verpleging van overheidswege, waarbij zij opnieuw het belang benadrukken om de tbs in dat laatste geval wel zo vroeg mogelijk in te laten gaan. Voor toepassing van het jeugdstrafrecht worden geen indicaties gezien.
Oordeel van het hof naar aanleiding van de adviezen
Het hof is van oordeel dat de rapporten van genoemde rapporteurs op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de bevindingen van de rapporteurs worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing.
Het hof neemt die bevindingen over en beschouwt de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde als verminderd toerekeningsvatbaar.
Het hof ziet, gelet op de inhoud van de rapportages en de adviezen hierover, geen aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht.
De op te leggen gevangenisstraf
Hiervoor heeft het hof aandacht besteed aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onomkeerbaarheid ervan, het leed dat de nabestaanden is aangedaan, en de impact ervan op de samenleving. Ook heeft het hof gekeken naar de persoon van de verdachte en de Pro Justitia rapporten die over hem zijn uitgebracht. Het hof houdt omwille van de rechtsgelijkheid ook rekening met straffen die in het algemeen voor soortgelijke feiten plegen te worden opgelegd, te weten langdurige gevangenisstraffen doorgaans van tenminste 15 jaren.
De hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid en de relatief jeugdige leeftijd van de verdachte hebben een matigende werking op de op te leggen straf. Alles bij elkaar vindt het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en
6 maanden in beginsel passend en geboden.
Het hof heeft geconstateerd dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Namens de verdachte is op 26 april 2024 hoger beroep tegen het op 17 april 2024 gewezen vonnis ingesteld. De stukken van het geding zijn op 17 juni 2024 bij de griffie van dit hof binnengekomen, derhalve binnen de daartoe gestelde termijn van zes maanden. Op 28 mei 2026 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep plaatsgevonden, waarna op 11 juni 2026 arrest wordt gewezen. Aldus heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn van 16 maanden, maar is er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim
9 maanden. Het hof ziet in de mate van overschrijding aanleiding die te verdisconteren in de strafmaat. Het hof zal aan de verdachte daarom in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en 6 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
De op te leggen maatregel
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat dient te worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur. Subsidiair heeft de verdediging de oplegging van een gevangenisstraf in combinatie met de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr bepleit. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren in combinatie met tbs met voorwaarden. Uiterst subsidiair heeft de verdediging betoogd dat dient te worden volstaan met het opleggen van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege.
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de verdediging primair heeft bepleit, is het hof van oordeel dat gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, niet kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf. Dit brengt mee dat de primaire variant wordt afgewezen.
Ook de door de verdediging bepleite subsidiaire variant wijst het hof af. De rapporteurs schatten in dat de voorgestelde behandelingen niet haalbaar zijn binnen de tenuitvoerlegging van (alleen) een gevangenisstraf, al dan niet met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Rapporteurs adviseren om die reden de langdurige en intensieve behandeling op te leggen binnen het kader van de tbs. Het hof sluit zich hierbij aan en neemt het advies over.
Meer subsidiair heeft de verdediging de oplegging van een gevangenisstraf van maximaal vijf jaren in combinatie met tbs met voorwaarden bepleit. Ook die variant wijst het hof af. Zoals het hof reeds heeft overwogen rechtvaardigen de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onomkeerbaarheid ervan, het leed dat de nabestaanden is aangedaan en de impact ervan op de samenleving een gevangenisstraf van lange duur, in ieder geval aanzienlijk langer dan vijf jaren. Bovendien wordt daarmee het karakter van tbs met voorwaarden miskend. Of deze ‘lichtere’ vorm van tbs kan worden opgelegd, is immers niet alleen afhankelijk van de bereidheid van de verdachte om mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden, maar ook van de ernst van het delict en het gevaar voor recidive. Bij zeer ernstige delicten, zoals in deze zaak, is oplegging van tbs met voorwaarden in beginsel dan ook niet aangewezen.
Tot slot heeft de verdediging uiterst subsidiair betoogd dat aan de verdachte alleen de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd. Een dergelijke optie komt naar het oordeel van het hof alleen in beeld als een verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Ook deze variant wijst het hof dus af.
