ECLI:NL:GHDHA:2026:1913

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
22-001912-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 51 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor witwassen via investering in onroerend goed met onvoorwaardelijke gevangenisstraf

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor witwassen door het investeren van vermoedelijk uit misdrijf verkregen geld in een appartement en parkeerplaats te Rotterdam. De rechtbank Rotterdam veroordeelde verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf, maar het hof vernietigde dit vonnis en deed opnieuw recht.

Het hof oordeelde dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd was gezien de onduidelijke herkomst van de gelden, het negatieve eigen vermogen van het bedrijf van verdachte en het ontbreken van onderbouwde verklaringen over leningen. De verklaringen van getuigen weerlegden de stelling van verdachte dat het geld niet van misdrijf afkomstig was. Het hof verwierp de verklaring van verdachte als onaannemelijk.

Het hof achtte bewezen dat verdachte feitelijk leiding gaf aan het witwassen via het bedrijf en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 8 maanden, lager dan de rechtbank vanwege termijnoverschrijding. Tevens werd het onroerend goed verbeurd verklaard. De straf weerspiegelt de ernst van het witwassen en de eerdere veroordelingen van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor witwassen en het onroerend goed is verbeurd verklaard.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001912-22
Parketnummer: 10-751105-20
Datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1965,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat:
1.
(Zaak [zaaksnaam] )
[bedrijf 1] in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 3 juli 2020 te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
de woning en berging plaatselijk bekend als [adres 1] en parkeerplaats nummer [nummer] op -1 aan de [adres 2] te Rotterdam heeft verworven en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat dit vastgoed - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - uit enig misdrijf afkomstig was,
aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 30 november 2015 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de verplaatsing van zijn inkomsten en/of vermogen heeft verborgen en/of verhuld door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 1] en/of (hiermee) te investeren in de woning en berging plaatselijk bekend als [adres 1] en parkeerplaats nummer [nummer] op -1 aan de [adres 2] te Rotterdam en/of
genoemde inkomsten en/of vermogen heeft omgezet in betalingen door [bedrijf 1] aan [notariskantoor] en/of [bedrijf 2] verkregen uit (back-to-back) leningen en/of doorgestorte betalingen in contanten van hem, verdachte, aan [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] (te Dubai) en/of [persoon 3] (tot een totaal van EUR 285.000),
terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de op te leggen straf, en dat de verdachte aldus - te dien aanzien opnieuw rechtdoende - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen

