ECLI:NL:GHDHA:2026:1885

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
200.346.852/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs bezit geleasde auto en onrechtmatige daad

In deze civiele zaak vordert geïntimeerde betaling van leasekosten van een auto die appellant volgens hem onrechtmatig in bezit zou hebben genomen vanaf mei 2019 tot april 2023. De kantonrechter wees de vordering toe, maar appellant ging in hoger beroep.

Het hof oordeelt dat geïntimeerde onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant de auto in de relevante periode in bezit had. Bewijsmiddelen zoals WhatsApp-berichten, verkeersboetes en verklaringen van getuigen zijn onvoldoende concreet, onduidelijk gedateerd of betwist. Appellant heeft gemotiveerd betwist dat hij de auto permanent in bezit had en stelt deze in mei 2019 te hebben teruggegeven.

Gelet op de stelplicht en bewijslast rustend op geïntimeerde, concludeert het hof dat niet is komen vast te staan dat appellant de auto exclusief in bezit had. Daardoor is geen onrechtmatige daad bewezen en is de vordering afgewezen. Het hof vernietigt het vonnis in verzet van de kantonrechter en veroordeelt geïntimeerde in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: De vordering tot betaling van leasekosten wegens onrechtmatige inbezitneming van de auto wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.852/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10945873 RL EXPL 24-4054
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A.C.H. Walkate, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. de Boorder, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde] heeft een auto geleased en daarvoor alle betalingen gedaan. [appellant] reed ook af en toe in de auto. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] de auto op enig moment permanent in bezit genomen. [geïntimeerde] wil daarom dat [appellant] wordt veroordeeld om de leasekosten te betalen. De kantonrechter heeft die vordering toegewezen.
1.2
Anders dan de kantonrechter, wijst het hof de vordering van [geïntimeerde] af. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Uit geen van de door [geïntimeerde] overgelegde stukken volgt dat [appellant] de auto in de gestelde periode in bezit heeft gehad.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 6 augustus 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 16 mei 2024;
  • het arrest van dit hof van 21 januari 2025, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 maart 2025;
  • de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen;
  • de akte uitlaten van [appellant] ;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde] .

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[geïntimeerde] heeft (via zijn onderneming) in april 2018 een overeenkomst van huurkoop gesloten voor een auto. Op grond daarvan moest [geïntimeerde] aan de leasemaatschappij gedurende 60 maanden maandelijks € 539,23 betalen en een slotbetaling doen van € 5.000,-.
3.2
In de periode tot mei 2019 maakte [appellant] af en toe gebruik van de auto, met toestemming van [geïntimeerde] .
3.3
In mei 2019 hebben [geïntimeerde] en [appellant] gesproken over de overname van de leaseovereenkomst door de vriendin van [appellant] . Die overname is niet gerealiseerd.
3.4
Op 17 november 2020 heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd om kenbaar te maken waar de auto zich bevindt en hoe [geïntimeerde] deze weer in bezit kan krijgen.
3.5
Op 17 december 2020 heeft [geïntimeerde] aangifte gedaan tegen [appellant] wegens verduistering van de auto. Het Openbaar Ministerie heeft besloten om [appellant] niet te vervolgen voor dat feit. [geïntimeerde] is een beklagprocedure begonnen tegen deze vervolgingsbeslissing. Bij beschikking van 2 oktober 2023 heeft het gerechtshof Den Haag dat beklag afgewezen.
