Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1908

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
22-003905-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 240b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoger beroep mensenhandel en kinderporno met hogere straf en schadevergoeding

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag het hoger beroep behandeld tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor mensenhandel en het vervaardigen, verspreiden en bezit van kinderporno. Het hof vernietigt een onderdeel van de bewezenverklaring en past de kwalificatie van de feiten aan, maar bevestigt het vonnis verder met een hogere strafoplegging van 40 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van een minderjarige aangeefster, waarbij hij misbruik maakte van haar kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Daarnaast vervaardigde en verspreidde hij kinderporno van het slachtoffer. Het hof acht het bewezen dat de verdachte medepleger was bij deze feiten en wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding van €10.000 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 februari 2018.

De strafoplegging is verzwaard vanwege de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de duur van de gepleegde feiten. Het hof houdt rekening met een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en matigt de straf met twee maanden. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 40 maanden. Tevens wordt de verdachte verplicht de schadevergoeding aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf en een schadevergoeding van €10.000 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003905-23
Parketnummer: 10-129048-23
Datum uitspraak: 9 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1970,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 januari 2016 tot en met 18 januari 2019 te Vlaardingen en/of `s-Gravenhage en/of te Rijswijk en/of te Delft, althans in Nederland
meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] )
(telkens)
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer]
(artikel 273 f lid 1 sub 2°)
en/of
2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen
(artikel 273 f lid I sub 5°)
en/of
3) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die [slachtoffer] met en/of voor een derde tegen betaling
(artikel 273 f lid 1 sub 8°),
terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, en waarbij “enige handeling(en)” (zoals genoemd onder 2) (onder meer) hebben/heeft bestaan uit:
- het (laten) aanmaken en/of plaatsen en/of onderhouden (waaronder begrepen zogeheten omhoog plaatsen) van advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer] als prostituee werd(en) aangeboden en/of
- het (laten) maken van (naakt)foto’s en/of (naakt)video’s van die [slachtoffer] en/of
- het (laten) maken van foto's voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en/of
- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of
- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [slachtoffer] en/of
- het (laten) vervoeren van die [slachtoffer] naar de (prostitutie)klant(en) en/of
- het geven van uitleg en/of instructie aan die [slachtoffer] met betrekking tot de door die [slachtoffer] te verrichten prostitutiewerkzaamheden en/of
- het bepalen van de aard van de door [slachtoffer] verrichte prostitutiewerkzaamheden;
2.
hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 9 juli 2017 tot en met 28 september 2017 te Vlaardingen en/of `s-Gravenhage en/of Rijswijk en/of Delft, in elk geval in Nederland,
meermalen, althans alleen,
telkens afbeeldingen, te weten foto’s en/of video’s, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,
heeft verspreid, aangeboden, openlijk tentoongesteld, vervaardigd, verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft
welke voornoemde seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit (onder meer):
het met de penis en/of vingers oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had
(bestandsnaam: [bestandsnaam 1] en/of [bestandsnaam 2] en/of [bestandsnaam 3] )
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (bestandsnaam: [bestandsnaam 4] )
het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (bestandsnaam: [bestandsnaam 5] ).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, terwijl het hof voorts de kwalificatie zal aanpassen. Dat laatste onder meer omdat het hof de bewezenverklaring van feit 2 vernietigt voor zover bewezen is verklaard dat de verdachte kinderpornografische afbeeldingen heeft ‘aangeboden‘. Voor wat betreft die onderdelen zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen.
Voor het overige verenigt het hof zich met de beslissingen in het vonnis en ook met de gronden, met dien verstande dat het hof het vonnis vernietigt voor wat betreft de bewijsmiddelenbijlagen (II en III) en in de bewijsoverwegingen de volgende wijzigingen en verbeteringen aanbrengt.
- Het hof vult de bewijsoverwegingen van de rechtbank aan met de navolgende tekst, na de laatste zin van de derde alinea onder het kopje ‘
De gangbangs’ (op p. 3):
Gelet op inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen acht het hof de verklaring van de verdachte, waarmee hij overigens eerst in hoger beroep is gekomen, dat hij niet aangeefster maar alleen [persoon] heeft meegenomen naar de gangbangs waar het in deze zaak over gaat, gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen ongeloofwaardig. Het hof stelt deze verklaring dan ook terzijde.
