ECLI:NL:GHDHA:2026:187

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
200.348.894/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:51 BWArt. 4:97 BWArt. 4:119 BWArt. 4:144 BWArt. 4:117 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling nalatenschap en verblijvingsbeding bij huwelijksvoorwaarden en Frans testament

Deze zaak betreft een geschil over de nalatenschap van een erflaatster, waarbij de kernvraag is of de in Frankrijk gelegen bezittingen, waaronder een woning, tot de nalatenschap behoren of door het verblijvingsbeding in de huwelijkse voorwaarden aan de langstlevende echtgenoot zijn verbleven.

De erflaatster en haar echtgenoot waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een verblijvingsbeding dat bepaalde dat bij overlijden de gemeenschappelijke goederen automatisch aan de langstlevende toekomen. Daarnaast had de erflaatster een Franse akte van schenking tussen echtgenoten opgesteld, waarin zij het vruchtgebruik van haar nalatenschap aan haar echtgenoot schonk, en een handgeschreven codicil dat zij niet had ondertekend.

Het hof oordeelt dat de Franse akte geen wijziging van de huwelijkse voorwaarden vormt omdat daaraan niet de vereiste notariële formaliteiten zijn verbonden en dat het verblijvingsbeding in de huwelijkse voorwaarden van toepassing blijft. Hierdoor behoren de Franse bezittingen niet tot de nalatenschap en kan het testament en codicil daarover niet worden toegepast. Het codicil is bovendien nietig wegens het ontbreken van een handtekening.

Verder wordt geoordeeld dat de informatieplicht van de langstlevende als bezwaarde erfgenaam voldoende is nagekomen en dat de vorderingen tot aanvullende informatie en dwangsommen worden afgewezen. Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden vonnis bekrachtigd, waarbij de appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het bestreden vonnis dat de Franse bezittingen aan de langstlevende echtgenoot zijn verbleven en niet tot de nalatenschap behoren.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.348.894/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/660882 / HA ZA 24-114
Arrest van 17 februari 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. S.J. Dijkstra, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen:
[geïntimeerde], voor zich als erfgenaam en in zijn hoedanig van executeur en vereffenaar in de nalatenschap van hierna te noemen erflaatster.
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.W.J. van Dijke, kantoorhoudend in Middelburg.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Zwitserland) en overleden op [overlijdensdatum] te [plaats 1] , ook te noemen: erflaatster.
1.2
[appellant] is een neef van erflaatster. [geïntimeerde] is de weduwnaar van erflaatster. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] bestaat een geschil over de inhoud en uitvoering van het na te melden testament van erflaatster met de twee daaraan gehechte documenten. [appellant] is van mening dat het testament met bijlagen zo moet worden uitgelegd dat erflaatster daarin het blooteigendom van haar in Frankrijk gelegen bezittingen, waaronder in ieder geval haar aandeel in de woning in [plaats in Frankrijk] (hierna ook: de woning of de woning in Frankrijk), aan hem heeft gelegateerd en dat hij uit dien hoofde jegens [geïntimeerde] aanspraak kan maken op afgifte dan wel waardevergoeding ex artikel 4:51 BW Pro van dit legaat. Volgens [geïntimeerde] kan [appellant] wat voormelde woning betreft geen rechten ontlenen aan erflaatsters testament met bijlagen, zodat afgifte of waardevergoeding niet aan de orde kan zijn.
1.3
Tevens is in geschil de door [geïntimeerde] als bezwaarde erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster aan [appellant] als verwachter van het bezwaarde vermogen te verschaffen financiële informatie over het verloop van dat bezwaarde vermogen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 3 oktober 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 19 juli 2024 van de rechtbank Den Haag, hierna ook: het bestreden vonnis;
  • de memorie van grieven en vermeerdering van eis van [appellant] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen;
  • de bijlagen 46 en 47 die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd;
  • de bijlage 4 die [geïntimeerde] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 18 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. De voormelde bijlagen 46 en 47 zijdens [appellant] en bijlage 4 zijdens [geïntimeerde] zijn als akte genomen.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Erflaatster en [geïntimeerde] zijn op [huwelijksdatum] 2008 te [plaats 2] (Frankrijk) gehuwd. In de op [datum 1] voor [notaris 1] , notaris te Amsterdam verleden akte van huwelijksvoorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] is bepaald dat de Nederlandse wet de huwelijksgoederenrechtelijke betrekkingen tussen de echtgenoten gedurende het huwelijk alsmede de regels gericht op de huwelijksgoederenrechtelijke gevolgen van ontbinding door echtscheiding van het huwelijk en de scheiding van tafel en bed regeert.
