ECLI:NL:GHDHA:2026:191

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
200.335.765/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:758 lid 2 BWArt. 7:758 lid 3 BWArt. 150 RvNEN 1010:2015Art. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer voor brand in woning door elektrische installatie niet bewezen

Appellanten vorderden vergoeding van schade veroorzaakt door een brand in hun woning, die zij toeschreven aan gebreken in de elektrische installatie aangelegd door een onderaannemer van de geïntimeerde aannemer. De rechtbank wees de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing van het causaal verband tussen de gebreken en de brand.

In hoger beroep stelde appellanten dat de brand was ontstaan in de meterkast door gebreken in de hoofdverdeelinrichting, ondersteund door rapporten van deskundigen. Geïntimeerde betwistte dit en voerde aan dat de woning was opgeleverd en dat eventuele gebreken voor risico van appellanten kwamen. Het hof oordeelde dat de oplevering had plaatsgevonden en dat aansprakelijkheid voor verborgen gebreken mogelijk bleef, maar appellanten onvoldoende concreet hadden toegelicht welke gebreken er waren en dat deze de brand hadden veroorzaakt.

Het hof constateerde dat het incidentrapport en deskundigenrapporten geen sluitend bewijs boden dat de brand in de meterkast was ontstaan. Ook de stelling dat de elektrische installatie niet voldeed aan de NEN 1010-norm was onvoldoende onderbouwd. Daarnaast was niet uitgesloten dat derden na oplevering werkzaamheden hadden verricht die de brand konden veroorzaken. Het bewijsaanbod van appellanten werd gepasseerd wegens onvoldoende specificatie.

Daarom werd het hoger beroep afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat aannemer niet aansprakelijk is voor de brand in de woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.335.765/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/642216 / HA ZA 23-118
Arrest van 17 februari 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

2. [appellant 2] ,
beiden wonend in [woonplaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. E.J. Eijsberg, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. Z.M. Nasir, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
Aannemer [geïntimeerde] heeft voor [appellanten] een woning gebouwd, waarin brand is ontstaan. [appellanten] stelt dat de brand is veroorzaakt als gevolg van gebreken in de door (een onderaannemer van) [geïntimeerde] aangelegde elektrische installatie en vordert vergoeding van de schade door [geïntimeerde] . Zowel de rechtbank als het hof wijzen de vordering af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 16 november 2023, waarmee [appellanten] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van 18 oktober 2023 van de rechtbank Den Haag (hierna: het vonnis);
  • de memorie van grieven van [appellanten] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen;
  • de bijlagen 9 en 10 die [appellanten] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 6 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht; mr. Dalpi (namens [appellanten] ) aan de hand van pleitaantekeningen die zij heeft overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De rechtbank heeft in het vonnis onder 2 een aantal feiten vermeld. Deze feiten zijn tussen partijen niet in geschil en dienen daarom ook het hof tot uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld komen de feiten neer op het volgende.
3.2
[geïntimeerde] heeft voor [appellanten] een vrijstaande woning gebouwd (hierna: de woning). Partijen hebben daartoe op 18 november 2019 een aannemingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten. Partijen kwamen onder meer overeen dat [geïntimeerde] als aannemer alle installatiewerkzaamheden door een specialistisch en gecertificeerd installatiebedrijf moest laten uitvoeren. [eigenaar] (hierna: [eigenaar] ) is eigenaar van [geïntimeerde] .
3.3
In een – aan de architect van [appellanten] gericht – inspectierapport van installatiebedrijf [installatiebedrijf] (hierna: [installatiebedrijf] ) van 20 september 2021 is voor zover van belang het volgende vermeld:
“Rekening voor: Bouwenarchitecten (…) Hierbij doe ik u mijn bevindingen toekomen van de inspectie van de elektrische installatie (…) zoals die tot dan is uitgevoerd: (…) meterkast aanleg slordig beter afwerken van de leidingen
(…) Rest van installatie en installatie opbouw is prima.”
