ECLI:NL:GHDHA:2026:1810

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
200.355.640/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Wvps
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnissen en proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht in pensioenafstorting

In deze civiele procedure in hoger beroep bevestigt het Gerechtshof Den Haag de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 21 februari, 21 augustus en 25 september 2024. De vrouw had gevorderd dat de BV, waarvan de man aandelen houdt, het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen aan haar zou afstorten. De rechtbank wees deze vordering af omdat de BV onvoldoende liquide middelen heeft om de afstorting te doen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar te brengen.

Het hof overweegt dat de rechtbank het juiste juridische kader heeft gehanteerd en dat de bewijsopdracht aan de man en de BV adequaat was. Uit recente financiële gegevens blijkt dat de BV een negatieve kasstroom heeft en technisch failliet is, mede door een hoge rekening-courantschuld van de man aan de BV. De man kan niet worden gehouden tot afstorting van het pensioen vanwege deze financiële situatie en het ontbreken van onrechtmatig handelen.

Daarnaast is de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 127.773,44 aan de man, vermeerderd met wettelijke rente, omdat zij onterecht tot executie was overgegaan. Het hof wijst haar vordering tot compensatie van deurwaarderskosten af. Het hof constateert dat de vrouw een groot aantal procedures voert zonder duidelijke grieven, wat leidt tot onnodige lasten voor de wederpartij. Daarom veroordeelt het hof haar in de werkelijke proceskosten van € 15.888,- wegens misbruik van procesrecht.

Het arrest is uitgesproken op 2 juni 2026 en bevestigt de eerdere uitspraken, waarbij de vrouw in haar vorderingen wordt afgewezen en in de proceskosten wordt veroordeeld.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en veroordeelt de vrouw in de werkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht; afstorting van het pensioen is niet mogelijk vanwege onvoldoende liquide middelen van de BV.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.355.640/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/638452 HA ZA 22/967
Arrest 2 juni 2026
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. R. van Biezen, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
wonende in [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2 / de BV],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.E.R van Herpen, kantoorhoudend in Den Haag.

1.Procesverloop in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 19 december 2024, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de (tussen) vonnissen van 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 van de rechtbank Den Haag gewezen onder rolnummer C/09/638452 HA ZA 22/967;
  • de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] , met bijlagen;
  • een brief van [appellante] van 11 mei 2026 met bijlagen;
  • enkele per e-mail van [appellante] van 11 mei 2026 overgelegde nadere producties;
  • een akte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] van 21 mei 2021, met bijlagen.
1.2
Op 21 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen:
  • [appellante] , bijgestaan door haar advocaat;
  • [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] , bijgestaan door hun advocaat.
De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Daarbij hebben geïntimeerden bezwaar gemaakt tegen de e-mail van 11 mei waarin deze partij zelf – zonder tussenkomst van de advocaat – nog enkele producties heeft overlegd zonder dat daarbij enige nadere toelichting wordt gegeven. Aangevoerd is daarbij dat het geen makkelijk te doorgronden stukken betreft en onduidelijk is waarom deze stukken worden overgelegd. Namens appellante is op dit bezwaar niet gereageerd. Het hof besluit deze zonder enige toelichting door de partij zelf ingediende nadere producties – gelet op dit bezwaar van de wederpartij en het feit dat deze zich tegen deze stukken op genoemde gronden niet goed heeft kunnen verweren – buiten beschouwing te laten. Daarbij tekent het hof nog aan dat het ook meer in het algemeen geen acht hoeft te slaan op producties waarvan geheel onduidelijk is gebleven ter onderbouwing waarvan zij worden overgelegd.