3.2
In voormelde akte is voorts een gemeenschap van inboedel en registergoed opgenomen. Op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de akte bevat die beperkte huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap i) de inboedel van de gemeenschappelijk bewoonde huizen (met enkele in de akte omschreven uitzonderingen), ii) auto’s en andere vervoermiddelen, alsmede iii) de woning in [plaats in Frankrijk] (Frankrijk) .
3.3
Volgens artikel 3 lid 5 van Pro de huwelijksvoorwaarden verblijven bij de ontbinding van de bedoelde gemeenschap door het overlijden van een van de echtgenoten, de tot die gemeenschap behorende goederen van rechtswege in eigendom van de langstlevende onder de last van de daartegenover staande schulden voor zijn rekening te nemen en zonder dat de langstlevende ter zake tot enige vergoeding aan de erfgenamen van de overledene gehouden zal zijn.
3.4
In de op [datum 2] in Frankrijk notarieel opgemaakte akte van ‘Donation entre époux’ (schenking tussen echtgenoten, hierna ook: de Franse akte) heeft erflaatster het vruchtgebruik van alle roerende en onroerende zaken die deel zullen uitmaken van de nalatenschap, zonder uitzondering of voorbehoud, teneinde hiervan tijdens zijn leven vanaf de dag van overlijden van de erflaatster het genot te hebben, geschonken aan [geïntimeerde] . De akte is vervolgens ingeschreven in het ‘Fichier des Dispositions de Derrières Volontés (Frans centraal testamentenregister).
3.5
Voorts is door erflaatster een handgeschreven stuk opgemaakt - het Franse codicil -gedateerd [datum 3] (hierna ook: het codicil) Dit betreft een door erflaatster in de Franse taal opgesteld, handgeschreven maar niet ondertekend stuk beginnend met de woorden: ‘Ceci est mon testament,’ (Dit is mijn testament,) en waarin, samengevat, is vermeld dat:
- erflaatster de schenking tussen echtgenoten die zij aan [geïntimeerde] heeft gedaan, zijnde het vruchtgebruik van al haar roerende en onroerende zaken in Frankrijk, wil handhaven;
- erflaatster [appellant] aanwijst als universeel legataris van al haar roerende en onroerende zaken die zij bij haar overlijden in Frankrijk zal bezitten;
- indien haar echtgenoot [geïntimeerde] op de dag van haar overlijden nog steeds in leven is, [appellant] slechts de blote eigendom van haar roerende en onroerende zaken zal verwerven en op de dag van overlijden van [geïntimeerde] het vruchtgebruik hiervan zal verkrijgen.
Voormeld codicil is ingeschreven in het Frans centraal testamentenregister.
3.6
Erflaatster heeft bij aanvullend testament op [datum 4] verleden voor [waarnemend notaris voor notaris 2] als waarnemer van [notaris 2] , notaris te Den Haag (hierna: het testament) over haar nalatenschap beschikt.
3.7
In het testament is onder A een preambule opgenomen. Deze luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
"
1. Ik bezit momenteel vermogen in Frankrijk. Ik heb bij testament op [datum 2] verleden voor [Franse notaris] (Frankrijk), en bij codicil de dato [datum 3] over mijn in Frankrijk gelegen vermogensbestanddelen beschikt. Kopieën van dit testament en dit codicil worden aan deze akte gehecht. Ik verklaar dat deze beschikkingen nog aan mijn wensen voldoen. Ik laat deze uiterste wilsbeschikkingen derhalve welbewust in stand. Ik ben mij ervan bewust dat mijn Nederlandse notaris de geldigheid en/of de uitwerking van voormelde Franse uiterste wilsbeschikkingen niet kan beoordelen. Ik ben voornemens hierover advies in te winnen in Frankrijk en zonodig mijn uiterste wilsbeschikkingen aan te vullen. "
(...)
3.8
In het testament is onder B bepaald:

B. AANVULLING / HERROEPING
Onder volledige instandhouding van mijn voormelde Franse uiterste wilsbeschikkingen de dato [datum 2] en [datum 3] , doch onder herroeping van alle overige door mij gemaakte uiterste wilsbeschikkingen, waaronder begrepen codicillen, beschik ik als volgt."