3.4
Op een door partijen ondertekend document van 28 september 2021 is onder meer vermeld:
“Opleveringsrapport (Proces-verbaal van oplevering)
(…) B-Grond: (…) meterkast fatsoeneren.”
3.5
Op 15 maart 2022 heeft [appellant 1] als bericht in een WhatsAppgroep waarvan [appellanten] , de architect van [appellanten] en [eigenaar] onderdeel uitmaakten, onder meer het volgende laten weten.
“Alles is in principe afgerond, zonwering is ook geplaatst. Deze groep kan ook verlaten worden, mocht er iets tussen komen dan kunnen we elkaar vinden. [eigenaar] [ [eigenaar] , hof] hoop ik binnenkort te zien om hem voor alles persoonlijk te bedanken en af te rekenen.”
3.6
Op 14 juni 2022 is er brand ontstaan in de woning. [appellant 1] woonde op dat moment nog niet in de woning, maar had de nacht voorafgaand aan de brand met zijn gezin in de woning overnacht. Er was geen (opstal)verzekering afgesloten voor de woning.
3.7
In het naar aanleiding van deze brand door de brandweer opgemaakt incidentrapport staat onder meer het volgende:
“Tijdstip melding: 12:03:46
(…)
12:04:33 airco monteur bezig geweest.
12:04:40 hangt zwarte rook in de woning
12:04:59 airco monteur is weg. niemand meer binnen
12:05:24 herrie uit de meterkast.
12:05:37 vrijstaande woning. heel husi vol met rook
(…)
12:13:37 Meterkast
12:13:37 (…) geen vlammen en de rook word steeds zwarter
12:13:40 (…) komt overal uit.
12:21:20 (…) OvDB gaat tp
(…)
12:22:48 (…) begonnen met binnen aanval. brand op de begane grond met 12:22:48 uitbreiding naar de 2de verdieping.
12:25:32 (…) krijg nuts tp. meterkast in de brand. Brand is redelijk
12:25:32 onder controle. kunnen niet afblussen ivm de stroom.
(…)
12:40:19 (…) -brme brandmeester. blussing 2-O bundels. koelkast heeft 12:40:19 staan uitgassen en daar is het begonnen met branden.”
3.8
[appellanten] heeft [deskundige 1] van BDTC (hierna: [deskundige 1] ) ingeschakeld voor het uitvoeren van een (oriënterend) onderzoek. In zijn rapport van 1 december 2022 is onder meer het volgende opgenomen:
“Aan de hand van het totale brandbeeld is de plaats van het ontstaan van de brand vastgesteld. Deze bevond zich in de keuken ter hoogte van de vriezer / meterkast.
Afgaande op de tekening (2813-01) waren er drie ruimten. In eerste instantie kwam ik bij de vriezer uit. Volgens de gebruiks- en montagehandeling diepvrieskast van Miele moeten er bij de inbouw ventilatieopeningen worden aangebracht teneinde warmte af te voeren. Deze trof ik niet aan. Dat was de reden, dat de keukenbouwer werd benaderd. Samen met een technisch onderzoeker [onderzoeker] (namens de keukenbouwer) is in het bijzijn van de keukenbouwer het technisch onderzoek voortgezet. Hierbij bleek, dat de keukenbouwer afwijkend van de gebruiks- en montagehandleiding in nagenoeg de complete achterwand van de inbouwkast een opening had gemaakt. Deze ventilatieopening was groot genoeg voor de afvoer van de warmte. (…) Na het vervolgonderzoek bleek, dat er geen drie (gekleurde) ruimten waren. De deuren en zijwanden van de meterkast waren namelijk door de keukenbouwer verwijderd. De achterwand van de inbouwkast van de vriezer was nagenoeg geheel open. Hierdoor ontstond als het ware één grote ruimte (…). In deze grote ruimte bevonden zich dus de vriezer, de wandcontactdoos, de recorder van de camera’s en de schakel- en verdeelinrichting van de woning. Tijdens ons gezamenlijk onderzoek op de locatie hebben elektrotechnisch onderzoeker [deskundige 2] en ik de vriezer als inleider van de brand uitgesloten. [deskundige 2] sloot later de wandcontactdoos en de recorder van de beveiligingscamera’s eveneens als mogelijke brandinleider uit. Bleef alleen als scenario over de schakel- en verdeelinrichting als mogelijke inleider van de brand. Voor de verdere bijzonderheden in deze verwijs ik naar de rapportage van [deskundige 2] .