3.6
[geïntimeerde] heeft alle betalingen onder de leaseovereenkomst verricht. Die overeenkomst is geëindigd per 9 april 2023.
3.7
Op 16 november 2023 heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd om de kosten die zijn verbonden aan de leaseovereenkomst aan [geïntimeerde] te betalen.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 24.412,28, plus de kosten van het geding.
4.2
[geïntimeerde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [appellant] de auto van mei 2019 tot april 2023 in bezit heeft gehad. [geïntimeerde] heeft daardoor schade geleden, omdat hij maandelijkse betalingen heeft verricht aan de leasemaatschappij, terwijl hij geen gebruik kon maken van de auto. [geïntimeerde] begroot zijn schade op 36 maandelijkse betalingen en de slottermijn (36 x € 539,23 + € 5.000,-).
4.3
De kantonrechter heeft de vordering toegewezen bij verstekvonnis van 19 december 2023 en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. [appellant] is in verzet gekomen tegen dat vonnis. De kantonrechter heeft het verzet bij vonnis van 16 mei 2024 ongegrond verklaard, het verstekvonnis bekrachtigd en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat [appellant] de auto in mei 2019 in bezit heeft genomen, omdat [appellant] dat onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Omdat alleen [geïntimeerde] op grond van de leaseovereenkomst tot de auto gerechtigd was, heeft [appellant] inbreuk gemaakt op de rechten van [geïntimeerde] uit hoofde van de leaseovereenkomst. [appellant] heeft daarom onrechtmatig jegens [geïntimeerde] gehandeld. Omdat [geïntimeerde] de kosten voor de auto heeft voldaan, maar niet het genot daarvan had, heeft [geïntimeerde] schade geleden. [appellant] moet die schade vergoeden.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis in verzet van de kantonrechter vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.
5.2
Kort gezegd zien de bezwaren van [appellant] op het volgende. [geïntimeerde] heeft de stelplicht en bewijslast van de feiten die hij aan zijn vordering ten grondslag legt (grief 1). [appellant] heeft die feiten betwist. Hij ging met toestemming van [geïntimeerde] met de auto naar de dealer voor een keuring. Uit die keuring bleek dat de auto problemen had met de stuurkolom. Daarom wilde hij de auto niet overnemen en gaf hij de auto aan [geïntimeerde] terug. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [appellant] kon de kantonrechter niet als vaststaand aannemen dat [appellant] de auto vanaf mei 2019 permanent in bezit heeft genomen (grieven 2 en 4). Met de overweging dat [appellant] slechts ter zitting heeft aangevoerd dat hij de auto heeft teruggegeven, miskent de kantonrechter bovendien dat [appellant] dit ook in de verzetdagvaarding heeft gezegd (grief 3). Ook heeft de kantonrechter ten onrechte een eventuele verzekeringsuitkering die [geïntimeerde] heeft ontvangen door diefstal van de auto, niet op de schade in mindering gebracht (grief 5). Tot slot is de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij gegaan dat [appellant] de schade van [geïntimeerde] heeft betwist, en dat het aan [geïntimeerde] is om de hoogte van de schade te onderbouwen (grief 6).
5.3
[geïntimeerde] concludeert tot afwijzing van het hoger beroep van [appellant] en bekrachtiging van het oordeel van de kantonrechter. Volgens [geïntimeerde] wilde [appellant] de auto kopen of het leasecontract laten overgaan op zijn vriendin, maar werkte [appellant] uiteindelijk niet mee aan die overname. [geïntimeerde] kreeg van [appellant] alleen de sleutel van de auto terug, maar niet de auto zelf.