3.9
Verder heeft erflaatster in haar testament onder C bepaald dat op haar erfopvolging Nederlands (erf)recht van toepassing is en dat met erfopvolging in ieder geval wordt gedoeld op de onderdelen die genoemd zijn in artikel 23 Europese Pro Erfrechtverordening, waaronder ook begrepen de vereffening, verdeling, executele en testamentair bewind.
3.1
Onder D van het testament heeft erflaatster haar echtgenoot [geïntimeerde] tot haar enig erfgenaam benoemd.
3.11
Onder E van het testament is een tweetrapsmaking opgenomen, waarbij [geïntimeerde] onder de in het testament beschreven ontbindende voorwaarden is benoemd tot bezwaarde en - voor zover hier van belang - [appellant] is benoemd tot erfgenaam onder de bij de ontbindende voorwaarden aansluitende opschortende voorwaarden (ofwel tot verwachter) voor 30% van de nalatenschap van erflaatster. Naast [appellant] zijn nog zes andere verwachters benoemd voor de resterende 70% van de nalatenschap.
3.12
In het testament is onder meer bepaald dat [geïntimeerde] als bezwaarde alle bevoegdheden toekomen die de wet toestaat te verlenen, onder meer de bevoegd tot intering van de aan de tweetrapsmaking onderworpen goederen.
3.13
Voorts is in het testament een verplichting opgenomen voor [geïntimeerde] tot het doen aan de verwachters van een jaarlijkse opgave van de goederen die niet meer aanwezig zijn, de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn. Ook is een jaarlijkse toonplicht opgenomen. Deze jaarlijkse opgave en jaarlijkse toonplicht gelden slechts indien de wet dit dwingendrechtelijk voorschrijft.
3.14
[geïntimeerde] heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard. Daarnaast heeft hij zijn benoeming in het testament tot executeur aanvaard. De verwachters, waaronder [appellant] , hebben de nalatenschap van erflaatster allen beneficiair aanvaard.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht te verklaren dat aan [appellant] een legaat is vermaakt van het bloot eigendom van alle roerende en onroerende goederen van erflaatster die zij bij haar overlijden in Frankrijk bezat, waaraan het vruchtgebruik wordt toegevoegd op de dag van het overlijden van [geïntimeerde] ;
2. voor recht te verklaren dat vanwege de uitvoering van het verblijvingsbeding [appellant] aanspraak kan maken op een waardevergoeding van het legaat ex artikel 4:51 BW Pro;
3 ter vaststelling van de waardevergoeding een deskundige te benoemen voor de waardering van het onroerend goed te Frankrijk, zijnde de woning te [plaats in Frankrijk] [adres 2] , zijnde een taxateur die de kwalificatie “Expert Immobiler” heeft die als Recognised European Valuer (REV) is aangesloten bij Le Syndicat Francais de l’immobilier (SNPI) en zich heeft geconformeerd aan “Charte de l’expertise en évaluation Immobilière". [appellant] verzoekt de rechtbank alsdan te vragen om een rapport d'expertise volgens Europese richtlijnen op te stellen, dat internationaal erkend wordt;
4. de hoogte van de waardevergoeding vast te stellen;
5. [geïntimeerde] te veroordelen de waardevergoeding binnen zeven dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art 6:119 BW Pro vanaf [overlijdensdatum] , althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen aan [appellant] middels overboeking van dit bedrag op zijn bankrekening, zijnde [rekeningnummer] ;
6 [geïntimeerde] te veroordelen jaarlijks, voor het eerst binnen twee maanden na het wijzen van het door te wijzen vonnis, aan [appellant] ten aanzien van het bezwaarde vermogen een ondertekende nauwkeurige opgave te zenden van de goederen die niet meer aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn, alsmede deze jaarlijks aan hem te tonen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagden in gebreke blijft daaraan te voldoen, met een maximum van € 10.000,-, althans een bedrag aan dwangsom en met een maximum als door uw rechtbank in goede justitie te bepalen;
7 [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en eveneens vermeerderd met nakosten voor een bedrag van € 131,- dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,-.
4.2
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis:
- [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om jaarlijks, voor het eerst binnen twee maanden na het bestreden vonnis, aan [appellant] ten aanzien van het bezwaarde vermogen te zenden een ondertekende nauwkeurige opgave van de goederen die niet meer aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de goederen hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn, alsmede deze jaarlijks aan hem te tonen;
- de overige vorderingen van [appellant] afgewezen.