Resumé:
In 1e instantie is de plaats van het ontstaan van de brand vastgesteld. Door uitsluiting van diverse mogelijke brandinleiders (vriezer, wandcontactdoos, recorder, etc.) is vervolgens het centrum van plaats van het ontstaan van de brand vastgesteld. Binnen dit centrum bevond zich alleen de schakel- en verdeelinrichting.”
3.9
Op verzoek van [appellanten] heeft [deskundige 2] van [bedrijf] (hierna: [deskundige 2] ) onderzocht waar en waardoor de brand is ontstaan. Op 1 november 2022 heeft hij zijn rapport uitgebracht. Op 23 februari 2024 heeft [deskundige 2] een tweede rapport, met aanvullingen, uitgebracht.
3.1
In het eerste rapport van [deskundige 2] is onder meer het volgende opgenomen.
2. De vragen
De heer mr. Ripmeester[destijds raadsman van [appellanten] , hof]
heeft aan de onderzoeker de volgende vragen voorgelegd.
Vraag 1. Waar is de brand ontstaan?
Vraag 2. Waardoor is de brand ontstaan?
(…)
4. De bronnen
4.1
de schouwing op 22-7-2022
4.2.
de collegiale informatie afkomstig van [deskundige 1]
(…)
6. Beantwoording van de vragen
(…)
Antwoord op vraag 2
De brand is ontstaan als gevolg verkeerd gekozen interne geleiders in de hoofdverdeelinrichting. Deze verkeerd gekozen interne geleiders zijn, op het moment van het ontstaan van de brand, extreem belast. Er zijn ook montagefouten gemaakt tijdens het samenbouwen.
(…)
7.1
Toelichting bij het antwoord op vraag 1.
De brand is ontstaan in de hoofdverdeelinrichting in de meterkast.
Taxonomie
a.
Door de brandonderzoeker [deskundige 1] is vastgesteld dat de brand is ontstaan in de meterkast [Bron:4.2.]
b.
Bij de schouwing op 22-7-2022 is dat door de onderzoeker bevestigd. [Bron: 4.1.]
c.
In en nabij de meterkast zijn mogelijke bronnen van waaruit de brand kan ontstaan: [bron 4.1]
- een koel/vries combinatie van het fabricaat Miele;
- een kastje met elektronica voor het domotica systeem;
- de hoofdverdeelinrichting van de elektrische installatie.
(…)
f. Bij het onderzoek in de werkplaats is door de onderzoeker vastgesteld:
- in de koel/vries combinatie is de brand niet ontstaan. Wel heeft deze betekenend bijgedragen aan de brandverspreiding door het toegepaste isolatiemateriaal [bron: 4.10.];
- In het kasje met elektronica voor het domotica systeem is de brand niet ontstaan. [bron: 4.9.]
(…)
Uit bovenstaande taxonomie volgt dat de brand is ontstaan in de meterkast, in de hoofdverdeelinrichting van de elektrische installatie.”
3.11
In het tweede rapport van [deskundige 2] is onder meer het volgende opgenomen.
Met aanvulling
In het oorspronkelijke rapport (…) d.d. 27-11-2022 zijn enige aanvullingen opgenomen, onder verantwoordelijkheid van de onderzoeker.
Deze aanvullingen betreffen uitsluitend een nadere toelichting omdat gebleken is dat daaraan behoefte bestaat.
Nadrukkelijk zijn geen wijzigingen aangebracht!
(…)
Ook zijn er enige taalkundige correcties aangebracht en foto’s ter verduidelijking van de tekst.”
