Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1877

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
200.357.650/01 en 200.357.650/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArtikel 31 lid 1 en 2 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voorlopige zorgregeling wegens verblijf vader in buitenland

Partijen zijn ouders van een minderjarige en oefenden gezamenlijk het gezag uit. De rechtbank had een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige om het weekend en tijdens vakanties bij de vader zou verblijven. De moeder kwam in hoger beroep tegen deze regeling en verzocht om schorsing van de zorgregeling vanwege zorgen over veiligheid en de feitelijke uitvoerbaarheid.

Het hof constateert dat de vader in het buitenland verblijft en de zorgregeling daardoor feitelijk niet uitvoerbaar is. De vader is werkzaam als gymleraar in het buitenland en deelt zijn verblijfplaats niet. De moeder vordert dat omgang pas plaatsvindt na een risicotaxatie naar huiselijk geweld, maar het hof ziet op dit moment geen aanleiding voor een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming.

Het hof vernietigt de voorlopige zorgregeling en schorst deze totdat de rechtbank een definitieve zorgregeling vaststelt. Het verzoek van de vader om een dwangsom op te leggen wordt afgewezen omdat er geen zorgregeling geldt. De hulpverleningstrajecten zijn nog niet gestart, en het hof benadrukt het belang van medewerking van beide ouders in het belang van het kind.

Uitkomst: De voorlopige zorgregeling wordt geschorst vanwege het verblijf van de vader in het buitenland en de regeling is feitelijk niet uitvoerbaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.357.650/01 en 200.357.650/02
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-8540
zaaknummer rechtbank : C/09/676401
beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N.D. Groenewoud te Nieuw-Vennep (gemeente Haarlemmermeer),
tegen
[de vader] ,
ingeschreven te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. G.B. van de Bunt te Den Haag.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
locatie: [vestigingslocatie]
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2025 uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 31 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is ingeschreven onder zaaknummer 200.357.650/01 (hierna: de hoofdzaak).
De moeder heeft tevens een incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking ingediend (hierna: het incident). Dit incident is ingeschreven bij het hof onder zaaknummer 200.357.650/02.
2.2
De vader heeft op 22 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 13 november 2025 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 8 augustus 2025 met bijlagen, ingekomen op 11 augustus 2025;
- een brief van de zijde van de moeder van 12 augustus 2025 met als bijlage een USB-stick, ingekomen op 12 augustus 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 4 december 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader van 16 februari 2026, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 17 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een mailbericht van de zijde van de moeder van 19 februari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een emailbericht van de zijde van de vader van 19 februari 2026, ingekomen op dezelfde datum.
2.5
De raad heeft bij brief van 13 november 2025 bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de advocaat van de vader;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De vader heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. De vader is daarbij tevens via een telefonische verbinding bijgestaan door een tolk in de [taal] taal, [tolk] .