6.Beoordeling in hoger beroep

Heeft [appellant] de auto in bezit gehad?

6.1
[geïntimeerde] stelt dat [appellant] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de auto vanaf mei 2019 tot en met april 2023 exclusief in bezit te nemen en te houden. [appellant] heeft dat (onder overlegging van twee schriftelijke verklaringen van [naam 1] en [naam 2] ) gemotiveerd betwist en zegt dat hij de auto in mei 2019 heeft teruggegeven.
6.2
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op [geïntimeerde] de stelplicht en bewijslast van de feiten die hij aan zijn vordering ten grondslag legt. Het is dus in de eerste plaats aan [geïntimeerde] om zijn vordering voldoende te onderbouwen. Dit betekent concreet dat [geïntimeerde] moet onderbouwen dat [appellant] de auto vanaf mei 2019 tot en met april 2023 in bezit heeft gehad. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in die onderbouwing niet is geslaagd, omdat uit geen van de door [geïntimeerde] overgelegde stukken volgt dat [appellant] de auto in bezit heeft genomen en gehouden in de gestelde periode. Het hof licht dit als volgt toe.
6.3
[geïntimeerde] heeft in de eerste plaats gewezen op WhatsApp-correspondentie tussen partijen. [geïntimeerde] zegt dat [appellant] in een van deze berichten bevestigt dat hij de gebruiker is van de auto. [appellant] heeft echter betwist dat hij dit bericht heeft verzonden, en uit het bericht is niet af te leiden dat [appellant] de afzender is (het bericht vermeldt als afzender alleen “D”). Het bericht is bovendien ongedateerd, en zou dus ook betrekking kunnen hebben op de periode vóór mei 2019, waarin [appellant] met toestemming van [geïntimeerde] af en toe in de auto reed. Ook de andere door [geïntimeerde] overgelegde WhatsApp-gesprekken bieden geen steun aan zijn standpunt. [appellant] heeft zijn deelname aan deze gesprekken en de inhoud daarvan betwist, terwijl [geïntimeerde] die inhoud verder niet heeft toegelicht. Bovendien vonden deze gesprekken (kennelijk) plaats in het Turks, en heeft [geïntimeerde] geen Nederlandse vertaling van de gesprekken overgelegd, terwijl dit wel op zijn weg lag.
6.4
Ook uit de andere door [geïntimeerde] overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat [appellant] de auto in mei 2019 in bezit nam en heeft gehouden. De door [geïntimeerde] overgelegde verkeersboetes dateren van vóór mei 2019. [appellant] heeft bovendien terecht opgemerkt dat uit die verkeersboetes niet is af te leiden wie de auto bestuurde. [geïntimeerde] heeft ook twee schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van personen die (volgens hem) aanwezig waren bij een gesprek met [appellant] over de auto. [appellant] betwist dat dit gesprek heeft plaatsgevonden. Uit de verklaringen, gedateerd op 8 oktober 2021, wordt niet duidelijk wanneer dit gesprek plaatsvond en evenmin wat de getuigen zelf hebben waargenomen over het toe-eigenen van de auto door [appellant] . [appellant] heeft bovendien terecht opgemerkt dat de twee verklaringen woordelijk identiek zijn en lijken te zijn opgesteld vanuit het perspectief van [geïntimeerde] zelf. Zo vermelden beide verklaringen: “
Bij deze verklaar ikals [geïntimeerde]” en “
Dit omdat er een boetethuis is gekomen bij mij” (Productie 7 bij inleidende dagvaarding, onderstreping hof). [geïntimeerde] heeft deze verklaringen en de totstandkoming daarvan verder niet toegelicht en het hof zal daaraan gelet op het voorgaande geen waarde hechten. [geïntimeerde] heeft tot slot een concept contractovername overgelegd. Dit stuk bevestigt weliswaar dat partijen hebben gesproken over overname van de auto door [appellant] (wat niet in geschil is), maar niet dat [appellant] de auto in de door [geïntimeerde] gestelde periode in bezit heeft genomen.
6.5
Uit de door [geïntimeerde] overgelegde stukken volgt wel dat hij op meerdere momenten [appellant] heeft aangesproken om opheldering te geven over de (locatie van de) auto. Zo heeft hij [appellant] in november 2020 gesommeerd om te vertellen waar de auto is en in december 2020 aangifte tegen [appellant] gedaan wegens verduistering van de auto. Het feit dat [geïntimeerde] herhaaldelijk heeft
gestelddat [appellant] zijn auto heeft weggenomen, is op zichzelf echter onvoldoende om te onderbouwen dat [appellant] de auto van mei 2019 tot en met april 2023 in bezit heeft gehad, nu [appellant] die stelling (ook herhaaldelijk) heeft weersproken en [geïntimeerde] heeft erkend dat hij in elk geval op enig moment een autosleutel heeft teruggekregen.
6.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] tegenover de gemotiveerde betwisting van [appellant] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof komt daarom, anders dan de kantonrechter, tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [appellant] de auto van [geïntimeerde] in de periode mei 2019 tot en met april 2023 exclusief in bezit heeft gehad. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Om dezelfde reden kan niet worden vastgesteld dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt. De vordering van [geïntimeerde] is daarom niet toewijsbaar. Omdat de vordering van [geïntimeerde] wordt afgewezen, hoeven de overige standpunten van partijen niet te worden besproken.
Bewijsaanbod
6.7
Omdat [geïntimeerde] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, wordt niet toegekomen aan bewijslevering. [geïntimeerde] heeft overigens ook geen voldoende specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod gedaan. [geïntimeerde] heeft (in de antwoordakte van 29 juli 2025, punt 14) aangeboden om hemzelf en zijn advocaat als getuige te horen omdat zij kunnen verklaren dat [appellant] van standpunt is veranderd (het hof begrijpt: over het al dan niet teruggeven van de auto). Ook als dat feit wordt bewezen, kan dat niet leiden tot een andere uitkomst van de zaak. Het algemene bewijsaanbod in punt 11 van de memorie van antwoord is te onbepaald en voldoet dus niet aan de eisen die daaraan in hoger beroep mogen worden gesteld.
Conclusie en proceskosten
6.8
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] slaagt. Daarom zal het hof het vonnis in verzet vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzet van [appellant] gegrond verklaren en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
6.9
Het hof begroot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [appellant] op:
dagvaarding € 136,72
griffierecht € 346,-
salaris advocaat € 4.175,- (2,5 punten × tarief III)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.846,72,-
6.1
Het hof begroot de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] op:
dagvaarding € 136,73
griffierecht € 349,-
salaris advocaat € 1.086,-Totaal € 1.571,73,-

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis in verzet van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 16 mei 2024;
en opnieuw rechtdoende:
  • verklaart het verzet tegen het verstekvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 19 december 2023 gegrond;
  • wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 6.418,45;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. T. Heikens, mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en mr. M.P.J. Ruijpers en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.