3.12
Op 26 september 2022 heeft [deskundige 3] van [eenmanszaak] (hierna: [deskundige 3] ) in opdracht van [deskundige 2] een inspectie aan de elektrische installatie uitgevoerd. De hoofd schakel- en verdeelinrichting, waarin volgens het rapport brand is ontstaan, kon niet worden onderzocht, omdat deze zich bij [deskundige 2] bevond. In het rapport van 28 september 2022 van [deskundige 3] staat onder meer het volgende:
Wettelijk kader
Bij de inspectie is bepaald of, met betrekking tot de elektrische voorzieningen, wordt voldaan aan Nederlandse norm NEN 1010:2015 (…)
5: Omvang inspectie:
De onderzoeksopdracht voor de inspectie betreft:
- Het in kaart brengen van de installatie;
- De inventarisatie van de nominale vermogens;
- Het inventariseren van schendingen van de vigerende norm NEN 1010:2015.
In de hoofd schakel- en verdeelinrichting is brand ontstaan. De restanten van de gehele schakel- en verdeelinrichting zijn voor onderzoek veiliggesteld door de opdrachtgever en niet geïnspecteerd. (…)
Conclusie en eindoordeel:
De installatie voldoetNietaan de gesteld eisen.”
3.13
[geïntimeerde] heeft Brand Technisch Bureau Nederland (hierna: BTB ) opdracht gegeven onder meer de rapporten van [deskundige 1] en [deskundige 2] te analyseren en van commentaar te voorzien. Op 25 mei 2023 heeft BTB verslag (hierna: het BTB rapport) uitgebracht.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellanten] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd, samengevat, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
(I) voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor het ontstaan van de brand in de woning op 14 juni 2022 en gehouden is de schade ten gevolge van deze brand, op te maken bij staat, te vergoeden aan [appellanten]
(II) [geïntimeerde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting te vergoeden de buitengerechtelijke kosten, nader door de rechtbank conform de toepasselijke staffel te begroten, vermeerderd met de wettelijke rente;
III) [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten;
IV) [geïntimeerde] te veroordelen in de nakosten.
4.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] in de proceskosten veroordeeld.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellanten] vordert in hoger beroep dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] veroordeelt aan [appellanten] € 737.562,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
5.2
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de deskundigenkosten van € 11.930,60 (incl. btw) en in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
[appellanten] baseert zijn vorderingen op de stellingen dat i) de door (de onderaannemer van) [geïntimeerde] aangelegde elektrische installatie gebrekkig was; ii) dat als gevolg van dat gebrek brand is ontstaan in de meterkast; en iii) dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade.
6.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat het gestelde causaal verband onvoldoende is onderbouwd, omdat relevante gegevens en andere mogelijke schadeoorzaken bij het onderzoek naar de brandoorzaak buiten beschouwing zijn gebleven. De eerste grief van [appellanten] richt zich tegen dat oordeel (rov. 4.10 vonnis) en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen.
6.3
[appellanten] voert in dit verband het volgende aan. Om de brandoorzaak vast te stellen, is eerst het ontstaansgebied van de brand vastgesteld. Dit was de keuken. Binnen het ontstaansgebied werden als mogelijke inleiders van de brand aangetroffen: een vrieskast, de meterkast (hoofdschakel- en verdeelinrichting van de elektrische installatie) en een kastje van het domoticasysteem. Het kastje van het domoticasysteem en de vrieskast kunnen als brandoorzaak worden uitgesloten, zodat de brand ontstaan moet zijn in de meterkast. Dit laatste blijkt ook uit het incidentrapport van de brandweer (zie 3.7), en uit de rapporten van [deskundige 2] . Uit die rapporten volgt ook dat de brand is ontstaan als gevolg van gebreken in de hoofdverdeelinrichting, aldus nog steeds [appellanten]
6.4
[geïntimeerde] voert aan dat het bouwwerk op 28 september 2021, dus ruim voor de brand, is opgeleverd en zij daarmee dus niet langer kan worden aangesproken voor de schade. Daarnaast betwist [geïntimeerde] dat de brand is ontstaan in de meterkast en zij betwist – subsidiair – dat de brand is ontstaan als gevolg van gebreken die aan haar zijn toe te rekenen.
