Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:184

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
BK-25/475
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30fc AWRArt. 30hb AWRArt. 9 Invorderingswet 1990Art. 11 Wet algemene bepalingenArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging belastingrente aanslag IB/PVV 2020 door Gerechtshof Den Haag

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2020 een definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van €50.737 en daarbij een beschikking belastingrente van €86. Belanghebbende had geen verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag gedaan en diende de aangifte pas in februari 2023, na meerdere herinneringen.

De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, omdat de belastingrente correct was berekend volgens de geldende wet- en regelgeving, en belanghebbende had kunnen voorkomen dat rente werd geheven door tijdig aangifte te doen of de voorlopige aanslag te wijzigen.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de belastingrente onterecht was, onder meer omdat het rentepercentage niet in verhouding zou staan tot de rendementen op staatsobligaties en vanwege communicatieproblemen door de COVID-19-pandemie. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur conform de wet had gehandeld, dat het rentepercentage wettelijk is vastgesteld en niet door de rechter kan worden getoetst op redelijkheid, en dat de communicatie met de Inspecteur wel mogelijk was.

Het Hof concludeerde dat de bezwaren onvoldoende concreet waren om de wettelijke regeling aan te tasten en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de belastingrente over de aanslag IB/PVV 2020 terecht en correct is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/475

Uitspraak van 20 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.L.M. Reijnen)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 april 2025, nummer SGR 24/5314.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.737. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 86 belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar belanghebbendes bezwaar tegen de beschikking belastingrente afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 23 oktober 2025. Voorts heeft de Inspecteur een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 5 december 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 december 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
De Inspecteur heeft met dagtekening 15 januari 2020 een voorlopige aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 37.453. De voorlopige aanslag vermeldt een te ontvangen bedrag van € 2.162. In de voorlopige aanslag is onder meer het volgende vermeld:

“Deze aanslag is voorlopig

Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op een inschatting van uw situatie in 2020. U kunt aan deze voorlopige aanslag geen rechten ontlenen voor een eventuele definitieve aanslag over 2020.