De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellant] vordert - met wijziging van eis - dat het hof het moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende het door [appellant] gevorderde alsnog toe te wijzen; en voorts:
A. voor recht te verklaren dat door erflaatster aan [appellant] een legaat is vermaakt van de bloot eigendom van de Franse bezittingen van erflaatster en primair [geïntimeerde] te veroordelen tot afgifte daarvan, subsidiair om [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] de waarde daarvan te vergoeden op grond van artikel 4:51 BW Pro c.q. artikel 4:51 BW Pro analoog;
B. voor recht te verklaren dat uit het Franse kadaster (Productie 42) blijkt dat erflaatster voor 2/3 heeft bijgedragen aan het onroerend goed in Frankrijk en [geïntimeerde] slechts voor 1/3 en derhalve in geval van waardevergoeding [geïntimeerde] primair te veroordelen tot vergoeding op basis van A van de waarde van dit goed;
C. ter vaststelling van die waarde een in Frankrijk erkende ‘Expert Judiciaire' tot taxateur te benoemen, die het onroerend goed in [plaats in Frankrijk] binnen voorzienbare tijd, taxeert naar de waarde in het economisch verkeer;
D. dat uitgegaan wordt van de getaxeerde waarde door de ‘Expert Judiciaire’ met als minimale waarde, de waarde genoemd in de akte Attestation Immobilière Après Décès (Productie 38 pagina 5);
E. indien taxatie door een "Expert Judiciaire” (blijvend) onmogelijk is, uit te gaan van de waarde van vergelijkbare objecten op overlijdensdatum, zoals aangeven in productie 33;
F. dan wel de waarde en waardevergoeding nader op te maken bij staat;
G. in aanvulling op zijn eis in eerste aanleg voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] als executeur aansprakelijk is op grond van artikel 6: 162 BW wegens verzuim in het afgeven van het legaat als schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:144 jo Pro 4: 117 jo 4: 120 BW en de door hem verzuimde informatieplicht ex artikel 4:119 BW Pro en van zijn ingeschakelde hulppersonen ex artikel 6:76 BW Pro;
H. uit dien hoofde [geïntimeerde] als executeur eveneens te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2021, de dag waarop [geïntimeerde] ex artikel 6:83 sub c BW Pro in verzuim is (Productie 16);
I. [geïntimeerde] te veroordelen in de door [appellant] dientengevolge geleden schade, waaronder de kosten van deze procedure;
J. [geïntimeerde] te veroordelen tot het aan [appellant] verstrekken van de onder punt 5 van de memorie van grieven en vermeerdering van eis genoemde informatie binnen 30 dagen na uitspraak, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft.
5.2
[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn vordering onder B aangepast in die zin dat thans moet worden uitgegaan van een eigendomsverhouding met betrekking tot het onroerend goed in Frankrijk tussen erflaatster en [geïntimeerde] van 50%/50%. Voorts heeft [appellant] zijn vorderingen onder C tot en met E ingetrokken en vordert hij thans in zijn vordering onder A juncto F om [geïntimeerde] als enig erfgenaam te veroordelen tot vergoeding van de waarde van de helft van de verkoopopbrengst.
5.3
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het het hof moge behagen om, voor zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] in al zijn hoedanigheden afzonderlijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

6.Beoordeling in hoger beroep

Huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde]

6.1
Het hof stelt vast dat [appellant] in zijn inleidende dagvaarding inhoudelijk is ingegaan op de tussen erflaatster en [geïntimeerde] gesloten huwelijkse voorwaarden, welke als productie 1 bij die dagvaarding zijn bijgevoegd. Het hof leest in randnummer 32 van de memorie van antwoord dat [geïntimeerde] eveneens de met erflaatster overeengekomen huwelijkse voorwaarden aanhaalt aangezien hij van mening is dat het codicil in strijd is met die huwelijkse voorwaarden. Het hof heeft in het vorenstaande aanleiding gezien de advocaten van partijen voorafgaand aan hun pleidooien de gelegenheid te bieden zich nader uit te laten over de implicaties van deze huwelijkse voorwaarden in de onderhavige zaak.