Oplevering
6.5
Na oplevering komt een (bouw)werk voor risico van de opdrachtgever (artikel 7:758, lid 2, BW). De aannemer is na oplevering ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken (artikel 7:758, lid 3, BW).
6.6
[geïntimeerde] voert aan dat de woning op 28 september 2021 is opgeleverd, en dat [appellanten] vlak voor die datum de deskundige [installatiebedrijf] heeft ingeschakeld om de elektrische installatie te inspecteren. De aanbevelingen van [installatiebedrijf] zijn door [geïntimeerde] opgevolgd, en zij, [installatiebedrijf] , heeft geconcludeerd dat de rest van de installatie en de installatie opbouw prima was. Voor zover er sprake zou zijn van een gebrekkige installatie dient dat daarmee voor rekening en risico van [appellanten] te blijven, aldus [geïntimeerde] .
6.7
Het hof gaat daar in zoverre in mee, dat geoordeeld moet worden dat de woning is opgeleverd aan [appellanten] Uit het door beide partijen op 28 september 2021 ondertekende proces-verbaal van oplevering blijkt niet dat het slechts een ‘vooroplevering’ betrof, zoals [appellanten] aanvoert. Daar komt bij dat op grond van de algemene voorwaarden behorende bij de overeenkomst de woning ook is opgeleverd als de opdrachtgever het werk in gebruik neemt. Met de door haar overgelegde WhatsAppberichten (onder meer als weergegeven in 3.5 hierboven) en de verklaring van [appellant 1] dat hij de nacht voor de brand met zijn gezin in de woning had geslapen en daar in de keuken had ontbeten, is die ingebruikname voldoende komen vast te staan. De door [appellanten] overgelegde e-mail met daarbij een document getiteld ‘Proces-verbaal van voor-oplevering’ (productie 2 bij memorie van grieven), dat door geen van de partijen getekend is, is tegen die achtergrond onvoldoende om aan te nemen dat de oplevering niet heeft plaatsgevonden.
6.8
Het hof overweegt dat de oplevering aansprakelijkheid van [geïntimeerde] niet uitsluit voor een mogelijk verborgen gebrek (een gebrek dat de opdrachtgever niet redelijkerwijs had moeten ontdekken). Voor zover [geïntimeerde] heeft willen stellen dat als de brand door een gebrek in de meterkast is ontstaan, [appellanten] dat gebrek redelijkerwijs had moeten ontdekken, heeft zij daarvoor onvoldoende aangevoerd. Het enkele feit dat de installatie op 15 september 2021 is bekeken door [installatiebedrijf] is daarvoor niet genoeg. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het rapport van [installatiebedrijf] summier is, de inspectie is uitgevoerd enige tijd vóór oplevering, en de keuring – zoals onbetwist door [appellanten] aangevoerd – geen NEN 1010 keuring was.
Locatie van het ontstaan van de brand
6.9
Als in deze procedure zou worden vastgesteld dat de brand in de meterkast is ontstaan, dan zou dat op zichzelf nog onvoldoende zijn om tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] te komen. Daarvoor is in elk geval ook vereist dat komt vast te staan dat de brand door een gebrek in de (hoofdverdeelinrichting in de) meterkast is ontstaan. Als wordt aangetoond dat de brand
nietin de meterkast is ontstaan, is [geïntimeerde] niet aansprakelijk voor de schade, aangezien [appellanten] juist een gebrek in de meterkast aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd.
6.1
[appellanten] onderbouwt zijn stelling dat de brand is ontstaan in de meterkast in de eerste plaats met het incidentenrapport (zie 3.7). Hij wijst daarbij op de vermelding daarin luidend ‘
12:13:37 Meterkast’. Het hof constateert, zoals ook door [geïntimeerde] aangevoerd, dat in het rapport ook is opgenomen, met als tijdstip 12:40:19 uur:
‘[de] koelkast heeft staan uitgassen en daar is het begonnen met branden.’Wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat deze laatste melding door de brandweer is gedaan, die inmiddels de woning had betreden, bevat het incidentenrapport een aanwijzing dat de brand in de koelkast (waarmee, naar tussen partijen niet in geschil is, een vriezer wordt bedoeld; het hof zal hierna die term gebruiken) is ontstaan. Geconcludeerd moet worden dat op basis van het incidentrapport niet kan worden vastgesteld dat de brand in de meterkast is ontstaan, en ook niet dat deze is begonnen in de vriezer.