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn op [datum] te [plaats] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Dit geregistreerd partnerschap is op [datum] ontbonden.
3.3
Partijen zijn de ouders van de, op dit moment nog minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
3.4
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.5
Bij beschikking van 11 juli 2024 van de rechtbank Den Haag is, voor zover hier van belang:
- bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben in (de omgeving van) [plaats] ;
- vervangende toestemming verleend aan de moeder om [minderjarige] te plaatsen c.q. in te schrijven op basisschool [basisschool] in [plaats] ;
- bepaald dat [minderjarige] om het weekend van vrijdag 18.00 uur tot en met zondag 17.00 uur bij de vader zal verblijven, en
- vanaf 1 september 2024, de helft van de schoolvakanties en de Nederlandse feestdagen bij de vader zal verblijven, in onderling overleg tussen de ouders nader af te spreken;
- het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag afgewezen.
3.6
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 is bepaald dat [minderjarige]
voorlopigbij de vader zal zijn:
- in de maanden maart en april 2025 elke zaterdag van 13.00 uur tot 15.00 uur, of een ander tijdstip in onderling overleg overeen te komen, bij [speeltuin] in [plaats] ;
- vanaf de maand mei 2025 elke zondag van 13.00 uur tot 15.00 uur, of op een ander tijdstip in onderling overleg overeen te komen, bij [speeltuin] in [plaats] ;
waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt, en verder zoals in het lichaam van de beschikking omschreven.
Verder is aan de moeder voorwaardelijk toestemming verleend om [minderjarige] te laten onderzoeken door het Landelijk Psychotraumacentrum ( [ziekenhuis] , locatie [locatie] ), zoals in de doorverwijzing van de huisarts omschreven.
Ouders zijn door de rechtbank Den Haag doorverwezen naar [Jeugdteams] voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie. Iedere beslissing ten aanzien van de zorgregeling is aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijdstip.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover in deze procedure van belang - met wijziging in zoverre van de beschikking van 18 februari 2025 - bepaald dat [minderjarige]
voorlopigbij de vader zal zijn:
- elke zaterdag van 13.00 uur tot 15.00 uur, of een ander tijdstip in onderling overleg overeen te komen, bij [speeltuin] in [plaats] ;
waarbij de moeder [minderjarige] haalt en brengt, en verder zoals in het lichaam van de beschikking omschreven.
Ouders zijn verder (wederom) verwezen naar [Jeugdteams] voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.
Iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling is aangehouden tot 1 september 2025 pro-forma.
4.2
De moeder is het met deze beslissing niet eens voor zover die ziet op de vaststelling van de voorlopige zorgregeling. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen op dit punt en primair de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling (elke zaterdag 13.00-15.00 uur in [speeltuin] te [plaats] ) alsnog af te wijzen dan wel te schorsen, in die zin dat er vooralsnog geen omgang tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt totdat onafhankelijke risicotaxatie naar huiselijk geweld/dwingende controle is verricht en de resultaten daarvan bekend zijn. Dit conform artikel 31 lid 1 en Pro 2 Verdrag van Istanbul, opdat eerst zekerheid wordt verkregen dat omgang geen onaanvaardbaar risico inhoudt voor [minderjarige] en/of moeder.
Subsidiair verzoekt de moeder, in het geval het hof van oordeel is dat enige omgang moet plaatsvinden, de omgang uitsluitend onder begeleiding en onder strikte voorwaarden te laten geschieden, bijvoorbeeld in een omgangshuis of in aanwezigheid van een professionele begeleider. En verder verzoekt de moeder het hof te bepalen (of te bekrachtigen) dat de raad voorafgaand aan verdere omgang een raadsonderzoek specifiek naar partnergeweld uitvoert.
4.3
Het verweer van de vader strekt in zowel het schorsingsverzoek als de hoofdzaak tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder dan wel het hoger beroep af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader de moeder een dwangsom op te leggen van € 1.500,- per keer dat zij de zorgregeling niet nakomt.
4.4
Het verweer van de moeder in incidenteel hoger beroep strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vader dan wel tot afwijzing van het hoger beroep.