6.2
De advocaat van [appellant] heeft daarop betoogd dat de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] - waarin zoals reeds is vermeld een verblijvensbeding ten gunste van [geïntimeerde] is opgenomen inzake onder meer de gezamenlijke inboedel en de woning in Frankrijk - opzij zijn gezet door de latere Franse akte waarin erflaatster aan [geïntimeerde] het vruchtgebruik van al de goederen van haar nalatenschap heeft geschonken. Aangezien [geïntimeerde] deze Franse akte mede heeft ondertekend, waren erflaatster en [geïntimeerde] het er kennelijk over eens om af te wijken van hun in 2008 verleden huwelijkse voorwaarden, voor wat de goederen in Frankrijk betreft, hetgeen erflaatster in haar testament van 2020 nogmaals heeft bevestigd, aldus de advocaat van [appellant] .
6.3
De advocaat van [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat het aandeel van erflaatster in de woning in Frankrijk krachtens het verblijvensbeding in de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] op het moment van overlijden van erflaatster aan [geïntimeerde] is verbleven. Volgens de advocaat van [geïntimeerde] maakt deze woning dan ook geen deel meer uit van de nalatenschap van erflaatster en kan daarover niet meer bij haar testament worden beschikt.
6.4
Het hof overweegt als volgt. Erflaatster en [geïntimeerde] zijn gehuwd geweest onder het maken van huwelijkse voorwaarden. In deze huwelijkse voorwaarden hebben zij een rechtskeuze gemaakt voor Nederlands recht en hebben zij vervolgens een duidelijk omschreven verblijvensbeding opgenomen onder andere wat de woning in Frankrijk betreft. Het hof verwijst naar r.o. 3.1 - 3.3. Op grond van artikel 1:115 lid 1 BW Pro geldt het vormvoorschrift dat huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid bij notariële akte moeten worden aangegaan. Dit geldt eveneens voor wijziging van huwelijkse voorwaarden staande huwelijk. Volgens vaste rechtspraak is de notaris in dat geval wegens zijn functie in het rechtsverkeer beroepshalve gehouden naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Op grond van artikel 43 lid 1 Wet Pro op het notarisambt moet de notaris zo nodig wijzen op de gevolgen die voor partijen of één of meer hunner uit de inhoud van de akte van huwelijkse voorwaarden voortvloeien. Daarnaast heeft de notaris de verplichting zich ervan te vergewissen dat de partijen die gevolgen begrijpen en aanvaarden. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijk controle en voorlichting door een notaris heeft plaatsgevonden in verband met een wijziging of aanvulling van de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] . Het hof kwalificeert de Franse akte dan ook niet als een wijziging of aanvulling van die huwelijkse voorwaarden. Daar komt bij dat de akte ‘Donation entre époux’ ex artikel 1094 Code Pro Civil (CC) een erfovereenkomst betreft in de zin van de Europese Erfrechtverordening (ErfVo) die ex artikel 3 lid 1 onder Pro d ErfVo onder de definitie van uiterste wilsbeschikking valt en niet onder de definitie van huwelijkse voorwaarden.
6.5
Op basis van de processtukken en het verhandelde ter zitting, is het hof dan ook van oordeel dat door de werking van het verblijvensbeding in de in 2008 opgestelde huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] , het aandeel van erflaatster in de vermogensrechten in Frankrijk bij haar overlijden zijn verbleven aan [geïntimeerde] . Aan (uitleg van) het testament van erflaatster en alles wat daarmee samenhangt, alsmede het bewijsaanbod van [appellant] komt het hof niet toe. Hetgeen partijen ter zake over een weer nog naar voren hebben gebracht, behoeft dan ook geen verdere bespreking.
Codicil
6.6
Nu de vermogensrechten in Frankrijk niet tot de nalatenschap van erflaatster behoorden, kon zij daarover evenmin bij codicil beschikken. Wat de formele geldigheid van het codicil betreft, overweegt het hof nog als volgt. Het codicil is opgesteld op [datum 3] , dus vóór de ErfVo. Op grond van de overgangsbepaling van art. 83 lid 3 ErfVo Pro kan de formele geldigheid worden beoordeeld naar Frans dan wel Nederlands recht (art. 27 juncto Pro 75 ErfVo dat verwijst naar het Haags Testamentsvormenverdrag). Naar Nederlands recht is het codicil formeel niet geldig. Naar Frans recht is het codicil op grond van art. 970 CC Pro alleen geldig als het volledig is geschreven, gedateerd en ondertekend door erflater. Het is aan geen andere vorm gebonden. Een vormgebrek - zoals in casu het ontbreken van de handtekening van erflaatster - leidt in beginsel tot nietigheid van het codicil. De stelling dat het codicil geldig zou zijn, omdat dit is gedeponeerd bij de Franse notaris, kan [appellant] niet baten nu een vermelding in het register vrijwillig is en slechts wordt gedaan op instructie van de erflater. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het codicil zowel naar Nederlands recht als naar Frans recht ondertekend had moeten worden. Aangezien erflaatster het codicil niet heeft ondertekend, is het codicil naar Frans recht nietig. Naar Nederlands recht is het codicil niet geldig, omdat het niet alleen niet ondertekend is, maar het legaat ook andere goederen betreft dan toegestaan in artikel 4:97 BW Pro. Hetgeen partijen hieromtrent nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking.