6.11
[appellanten] doet in de tweede plaats een beroep op de rapporten van [deskundige 2] , waarin onder meer wordt geconcludeerd dat de brand is ontstaan in de hoofdverdeelinrichting in de meterkast. Volgens het eerste rapport is [deskundige 2] tot die conclusie gekomen op basis van een ‘taxonomie’ die begint met de vaststelling dat door [deskundige 1] is vastgesteld dat de brand is ontstaan in de meterkast (zie het citaat weergegeven bij 3.10 hiervoor, aldaar 7.1, onder a.)). Zoals ook door de rechtbank is opgemerkt, blijkt uit het rapport van [deskundige 1] evenwel niet dat hij dat heeft vastgesteld. Hij rapporteert slechts dat hij met [deskundige 2] de vriezer als brandhaard heeft uitgesloten en verwijst verder naar het (eerste) rapport van [deskundige 2] . [appellanten] heeft ook in hoger beroep niet toegelicht op basis waarvan [deskundige 1] zelf heeft vastgesteld dat de brand in de meterkast is ontstaan zodat het hof constateert dat de stelling dat [deskundige 1] dat heeft vastgesteld niet is onderbouwd.
6.12
In zijn tweede rapport heeft [deskundige 2] een andere ‘taxonomie’ opgenomen, bestaande uit de bespreking van de verscheidene brandoorzaken die brandonderzoekers plegen te onderscheiden. [deskundige 2] stelt vast dat deze alle niet van toepassing zijn, met uitzondering van categorie e) “defect / verkeerd gebruik apparaten / producten”. Ten aanzien van categorie e) constateert [deskundige 2] dat in de nabijheid van de plaats waar de brand tot ontwikkeling is gekomen aanwezig zijn: een vrieskast, een kastje voor het domotica-systeem en de hoofdverdeling van de elektrische installatie. Na de vriezer en het domoticakastje als brandoorzaak te hebben uitgesloten, komt [deskundige 2] in zijn tweede rapport tot hetzelfde antwoord op de vraag waar de brand is ontstaan, namelijk in de hoofdverdeelinrichting in de meterkast.
6.13
[geïntimeerde] c.s. betwist dit en verwijst naar het BTB -rapport, waarin wordt opgemerkt dat [deskundige 2] geen aandacht heeft besteed aan een aantal mogelijke gebreken in de (inbouw en aansluiting van de) vriezer en dat de spatschade en het brandpatroon direct boven de opstelplaats van de vriezer een niet te miskennen aanwijzing vormen voor de zone van de primaire brandhaard. De conclusie van BTB is dat de brand is ontstaan in, of in de directe omgeving van de opstalplaats van, de vriezer. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [appellanten] hierop gereageerd en uiteengezet waarom in zijn visie zowel de spatschade als het V-vormige brandpatroon dat BTB op de foto’s meent te zien, geen bewijs zijn dat de brand in de vriezer is ontstaan.
6.14
Het hof overweegt dat met de betwisting door [appellanten] van de conclusies die in het rapport van BTB worden getrokken ten aanzien van de primaire brandhaard, niet (voldoende) is komen vast te staan dat de brand in de vriezer is ontstaan; het daarop gerichte bevrijdend verweer van [geïntimeerde] slaagt dus niet. Dat wil echter niet zeggen dat
dusvaststaat dat de brand in de meterkast is ontstaan. Wat [appellanten] heeft aangevoerd, al dan niet ter betwisting van de stelling van [geïntimeerde] dat de brand in de vrieskist is ontstaan, levert niet een voldoende onderbouwing op van zijn stelling dat de brand in de meterkast is ontstaan.
6.15
Gezien het voorgaande komt het hof toe aan bespreking van de gestelde gebreken.
Gebreken in de hoofdverdeelinrichting?