2.De bestreden vonnissen

2.1
In het tussenvonnis van 21 februari 2024 luidt het dictum als volgt:
“De rechtbank:
in conventie
4.1.
draagt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] op te bewijzen dat:
(1) [geïntimeerde 2 / de BV] over onvoldoende liquide middelen beschikt (i) om tot afstorting over te gaan van het kapitaal dat nodig is voor het aan [appellante] toekomende deel van de door [geïntimeerde 1] in [geïntimeerde 2 / de BV] opgebouwde pensioenaanspraak, als ook (ii) voor de dekking van de commerciële waarde van het resterende deel dat [geïntimeerde 1] toekomt;
en indien [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] dit bewijzen:
(2) deze middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van [geïntimeerde 2 / de BV] in gevaar te brengen;
4.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 20 maart 2024 voor uitlating door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
4.3.
bepaalt dat, als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen. De zaak zal in dit geval op de rol komen van woensdag 17 april 2024 voor antwoordakte door [appellante] ;
4.4.
bepaalt dat, als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] getuigen willen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met augustus 2024 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
4.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van [rechter] , in het Paleis van Justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60;
4.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;
4.7.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.”
2.2
In het eindvonnis van 21 augustus 2024 luidt het dictum als volgt:

De rechtbank:
in het incident
4. 1. wijst de vorderingen af;
4.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
in conventie
4.3.
wijst de vorderingen af;
4.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
in reconventie
4.5.
bepaalt dat [appellante] aan [geïntimeerde 1] verschuldigd is een bedrag van € 123.336,44 en een bedrag van € 4.437, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier maanden na de betekening van de beschikking van 7 december 2022 van het hof Den Haag tot aan de dag van volledige betaling;
4.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
2.3
In het aanvullende vonnis van 25 september 2024 luidt het dictum als volgt:

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat aan het eind van nr. 4.5. van het op 21 augustus 2024 tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] c.s. gewezen vonnis dient te worden toegevoegd:
"en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad''.
zodat 4.5. als volgt komt te luiden:
"bepaalt dat [appellante] aan [geïntimeerde 1] verschuldigd is een bedrag van € 123.336.44 en een bedrag van € 4.437, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier maanden na de betekening van de beschikking van 7 december 2022 van het hof Den Haag tot aan de dag van volledige betaling en verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;"
3.2.
bepaalt dat deze aanvulling onder de vermelding van de datum 25 september 2024 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 21 augustus 2024;
3.3.
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 21 augustus 2024 na ontvangst van deze aanvullende beslissing aan de griffie van de rechtbank te retourneren.”

3.Vorderingen van [appellante] in hoger beroep

3.1.
[appellante] vordert in hoger beroep als volgt:

alsdan namens appellante in hoger beroep al dan niet met aanvulling van gronden, dat het Gerechtshof moge behagen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te vernietigen de (tussen)vonnissen van 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 (aanvullend vonnis) gewezen onder het zaak/rolnummer C/09/638452 HA ZA 22/967, allen tussen [appellante] als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie en geïntimeerden als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, en opnieuw rechtdoende het door appellante als eiseres in eerste aanleg in conventie gevorderde alsnog toe te wijzen en het door geïntimeerde in eerste aanleg in reconventie gevorderde alsnog af te wijzen;
Bij wijze van eisvermeerdering om [geïntimeerde 1] te veroordelen om aan [appellante] te betalen € 8.577,22.”
3.2.
De grieven van [appellante] zijn gericht tegen de afwijzing van haar vordering in eerste aanleg in conventie tot afstorting van de helft van het tijdens het huwelijk van partijen in [geïntimeerde 2 / de BV] in eigen beheer opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen, en tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] in eerste aanleg in reconventie tot terugbetaling door [appellante] van een bedrag van € 123.336,44 en een bedrag van € 4.437,-. Tegen het aanvullende vonnis – waarin de toewijzing van de reconventionele vordering uitvoerbaar bij voorraad is verklaard – is geen (zelfstandige) grief gericht..