Door en namens de verdachte is betoogd – op gronden zoals nader vermeld in de pleitnotities van de raadsvrouw – dat het geld waarmee het appartement aan de [adres 1] te Rotterdam is aangekocht, niet van misdrijf afkomstig is.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving
van art. 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen
bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf', niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet
kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig
aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat
vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare
bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin
bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden
niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf
afkomstig is. Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn
aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het
voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het
voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de
verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar
die verklaring (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:20l8:2352).
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of
ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een
dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn
bewijsoverwegingen.
Het hof leidt uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen het volgende af.
Het hof zal de verdachte hierna ook aanduiden als: [verdachte] .
[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) was gevestigd in Rotterdam. [verdachte] was bestuurder en enig aandeelhouder. Namens [bedrijf 1] heeft [verdachte] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het appartement aan de [adres 1] te Rotterdam, met parkeerplaats. De levering heeft plaatsgevonden op 6 november 2015.
Op het appartement was geen hypotheek gevestigd. De koopprijs van € 305.000,- is grotendeels voldaan door een drietal ontvangsten op de bankrekening van [bedrijf 1] , die de bronnen lijken te vormen van de uiteindelijke betaling op de bankrekening van de notaris:
l. € 50.000,- van [persoon 2] (omschrijving: “eningsovereenkomst”),
2. € 100.000,- van [bedrijf 3] (omschrijving: “in opdracht van [omschrijving 1] ”), en
3. € 135.000 ( verdeeld over twee stortingen) van [bedrijf 4]
(omschrijving: [omschrijving 2] ).
Onderliggende documentatie over de herkomst van deze grote ontvangen bedragen, onder andere uit Dubai, ontbreekt.
[bedrijf 1] had in de jaren 2012 tot en met 2016 een negatief eigen vermogen. Het
verdienmodel van de onderneming is onduidelijk. De ontvangsten lijken dan ook niet in verhouding te staan tot de inkomsten van [bedrijf 1] . Vanaf 2012 heeft [bedrijf 1] structureel een bruto loon van € 36.000 tot € 40.000 uitbetaald aan [verdachte] . Niet duidelijk is welke werkzaamheden [verdachte] daarvoor heeft verricht.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld.
[verdachte] heeft over de herkomst van het geld verklaard dat dit afkomstig was van leningen van [persoon 1] en [persoon 2] (vader en zoon). Deze verklaring is niet onderbouwd met stukken, zoals een leningsovereenkomst. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft nader onderzoek verricht naar de verklaring van [verdachte] , bestaande uit het doen van een rechtshulpverzoek aan Suriname om de vermeende geldschieters te horen.
De verklaring van [verdachte] is vervolgens weersproken door de getuigen [getuige] , bestuurder van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ), en vader en zoon [achternaam vader en zoon] . Uit hun verklaringen blijkt dat de stortingen van € 50.000 en € 100.000 geen leningen betreffen, maar betalingen die [verdachte] zelf heeft voorgefinancierd met contant geld. De [achternaam vader en zoon] hebben het geld contant van [verdachte] ontvangen en met een opslag van 5 of 7% overgeboekt of laten overboeken door hun zakelijke relatie [bedrijf 3] , die dit op hun verzoek heeft uitgevoerd. De [achternaam vader en zoon] hebben deze verklaring herhaald in hun verhoor bij de rechter-commissaris. Dat hiervoor geen aanvullend bewijs voorhanden is, maakt de verklaring van de getuigen niet onbetrouwbaar, mede gelet op de verklaring die [verdachte] hier zelf tegenover stelt. Dat in de omschrijving van de storting ‘(l)eningsovereenkomst’ is opgenomen doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af.
[verdachte] heeft in hoger beroep verklaard dat de verklaringen van de [achternaam vader en zoon] niet kloppen. Daarnaast heeft hij desgevraagd verklaard dat er tot op heden geen aflossingen hebben plaatsgevonden op de door hem gestelde leningen, dat er geen rente wordt betaald en dat hij evenmin is gemaand om tot betaling over te gaan. Dit maakt het naar het oordeel van het hof buitengewoon onwaarschijnlijk dat daadwerkelijk sprake is van leningen. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep (opnieuw) geen onderliggende stukken overgelegd en heeft evenmin verklaard over de herkomst van de aan de [achternaam vader en zoon] overgedragen gelden. Het aldus door [verdachte] geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft geen aanleiding tot (opnieuw) een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
Gelet op het voorgaande zal het hof de verklaring van [verdachte] over de herkomst van het geld als onaannemelijk terzijde schuiven. Het vermoeden van witwassen is niet weerlegd.