6.16
[appellanten] stelt in hoger beroep dat gebreken in de hoofdverdeelinrichting hebben geleid tot (extreme) overbelasting met zeer hoge temperaturen tot gevolg. [appellanten] verwijst daarbij naar het tweede rapport van [deskundige 2] . In antwoord op de tweede hem gestelde vraag (‘
Waardoor is de brand ontstaan?’) heeft deze geantwoord:
“De brand is ontstaan als gevolg van een extreme overbelasting van de hoofdverdeelinrichting en door montagefouten. De overbelasting is ontstaan door een gebrekkig ontwerp en door montagefouten bij het installeren.”
6.17
[geïntimeerde] betwist die conclusie en verwijst ter onderbouwing van haar verweer (ook) naar het BTB -rapport.
6.18
BTB wijst er onder meer op dat een verdeelinrichting tegen overbelasting wordt beveiligd door de hoofdzekeringen van het nutsbedrijf en dat [deskundige 2] is uitgegaan van hogere stromen dan de voorbeveiliging van de hoofdverdeelinrichting, zodat zijn berekeningen op dat punt niet kloppen. Wat betreft de door [deskundige 2] genoemde ernstige montagefouten, schrijft BTB dat de foto van de klem, waarvan de klemschroeven niet op de correcte wijze zouden zijn aangedraaid, zodanig is genomen dat niet kan worden vastgesteld of er sprake is van een montagefout. Verder was het volgens BTB mogelijk geweest (andere) sporen vast te leggen die duiden op een opgetreden gebrek in de hoofdverdeelinrichting en moet uit het ontbreken van foto’s van die sporen worden geconcludeerd dat er geen sprake was van een dergelijk gebrek.
6.19
Het hof overweegt dat uit het ontbreken van foto’s waarop de gestelde gebreken te zien zijn, natuurlijk niet noodzakelijkerwijs volgt dat die gebreken er niet waren. Het had wel op de weg van [appellanten] gelegen (alsnog) die foto’s over te leggen – volgens de rapporten van [deskundige 2] heeft deze alle relevante materialen in en nabij de meterkast veilig gesteld en opgeslagen – dan wel nader toe te lichten wat er verkeerd gemonteerd was. Dat heeft [appellanten] nagelaten. Evenmin is [appellanten] ingegaan op de door BTB geplaatste vraagtekens bij de door [deskundige 2] uitgevoerde berekeningen. Daarmee heeft [appellanten] zijn stelling dat de brand is ontstaan als gevolg van een gebrek in de hoofdverdeelinrichting onvoldoende concreet toegelicht. Aan bewijslevering op dit punt wordt niet toegekomen.
6.2
Tot slot is relevant dat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat er – na de oplevering – mogelijk in opdracht van [appellanten] werkzaamheden door derden zijn uitgevoerd. Anders dan [appellanten] betoogt, heeft [geïntimeerde] die stelling voldoende onderbouwd; in het BTB -rapport is vermeld dat op 19 april 2022 en op 14 juni 2022 tussen 11:45 en 12:00 de omvormer is uitgeschakeld en dat dat erop zou kunnen wijzen dat er op die momenten in de hoofdverdeelinrichting werkzaamheden zijn uitgevoerd
.Omdat [appellanten] die constatering in hoger beroep niet heeft weersproken – hij heeft slechts verklaard dat de aircomonteur op 14 juni 2022 geen werkzaamheden (in de buurt van de brandhaard) heeft uitgevoerd – heeft hij de stelling van [geïntimeerde] dat derden werkzaamheden hebben uitgevoerd in de meterkast, onvoldoende betwist, en kan niet worden uitgesloten dat de brand is ontstaan als gevolg van dergelijke werkzaamheden.
6.21
Het bovenstaande leidt ertoe dat de eerste grief van [appellanten] niet kan slagen.
Omkeringsregel
6.22
De tweede grief van [appellanten] richt zich tegen de overweging (rov. 4.3) van de rechtbank dat conform art. 150 Rv Pro [appellanten] de bewijslast draagt van de gestelde wanprestatie en de stelling dat dit de oorzaak van de brand was.