Als u uw gegevens wilt wijzigen

Controleer uw gegevens goed. Klopt alles? Dan hoeft u niets te doen. Klopt er iets niet? Dan kunt u wijzigingen gemakkelijk doorgeven. Kijk voor meer informatie op www.belastingdienst.nl/voorlopige_aanslag.
Kunt u uw voorlopige aanslag niet online wijzigen? Belt u dan met: [telefoonnummer] om een papieren formulier te bestellen.”
2.2.
Belanghebbende heeft gedurende het jaar 2020 geen verzoek tot wijziging of stopzetting van de voorlopige teruggaaf gedaan.
2.3.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 27 februari 2021 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2020.
2.4.
Belanghebbende heeft meermaals verzocht om uitstel voor het doen van aangifte IB/PVV over het jaar 2020. Op 3 februari 2023 heeft zij, na herinnering en aanmaning daartoe, de aangifte IB/PVV 2020 ingediend.
2.5.
De Inspecteur heeft met dagtekening 18 april 2023 de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.737. Na verrekening met de voorlopige aanslag bedraagt het op de aanslag te betalen bedrag € 1.132. De uiterste betaaltermijn is 30 mei 2023.
2.6.
Ingevolge de beschikking belastingrente heeft de Inspecteur € 86 belastingrente in rekening gebracht. De termijn waarover de belastingrente is berekend loopt van 1 juli 2021 tot en met 31 mei 2023. De belastingrente is als volgt berekend: 690 / 360 dagen x 4% x € 1.132 = € 86.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“7. De rechtbank overweegt als volgt. Aan belastingplichtigen wordt belastingrente in rekening gebracht indien een aanslag inkomstenbelasting met een te betalen bedrag wordt vastgesteld zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarover belasting moet worden betaald.[1] De belastingrente wordt berekend over het te betalen bedrag aan belasting over het tijdvak dat aanvangt zes maanden na het kalenderjaar tot de uiterste betaaltermijn van de aanslag.[2] Indien de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte dan wordt het tijdvak beperkt tot maximaal negentien weken na ontvangst van de aangifte.[3]
8. Verweerder heeft de belastingrente berekend overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. De belastingrente is namelijk berekend over de te betalen belasting € 1.132, over een periode van 1 juli 2021 tot en met 30 mei 2023, naar het toenmalige tarief van 4%. Verder is de aanslag vastgesteld binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding te concluderen dat de belastingrente te hoog is vastgesteld. Er zijn ook geen overige omstandigheden gesteld of gebleken die een matiging van de belastingrente zouden rechtvaardigen.
9. Dat het niet de bedoeling van eiseres was dat voor het jaar 2020 een voorlopige teruggaaf is toegekend, welke zij uiteindelijk met belastingrente gedeeltelijk moest terugbetalen, maakt dit niet anders. Aan een voorlopige aanslag kan niet het vertrouwen worden ontleend dat de definitieve aanslag dienovereenkomstig zal worden opgelegd. Op de voorlopige aanslag staat ook vermeld dat de gegevens uit de aangifte nog gecontroleerd gaan worden en dat de definitieve aanslag kan afwijken van de voorlopige aanslag. Eiseres, onderscheidenlijk haar gemachtigde, had dan ook kunnen en moeten begrijpen dat de mogelijkheid bestond dat zij het bedrag van de voorlopige aanslag bij oplegging van de definitieve aanslag (gedeeltelijk) zou moeten terugbetalen in welk geval zij over het terug te betalen bedrag belastingrente verschuldigd zou zijn. Om belastingrente te voorkomen had eiseres een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag kunnen indienen. Ook had zij vóór 1 mei 2021 aangifte kunnen doen. Nu dit niet is gebeurd, kan niet worden gezegd dat verweerder op enige manier anders had moeten handelen bij de aanslagregeling en de vaststelling van de verschuldigde belastingrente.
10. Ook het standpunt van eiseres dat het rentepercentage van 4% niet in verhouding staat met de percentages die gehanteerd worden bij de vermogensrendementsheffing in box 3, kan haar niet baten. Artikel 30hb van de AWR bepaalt het percentage van de in rekening te brengen belastingrente. De rechtbank is niet bevoegd om op grond van redelijkheid en billijkheid uit te gaan van een ander percentage. Op grond van artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen moet de rechter volgens de wet rechtspreken en is het hem niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te toetsen, behoudens voor zover de wettelijke regeling in strijd zou zijn met een ieder verbindende verdragsbepalingen. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
(…)
[1] Artikel 30fc, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
[2] Artikel 30fc, tweede lid, van de AWR.
[3] Artikel 30fc, derde lid, van de AWR.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de beschikking belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld, hetgeen belanghebbende bestrijdt en de Inspecteur bevestigt.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de beschikking belastingrente tot nihil.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt dat de in rekening gebrachte belastingrente op nihil moet worden gesteld. Belanghebbende voert daartoe aan dat het niet de bedoeling was dat voor het jaar 2020 een voorlopige teruggaaf werd toegekend en dat de Inspecteur naar aanleiding van de stopzetting van de voorlopige aanslagen over de jaren 2017 en 2018 ook voor de opvolgende jaren de voorlopige aanslagen had moeten stopzetten. Daarnaast voert belanghebbende aan dat in 2020 vanwege de COVID-19-pandemie nagenoeg geen communicatie met de Inspecteur mogelijk was.