Ten aanzien van de hiervoor onder 3. genoemde stortingen van [bedrijf 4] is geen aanvullende informatie bekend geworden. [verdachte] heeft voor deze stortingen geen enkele verklaring gegeven, anders dan de eerdergenoemde verklaring dat de totale geldsom afkomstig is van leningen bij [achternaam vader en zoon] . Gelet op wat hiervoor is overwogen over de stortingen onder 1. en 2. en nu [persoon 1] en [persoon 2] hebben verklaard [bedrijf 4] niet te kennen, kan het niet anders zijn dan dat ook de stortingen genoemd onder 3. afkomstig zijn van (contante) betalingen van [verdachte] zelf.
Dit leidt tot de conclusie dat het onder 2 ten laste gelegde vermogen en ook het onder 1 ten laste gelegde onroerend goed onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Dat de Surinaamse wetgeving mogelijk het investeren vanuit Suriname in het buitenland bemoeilijkte, of dat het in Suriname gangbaar zou zijn om contante geldbedragen te overhandigen, maakt dit - mede gelet op de hoogte van de geldbedragen - niet anders. Het hof komt daarmee evenals de rechtbank tot een bewezenverklaring van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde geldt dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] gepleegde witwassen.
Voorwaardelijk getuigenverzoek
Bij pleidooi is voorwaardelijk verzocht [persoon 3] , mogelijk via een bedrijf genaamd [bedrijf 5] gelieerd aan [bedrijf 4] , alsnog als getuige te horen, indien het hof de getuigenverklaringen van vader en zoon [achternaam vader en zoon] voor het bewijs wenst te gebruiken. [persoon 3] heeft in het voorbereidend onderzoek niet eerder een verklaring afgelegd.
Het hof overweegt ten aanzien van dit verzoek dat het horen van de getuige Guman – gelet op de onderbouwing van het verzoek – niet noodzakelijk is gebleken. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
[bedrijf 1] in
of omstreeksde periode van
1 april6 november2015 tot en met 3 juli
20202019te Rotterdam en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
de woning en berging plaatselijk bekend als [adres 1] en parkeerplaats nummer [nummer] op -1 aan de [adres 2] te Rotterdam heeft verworven en
/ofdaarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij wist,
althans redelijkerwijze moest vermoeden,dat dit vastgoed - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - uit enig misdrijf afkomstig was,
aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, feitelijk
eleiding heeft gegeven;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 1 april 2015 tot en met 30 november 2015 te Rotterdam en/of elders in Nederland en/of te Paramaribo en/of elders in Suriname
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
de werkelijke aard en/of de herkomst
en/of de verplaatsingvan zijn
inkomsten en/ofvermogen heeft
verborgen en/ofverhuld door
deze inkomsten en/ofdit vermogen (gedeeltelijk, middellijk) onder te brengen in [bedrijf 1] en
/of (hiermee) te investeren in de woning en berging plaatselijk bekend als [adres 1] en parkeerplaats nummer [nummer] op -1 aan de [adres 2] te Rotterdam en/of
genoemd
e inkomsten en/ofvermogen heeft omgezet in betalingen door [bedrijf 1] aan [notariskantoor]
en/of [bedrijf 2]verkregen uit
(back-to-back) leningen en/ofdoorgestorte betalingen in contanten van hem, verdachte, aan [persoon 1] en
/of[persoon 2] en
/of[bedrijf 3] en
/of[bedrijf 4] (te Dubai)
en/of [persoon 3](tot een totaal van EUR 285.000),
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat
die inkomsten en/ofdat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was
/warenuit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van witwassen, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het (feitelijke leiding geven aan) witwassen van een vastgoedobject en van zijn vermogen.
Door het witwassen van vastgoed en vermogen wordt de onderliggende criminaliteit, waarbij grote sommen geld kunnen omgaan, gefaciliteerd. Witwasconstructies tasten de integriteit van de legale economie aan en zijn, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.
Het hof heeft acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
19 februari 2026, waaruit blijkt dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Gelet op het totale bedrag dat is aangewend voor de aankoop van de woning, is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt evenwel vast dat de behandeling van het op 30 juni 2022 ingestelde hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, maar dat deze met ongeveer 2 jaar is overschreden. Gelet op deze overschrijding zal het hof de verdachte – in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf – een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opleggen.
Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, indien en voor zover nog aan de orde, volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, in voorkomend geval tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Verbeurdverklaring

Blijkens de door de officier van justitie in eerste aanleg overgelegde beslaglijst is het appartement [adres 1] onder de medeverdachte [medeverdachte] in beslag genomen. Blijkens het algemeen dossier is dit appartement onder [bedrijf 1] in beslag genomen (p. 1467). In onderhavig arrest tegen de verdachte zal het hof de verbeurdverklaring uitspreken van het onroerend goed aan de [adres 1] Rotterdam. Dit voorwerp behoort blijkens de bewijsmiddelen toe aan [bedrijf 1] . Het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is met betrekking tot dit voorwerp begaan. [bedrijf 1] was bekend
met de verkrijging door witwassen als bedoeld in artikel 33, lid 2, onder a van het Wetboek
van Strafrecht. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 51, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
het onroerende registergoed [adres 1] Rotterdam.
Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter,
mr. R. van der Hoeven en mr. M.S. Lamboo, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2026.