5.De motivering van de beslissing

Verzoek in incident
5.1
Het hof is van oordeel dat de moeder bij haar incidentele verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking geen belang meer heeft, aangezien het hof in deze beschikking in de hoofdzaak beslist over het hoger beroep van de moeder. Gelet hierop zal het hof het incidentele verzoek afwijzen.
Voorlopige zorgregeling
Standpunten van betrokkenen
5.2
De rechtbank heeft, in afwachting van de uitkomsten van de op te starten trajecten omgangsbegeleiding respectievelijk ouderschapsbemiddeling/parallel solo ouderschap, een voorlopige zorgregeling bepaald tussen [minderjarige] en de vader. Deze zorgregeling houdt in dat de vader [minderjarige] elke zaterdag gedurende twee uren ziet bij een speeltuin in [plaats] . De rechtbank heeft daarbij overwogen dat, nu beide ouders zich niet (geheel) aan een eerder vastgestelde regeling hielden, het van belang is dat zij deze regeling ditmaal wel zullen nakomen.
De moeder is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling. Zij stelt zich op het standpunt dat de rechtbank bij de door haar te maken belangenafweging de inhoud van een rapport van een door de moeder geraadpleegde deskundige had moeten betrekken. Uit dit rapport volgt dat er in de relatie van partijen sprake was van intieme terreur. De rechtbank heeft daarnaast nagelaten te onderzoeken of de omgang veilig is voor zowel [minderjarige] als de moeder en heeft miskend dat het belang van [minderjarige] ondergeschikt wordt gemaakt aan de medewerkingsplicht van de moeder. De speeltuin in [plaats] waar de omgang plaats zou moeten vinden, is voorts niet geschikt nu deze locatie niet open is op zaterdag en de regeling daarmee praktisch niet uitvoerbaar is. Tot slot voert de moeder nog aan dat zij zich, in tegenstelling tot de vader, altijd bereidwillig heeft opgesteld en dat de rechtbank de ouders ten onrechte gelijkelijk heeft aangesproken op het niet nakomen van de eerder vastgestelde zorgregeling.
De vader voert gemotiveerd verweer tegen de stellingen van de moeder in principaal hoger beroep. Hij voert in incidenteel hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet aan de zorgregeling hield door met [minderjarige] iets te eten in zijn auto. Hij verzoekt het hof een dwangsom op te leggen nu volgens hem de moeder een vakantie van de vader als reden opgaf om de zorgregeling stop te zetten.
De raad heeft ter zitting – net als in eerste aanleg – aangegeven dat de beide trajecten ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding moeten plaatsvinden. Als de vader dat niet wil of kan, dan ziet de raad geen mogelijkheid om contact tussen vader en [minderjarige] te laten plaatsvinden. Het is voor [minderjarige] geen haalbare situatie als er alleen contact is als de vader in Nederland is. Ook voor [specialistische jeugdhulporganisatie] is het belangrijk dat de vader in Nederland is. Zolang de vader er niet is, heeft de raad geen fiducie in contact tussen vader en zoon.
Juridisch kader
5.3
Op grond van artikel 1:253a, tweede lid aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover hier van belang, een toedeling omvatten aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.
Oordeel van het hof
5.4
Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat er tussen de ouders sprake is van een groot wantrouwen jegens elkaar. De moeder stelt dat er in hun relatie sprake is geweest van intieme terreur en mishandeling, waardoor zij geen vertrouwen heeft in de vader. De vader voert aan dat de moeder hem ten onrechte beschuldigt van intieme terreur en mishandeling en dat zij [minderjarige] ten onrechte bij hem weghoudt door de zorgregeling die was vastgesteld niet (meer) na te komen.
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat een minderjarige onbelast contact heeft met beide ouders. Een goede uitvoering hiervan is een gedeelde verantwoordelijkheid van beide ouders. Het is in het belang van de minderjarige dat een contactregeling structureel en ook haalbaar is, teneinde teleurstellingen bij de minderjarige te voorkomen. Ter zitting is het hof duidelijk geworden dat de vader op dit moment niet woonachtig is in Nederland en hij buiten Nederland werkzaam is als gymleraar op een school. Zijn exacte verblijfplaats heeft de vader niet willen delen. De door de rechtbank vastgestelde regeling, waarbij [minderjarige] eens per week zijn vader ziet, is in ieder geval, door het verblijf van de vader in het buitenland, feitelijk niet uitvoerbaar. De omstandigheid dat de vader aangeeft in zijn vakanties naar Nederland te komen en tijdens die vakanties [minderjarige] te willen zien, maakt dit niet anders. Evenals de raad acht het hof het niet in het belang van [minderjarige] dat hij telkens in onzekerheid verkeert over de vraag of en wanneer de vader vakantie heeft en op welk moment zijn vader in Nederland zal zijn zodat hij zijn vader weer kan zien. Gelet op deze feitelijke onmogelijkheid tot nakoming van de vastgestelde voorlopige regeling zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en het verzoek van de moeder in zoverre toewijzen dat het hof geen zorgregeling zal vaststellen totdat de rechtbank heeft beslist over een definitieve zorgregeling.
Vanwege wachtlijsten zijn de trajecten waarnaar de rechtbank de ouders eerder had doorverwezen, ouderschapsbemiddeling/parallel solo ouderschap en omgangsbegeleiding nog niet gestart. Het hof benadrukt dat het van belang is, ook voor [minderjarige] dat de vader zich beschikbaar houdt voor en zijn volledige medewerking verleent aan deze trajecten. Het hof geeft partijen mee dat het hen vrij staat om, in het belang van [minderjarige] , onder begeleiding van de aangezochte hulpverleningsinstanties te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan om het contact tussen de vader en [minderjarige] in de perioden waarin de vader in Nederland verblijft, kan worden vormgegeven. Gelet op deze stand van zaken, waarin de hulpverleningstrajecten nog moeten starten, acht het hof een door de raad uit te voeren onderzoek op dit moment niet opportuun. Het hof zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen.
Dwangsom
5.5
Nu het hof geen contactregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststelt totdat de rechtbank een beslissing heeft genomen over een definitieve zorgregeling, wijst het hof het verzoek van de vader tot het verbinden van een dwangsom aan de zorgregeling, af.

6.De beslissing

Het hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover die ziet op de voorlopige zorgregeling en, in zoverre opnieuw beschikkende – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2025 –:
schorst de bepaalde voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] totdat de rechtbank een beslissing heeft genomen over een definitieve zorgregeling;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, A.A.F. Donders en A.J.I. Mullenders, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier en is op 15 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.