5.2.
Belanghebbende voert voorts aan dat het belastingrentepercentage in geen enkele verhouding staat tot de rentepercentages die worden gehanteerd ter zake van de vermogensrendementsheffing van box 3. Volgens belanghebbende zou het belastingrentepercentage moeten worden afgeleid van het rendement op een tienjarige staatsobligatie, met dien verstande dat deze niet negatief kan worden. In de relevante periode was het rendement op de voormelde staatsobligatie negatief, waardoor het belastingrentepercentage op nihil moet worden gesteld, aldus belanghebbende. Daarbij merkt belanghebbende op dat een grote weerstand tegen het belastingrentepercentage is ontstaan en dat vele belastingplichtigen hiertegen bezwaar hebben gemaakt.
Wettelijk kader
5.3.
Het Hof stelt voorop dat op grond van artikel 30fc, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan belastingplichtigen belastingrente in rekening wordt gebracht indien een aanslag inkomstenbelasting met een te betalen bedrag wordt vastgesteld zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarover belasting moet worden betaald. Ingevolge artikel 30fc, lid 2, AWR wordt de belastingrente berekend over het te betalen bedrag aan belasting over het tijdvak dat aanvangt zes maanden na het kalenderjaar tot de uiterste betaaltermijn van de aanslag. Voorts bepaalt artikel 30fc, lid 3, AWR dat indien de aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, het tijdvak wordt beperkt tot maximaal negentien weken na ontvangst van de aangifte. Ingevolge artikel 30fc, lid 4, AWR wordt geen belastingrente in rekening gebracht als de aanslag is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven.
5.4.
Op grond van artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990 is een belastingaanslag invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Het belastingrentepercentage wordt op grond van artikel 30hb AWR in verbinding met artikel 1 van Pro het Besluit belasting- en invorderingsrente (versie in de onderhavige periode) gesteld op ten minste 4 procent.
5.5.
Gelet op het voorgaande is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur de belastingrente heeft berekend conform de geldende wet- en regelgeving en dat de belastingrente in zoverre niet te hoog is vastgesteld.
5.6.
Voor zover belanghebbende stelt dat het niet de bedoeling was dat voor het jaar 2020 een voorlopige teruggave werd toegekend, geldt dat in de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 is vermeld dat een verzoek tot wijziging kan worden doorgegeven, hetgeen belanghebbende niet heeft gedaan. Een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslagen voor de jaren 2017 en 2018 houdt niet zonder meer in dat ook de voorlopige aanslagen van de daaropvolgende jaren dienen te worden gewijzigd of dat de daaruit voortvloeiende voorlopige teruggaven dienen te worden stopgezet. Belanghebbende heeft geen verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag IB/PVV 2020 dan wel anderszins een verzoek tot stopzetting van de voorlopige teruggave ingediend. Voor zover belanghebbende stelt dat vanwege de COVID-19-pandemie nagenoeg geen communicatie met de Inspecteur mogelijk was, heeft de Inspecteur onbestreden verklaard dat het tijdens de pandemie mogelijk was om telefonisch, schriftelijk en digitaal met hem te communiceren. Deze standpunten kunnen derhalve niet slagen.
5.7.
Het Hof vat belanghebbendes standpunt zo op dat hij het percentage van de belastingrente te hoog vindt in verhouding tot de rente op tienjarige staatsobligaties. Voor zover belanghebbende zich hiermee beklaagt over de onredelijkheid van het percentage van de belastingrente, overweegt het Hof dat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen in de weg staat aan toetsing van wetten in formele zin aan algemene rechtsbeginselen en ander ongeschreven recht. Evenwel betreft het Besluit belasting- en invorderingsrente geen wet in formele zin. Het voornoemde toetsingsverbod is daarop niet van toepassing. Dergelijke wetgeving kan dan ook worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij echter onvoldoende geconcretiseerd in hoeverre, en op welke gronden, sprake is van strijdigheid met algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Dat sprake is van strijd met een ieder verbindende verdragsbepalingen is in dit geval evenmin gesteld. Belanghebbendes enkele verwijzingen in algemene zin naar de rendementspercentages die worden gehanteerd voor de berekening van het box 3-inkomen en het bestaan van de massaalbezwaarprocedure zijn daarvoor onvoldoende. Gelet op het voorgaande faalt belanghebbendes standpunt.
Slotsom
5.8.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon R.A. Bosman
De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.