Die alinea dient overigens gelezen te worden met weglating van de woorden ‘
en hij ontkent aangeefster te hebben betaald voor de twee gangbangs’.
- Het hof vult het onderdeel ‘
Beoordeling artikel 273f lid 1, sub 5 Sr’ (pagina 5 e.v. van het vonnis) aan, met dien verstande dat de laatste zin (‘Hiermee is wettig en overtuigend…)’ wordt vervangen door de navolgende tekst.
Daarbij komt nog dat, naar het oordeel van het hof, sprake is van medeplegen van dit onderdeel van de tenlastelegging met medeverdachte [medeverdachte] . Zoals eerder genoemd vonden de gangbangs plaats in de woning van die [medeverdachte] . Daarbij volgt uit de verklaring van de verdachte dat [medeverdachte] de advertenties voor die gangbangs online plaatste.
Hiermee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het misdrijf van strafbaar gesteld in artikel 273f lid 1 onder sub 5 Sr.
Ten aanzien van de gebezigde bewijsmiddelen merkt het hof op dat het zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan grondt op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden te worden bevestigd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Navolgende kwalificatie vervangt de kwalificatie als vermeld op pagina 9 in het beroepen vonnis van de rechtbank.
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
en
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 2° en 8° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Grotendeels met de rechtbank overweegt het hof met betrekking tot de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan als volgt.
De verdachte heeft zich gedurende acht maanden schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van aangeefster. De verdachte heeft de destijds minderjarige aangeefster in een kwetsbare periode van haar leven de aandacht gegeven waar zij naar verlangde. Zij kregen een seksuele relatie en aangeefster kon via de verdachte haar ambities waarmaken om te werken als geluidstechnicus, door voor hem te komen werken. Ook het grote leeftijdsverschil maakte aangeefster afhankelijk en kwetsbaar ten opzichte van de verdachte.
De door de verdachte overtreden strafbepalingen beogen onder meer minderjarigen te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden geacht, ook als er geen sprake is van dwang of misleiding, op seksueel gebied nog niet volgroeid te zijn en niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. De verdachte heeft gebruikgemaakt van de onzekerheid en kwetsbaarheid van aangeefster om zijn eigen seksuele fantasieën bewaarheid te laten worden. Met zijn handelen heeft hij aangeefster in ernstige mate geschaad in haar lichamelijke en geestelijke integriteit, op een cruciaal moment in haar ontwikkeling tot volwassen vrouw. Dit klemt te meer nu het in deze zaak gaat om een groot aantal mannen die op zijn initiatief, steeds onbeschermd, seks met aangeefster hebben gehad. Aan de mogelijke negatieve gevolgen van zijn handelwijze voor de (seksuele) ontwikkeling van aangeefster op latere leeftijd heeft de verdachte kennelijk geen boodschap gehad. De wijze waarop de verdachte aangeefster als een soort gebruiksvoorwerp lijkt te hebben beschouwd is ronduit stuitend.
Naast mensenhandel heeft de verdachte ook kinderporno van aangeefster vervaardigd, voorhanden gehad en verspreid. Het is algemeen bekend dat kinderen door betrokkenheid bij de op afbeeldingen en video’s voorkomende seksuele gedragen psychische gevolgen kunnen ervaren die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaten. Door de afbeeldingen en video te verspreiden heeft de verdachte bovendien het risico genomen dat deze op het internet terecht zouden kunnen komen. Dit, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat eenmaal online circulerende films en foto’s vrijwel onmogelijk definitief en volledig van het internet zijn te verwijderen, te meer omdat onbekend is in hoeverre deze reeds zijn verspreid en waar deze zich bevinden. Dit brengt met zich dat deze kinderen hier nog lange tijd en ook op volwassen leeftijd nog mee geconfronteerd kunnen worden. Uit de toelichting op de vordering van aangeefster blijkt - terecht - ook de angst dat haar foto’s en video’s op het internet gepubliceerd zijn en gezien worden door familie, vrienden en/of bekenden.
Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij geen daadwerkelijke verantwoordelijkheid heeft genomen voor het schadelijke karakter van zijn handelen en (voortvloeiend uit zijn proceshouding) ook overigens geen schuldbesef heeft getoond. Sterker nog, ter terechtzitting in hoger beroep legt de verdachte ook de schuld bij de destijds 16-jarige aangeefster: als zij hem niet had benaderd, dan zaten de verdachte en zijn gezin nu niet in deze situatie.
De persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Verder heeft Reclassering Nederland twee rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 oktober 2023 en 4 december 2023. Evenals de rechtbank heeft het hof acht geslagen op deze rapporten. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met aangeefster.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte een baan, huisvesting en een gezin heeft. Zijn inkomen is het hoofdinkomen. Ook is hij voogd van zijn verstandelijk beperkte zus. Door en namens de verdachte is naar voren gebracht dat het opleggen van een (langdurige) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een grote impact op het leven van hem en zijn gezin zal hebben.
Tussenconclusie
Alles overwegende acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden gepast en geboden. De door de rechtbank aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde, welke ook tot uitdrukking komt in de daarvoor geldende strafmaxima en in de straffen die in tot op zekere hoogte vergelijkbare zaken worden opgelegd. Bij de ernst van het feiten heeft het hof in het bijzonder oog gehad voor duur van de periode waarin de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel en de omstandigheden waaronder dat feit plaatsvond (het leeftijdsverschil, het aantal mannen waarmee het slachtoffer door toedoen van de verdachte (onbeschermde) seks mee heeft gehad en de wijze waarop de verdachte binnen een afhankelijkheidsrelatie misbruik heeft gemaakt van een (voor hem kenbaar) kwetsbaar slachtoffer). Hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd om tot een milde(re) strafoplegging te komen steekt daar schril bij af en geeft het hof geen aanleiding om tot een andere straf te komen, met uitzondering van de ook door de verdediging gememoreerde lange duur van het strafproces.
Schending redelijke termijn
Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als volgt.
De verdachte is op 20 december 2023 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Op dat moment is de redelijke termijn in hoger beroep aangevangen. Dit arrest wordt gewezen op 9 juni 2026. Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beschouwen termijn van 2 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna 6 maanden. Het hof zal met de geconstateerde overschrijding rekening houden, waarbij ook de duur van de procedure als geheel wordt betrokken. Het hof zal voornoemde gevangenisstraf matigen met twee maanden.
Conclusie
Het hof is - alles afwegende en met inachtneming van de compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn - van oordeel dat (overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal) een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 40 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer]

De vordering
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering nu vrijspraak is bepleit. Subsidiair is de vordering niet door, noch namens, de verdachte betwist. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat de verdachte, in geval van een bewezenverklaring, bereid is de gevorderde schade te vergoeden.
Het oordeel van het hof
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Het hof begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval is gebaseerd op een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgt uit de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, zoals kenbaar gemaakt in de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en zoals is gebleken tijdens de uitoefening van het spreekrecht ter terechtzitting in hoger beroep.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend. Het hof is van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Dat is ook niet betwist. Geheel ten overvloede merkt het hof nog op dat het hof ook acht heeft geslagen op de Rotterdamse Schaal, in het bijzonder op hetgeen daarin is opgenomen over de gevolgen van mensenhandel (hoofdstuk 16) en de gevolgen van het doorsturen en het openbaar maken van expliciet seksueel getint beeldmateriaal (hoofdstuk 15.4) van het slachtoffer en de daarbij genoemde bedragen.
Het voorgaande betekent dat de vordering van de benadeelde partij voor een totaalbedrag van € 10.000,- zal worden toegewezen. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 1 februari 2018 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 240b en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in feit 2 bewezen is verklaard dat de verdachte kinderpornografische afbeeldingen heeft ‘aangeboden‘ en voorts ten aanzien van de kwalificatie van de feiten, de opgelegde straf en voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Spreekt de verdachte in aanvulling op de onderdelen waarvan de rechtbank de verdachte reeds had vrijgesproken ook vrij voor zover onder 2 ten laste is gelegd dat de verdachte kinderpornografische afbeeldingen heeft ‘aangeboden‘.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
40 (veertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 75 (vijfenzeventig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
1 februari 2018.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. M.S. Lamboo, als voorzitter, mr. B.P. de Boer en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.R.J. Heuvelman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2026.
Mr. E.R.J. Heuvelman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.