6.7
Het vorenstaande brengt mee dat alle vorderingen in hoger beroep van [appellant] die betrekking hebben op de vermogensrechten in Frankrijk moeten worden afgewezen.
Informatieplicht [geïntimeerde]
6.8
[appellant] stelt zich in zijn memorie van grieven en vermeerdering van eis op het standpunt dat [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van bezwaarde erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster niet heeft voldaan aan zijn jaarlijkse opgave- en toonplicht inzake het bezwaarde vermogen, zoals opgenomen in het testament van erflaatster. Weliswaar heeft [geïntimeerde] bij de memorie van antwoord een beschrijving van zijn eigen vermogen ingebracht - zo stelt [appellant] bij pleitnota - maar deze is te laat en incompleet. Ook de nadere gegevens die [geïntimeerde] nadien nog na opmerkingen van [appellant] aan [appellant] heeft verstrekt, volstaan niet. Het door [geïntimeerde] ingeschakelde [administratiekantoor] is volgens [appellant] geen gecertificeerd accountantskantoor. Uit niets blijkt dat dit kantoor een gescheiden administratie op juistheid controleert. [appellant] wenst alle onderliggende stukken te ontvangen alsmede dat [geïntimeerde] de administratie uitbesteedt aan een gecertificeerd accountantskantoor, dat tevens de administratie van de afgelopen jaren controleert (met name of uit het bezwaard vermogen schenkingen zijn gedaan, hetgeen bij het testament van erflaatster is verboden), een en ander op straffe van een dwangsom.
6.9
[geïntimeerde] voert verweer en merkt op dat [appellant] eerst in zijn brief van 5 september 2025 (productie 46) concreet heeft gemaakt welke stukken hij nog wenst te ontvangen. Echter, de informatie die [appellant] vraagt in zijn brief, wordt weer niet gevorderd in de onderhavige procedure. Op wat wel is gevorderd, heeft [geïntimeerde] al gereageerd.
6.1
Het hof is van oordeel dat [appellant] in de onderhavige procedure onvoldoende heeft gespecificeerd welke informatie van [geïntimeerde] aangaande het bezwaarde vermogen nog ontbreekt. [geïntimeerde] heeft inmiddels de nodige gegevens verstrekt en toegelicht en is - zo is het hof ter zitting gebleken - daartoe nog steeds bereid. Voor het opleggen van een dwangsom ter zake ziet het hof dan ook geen aanleiding. Het hof wijst erop dat een opgave- en toonplicht geen rekening en verantwoording inhoudt waarbij allerlei onderliggende bonnen en facturen moeten worden overgelegd. Het hof ziet evenmin noodzaak [geïntimeerde] te verplichten gebruik te maken van de diensten van een ander accountantskantoor. De desbetreffende vorderingen van [appellant] zullen daarom worden afgewezen.
Bewijsaanbod
6.11
Het (algemene) bewijsaanbod van [geïntimeerde] kan onbesproken blijven aangezien [geïntimeerde] daarbij geen belang meer heeft.
Conclusie en proceskosten
6.12
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.
6.13
Het hof ziet geen aanleiding de proceskosten in hoger beroep tussen partijen te compenseren nu geen sprake is van naaste familierelaties en [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld. Het hof zal de proceskostencompensatie in eerste aanleg bekrachtigen nu [appellant] in die procedure deels in het gelijk is gesteld. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.
6.14
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde [geïntimeerde] op:
griffierecht € 349,-
salaris advocaat € 3.035,- (2,5 punten × tarief II ad € 1.214,-)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.562,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.562,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, hij de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
  • verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. C.M. Warnaar, mr. A.N. Labohm en mr. A.J.I. Mullenders en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.