6.23
In de visie van [appellanten] moet de zogenaamde omkeringsregel worden toegepast, die inhoudt dat in zoverre van het uitgangspunt van art. 150 Rv Pro wordt afgeweken dat de aansprakelijk gestelde partij, wil zij aan aansprakelijkheid ontkomen, het tegendeel van het
condicio sine qua non-verband aannemelijk maakt, namelijk dat de schade ook zou zijn ontstaan zonder de door deze partij gepleegde onrechtmatige daad of wanprestatie.
6.24
Het hof overweegt dat de omkeringsregel van toepassing is wanneer (i) sprake is van een schending van een norm die strekt tot voorkoming van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander; (ii) dit door de normschending in het algemeen in aanmerkelijke mate wordt vergroot; en (iii) aannemelijk is dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt.
6.25
[appellanten] stelt dat [geïntimeerde] de norm NEN 1010 (versie 2015) – die minimumeisen aan laagspanningsinstallaties in onder meer woningen stelt, specifiek om brand door overbelasting van elektrische installaties te voorkomen – heeft geschonden. [appellanten] voert aan dat zowel [deskundige 2] als [deskundige 3] hebben vastgesteld dat de elektrische installatie niet aan NEN 1010 voldoet. Bovendien vormt het enkele niet-uitvoeren van een eerste inspectie bij oplevering en ingebruikstelling van de elektrische installatie een schending van artikel 134.2 van NEN 1010.
6.26
[appellanten] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat de elektrische installatie niet voldeed aan NEN 1010 wederom naar de rapporten van [deskundige 2] en [deskundige 3] . Het hof overweegt dat de daarin vastgestelde schending van NEN 1010, voor zover het de hoofdverdeelinrichting betreft, eruit bestaat dat elektrisch materieel niet is toegepast overeenkomstig de norm van de fabrikant. Dit is echter niet nader gespecificeerd, terwijl [geïntimeerde] heeft betwist dat die norm is geschonden, zodat dit, als onvoldoende toegelicht, niet is komen vast te staan.
6.27
Voor wat betreft de gestelde schending door het niet laten uitvoeren van een NEN 1010 keuring na ingebruikname, overweegt het hof dat niet kan worden gezegd dat daardoor in het algemeen het ontstaan van brand in aanmerkelijke mate wordt vergroot. Als er sprake is van een gebrek in een elektrische installatie kan dat bijgedragen hebben aan – of zelfs de oorzaak zijn van – het ontstaan van brand, maar het niet uitvoeren van een keuring kan dat op zichzelf genomen niet.
6.28
De slotsom van hetgeen in 6.22 – 6.27 is overwogen is dat ook grief 2 niet slaagt.
6.29
[appellanten] heeft aangeboden om zijn stellingen te bewijzen door het horen van de heer [monteur] (de aircomonteur) over de werkzaamheden die hij op de dag van de brand heeft verricht; en [deskundige 1] , [onderzoeker] en [deskundige 2] over hun waarnemingen op de brandlocatie en – ten aanzien van [deskundige 2] eveneens – de sporen die hij heeft aangetroffen in de meterkast. Het hof passeert dit aanbod omdat daarmee onvoldoende duidelijk is gemaakt van welke stellingen die voor de uitkomst van het geding relevant zijn, bewijs wordt aangeboden. In het bijzonder heeft [appellanten] niet gesteld welke relevante sporen [deskundige 2] heeft aangetroffen in de meterkast.
Kosten deskundige
6.3
[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd dat [appellanten] zal worden veroordeeld in de kosten van de door [geïntimeerde] ingeschakelde deskundige BTB . Het hof overweegt dat een tegenvordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 353 lid 1 Rv Pro), zodat de vordering niet kan worden toegewezen.
Conclusie en proceskosten
6.31
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellanten] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.32
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 11.238,- (2 punten × tarief VII)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 12.210,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2023;
  • veroordeelt [appellanten] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 12.210,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellanten] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellanten] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellanten] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. H.J. van Harten en mr. K. Engel en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.