Nu het hof van oordeel is dat de door de verdediging voorgestelde (alternatieve) afdoeningsvarianten dienen te worden afgewezen, dient te worden bezien of is voldaan aan de voorwaarden voor tbs met verpleging van overheidswege. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
In artikel 37a, lid 1, aanhef en sub 1̊ en 2̊, Sr is bepaald dat een verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld, indien het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
Ingevolge het bepaalde in artikel 37a, lid 3, Sr kan de rechter bovengenoemde last slechts geven nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht.
Het hof stelt vast dat aan deze in de wet gestelde voorwaarden is voldaan.
Verder is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege eist. In dit verband overweegt het hof dat het bewezenverklaarde feit zeer ernstig is en dat de complexe persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en langdurige behandeling vereist, die niet mogelijk is in een ander kader dan tbs met verpleging van overheidswege.
Het hof zal daarom aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege opleggen.
Gelet op de uitdrukkelijke en herhaaldelijke adviezen van de deskundigen dat, (o.a.) vanwege de jonge leeftijd van de verdachte, het verminderen van het recidiverisico de grootste kans van slagen heeft als de behandeling zo spoedig mogelijk zal starten, zal het hof gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 37b, lid 2, Sr en adviseren om die maatregel te laten ingaan op het moment dat de verdachte twee/derde van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten.
Nu het bewezenverklaarde een misdrijf is dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, lid 1, Sr betekent dit dat de op te leggen maatregel de duur van vier jaar te boven kan gaan.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben na te melden benadeelde partijen zich gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden materiële of immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde.
  • [benadeelde partij 1], de moeder van [het slachtoffer], tot een bedrag van
  • € 20.000,00, bestaande uit immateriële (affectie)schade, te vermeerderen met wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • [benadeelde partij 2], de vader van [het slachtoffer], tot een bedrag van € 17.500,00, bestaande uit immateriële (affectie)schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • [benadeelde partij 3], een neef van [het slachtoffer], tot een bedrag van € 11.113,80, bestaande uit materiële schade (kosten van de uitvaart), te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden toegewezen. De vorderingen zijn dus niet betwist.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering [benadeelde partij 1], moeder van [het slachtoffer]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [het slachtoffer] door de verdachte om het leven is gebracht. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij de moeder van [het slachtoffer] is en dat het plotselinge overlijden van haar zoon veel pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Het hof acht aannemelijk geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden. Het gevorderde bedrag sluit aan bij de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen en is niet betwist, zodat het gevorderde (forfaitaire) bedrag kan worden toegewezen.
Het toegewezen bedrag tot schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering [benadeelde partij 2], vader van [het slachtoffer]
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [het slachtoffer] door de verdachte om het leven is gebracht. Uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij de vader van [het slachtoffer] is en dat het plotselinge overlijden van zijn zoon veel pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Het hof acht aannemelijk geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden. Het gevorderde bedrag sluit aan bij de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen en is niet betwist, zodat het gevorderde (forfaitaire) bedrag kan worden toegewezen.
Het toegewezen bedrag tot schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde partij 3], neef van [het slachtoffer]
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juni 2023 (zijnde de factuurdatum) tot aan de dag der algehele voldoening.
Kostenveroordeling
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen geheel worden toegewezen, dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, eveneens vooralsnog begroot op nihil.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen

Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte telkens de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag ten behoeve van de benadeelde partij op de wijze als in het dictum vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het impliciet primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Het hof adviseert de maatregel te laten ingaan op het tijdstip waarop de verdachte twee/derde van de opgelegde gevangenisstraf heeft uitgezeten.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde partij 1]ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 mei 2023.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde partij 2]ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 21 mei 2023.
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[benadeelde partij 3]ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 11.113,80 (elfduizend honderddertien euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.113,80 (elfduizend honderddertien euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
80 (tachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 juni 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, mr. L.A. Pit en
mr. J.A.M. Jansen, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juni 2026.
Mr. L.A. Pit is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.