4.Beoordeling in hoger beroep

Algemeen

4.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten tenzij daar een grief tegen is gericht.
4.2.
In randnummer 4.1. van de memorie van antwoord stellen geïntimeerden dat de in de randnummers 66 en 67 door [appellante] geformuleerde grieven niet voldoen aan de eisen die aan een grief moeten worden gesteld. Geïntimeerden zijn van mening dat al hetgeen waartegen niet specifiek wordt gegriefd, als vaststaand dient te worden beschouwd.
4.3.
Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich mee dat [appellante] haar bezwaren tegen de bestreden vonnissen zodanig dient te formuleren dat voor de wederpartij maar ook voor de rechter duidelijk is tegen welke onderdelen zij haar bezwaren richt en wat zij daaraan ten grondslag legt. Een onduidelijke of onvolledige formulering van een grief komt dan ook voor rekening en risico van [appellante] . Dat geldt ook voor de grieven geformuleerd op andere plekken dan in de randnummers 66 en 67.
Ontvankelijkheid
4.4.
Voor zover de ontvankelijkheid van [appellante] door geïntimeerden aan de orde wordt gesteld, omdat afstorting van een pensioen in eigen beheer bij een professionele verzekeringsmaatschappij niet langer mogelijk is, overweegt het hof als volgt. Dit standpunt wordt door [appellante] betwist, maar daarnaast luidt haar vordering in eerste aanleg in conventie aldus dat geïntimeerden worden veroordeeld “
aan eiseres (althans een toegelaten instelling) te betalen door afstorting” van het betreffende pensioenbedrag. De vordering is derhalve niet beperkt tot afstorting bij een professionele verzekeringsmaatschappij.
De afstorting van het opgebouwde ouderdoms- en nabestaande pensioen
4.5.
Het hof overweegt als volgt. In het tussenvonnis van 21 februari 2024 heeft de rechtbank conform de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1080) geformuleerd wanneer afstorting van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen kan worden verlangd. Er dienen voldoende financiële middelen in [geïntimeerde 2 / de BV] (hierna: de BV) te zijn (of te kunnen worden vrijgemaakt of aangetrokken zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar te brengen) om op basis van commerciële waarde de afstorting te realiseren van [appellante] terwijl er in de BV ook voldoende kapitaal aanwezig blijft ter dekking van de commerciële aanspraken van [geïntimeerde 1] . Ook heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat een eventueel tekort in beginsel tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] moet worden gedeeld, naar verhouding waartoe de verevening overeenkomstig artikel 3 lid 1 Wvps Pro leiden. Tot slot heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat er omstandigheden kunnen zijn dat een tekort tussen de echtgenoten anders moet worden verdeeld. Derhalve heeft de rechtbank het juiste juridische kader gehanteerd. Voor zover [appellante] in de randnummers 30 en 31 van haar memorie van grieven nog beoogt op te roepen tot een aanpassing van het juridische kader, ziet het hof daartoe geen aanleiding.
4.6.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank aan [geïntimeerde 1] en de BV een goed geformuleerde bewijsopdracht heeft verstrekt te weten:
“4.1. draagt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] op te bewijzen dat:
(1) [geïntimeerde 2 / de BV] over onvoldoende liquide middelen beschikt (i) om tot afstorting over te gaan van het kapitaal dat nodig is voor het aan [appellante] toekomende deel van de door [geïntimeerde 1] in [geïntimeerde 2 / de BV] opgebouwde pensioenaanspraak, als ook (ii) voor de dekking van de commerciële waarde van het resterende deel dat [geïntimeerde 1] toekomt;
en indien [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2 / de BV] dit bewijzen:
(2) deze middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders kunnen worden verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van [geïntimeerde 2 / de BV] in gevaar te brengen.
4.7.
Uit de grieven van [appellante] volgt dat zij van mening is dat de BV wel over voldoende liquide middelen kan beschikken voor de afstorting van haar pensioenaanspraken. In haar grieven voert zij onder meer aan: 1) dat de notarissen zijn veroordeeld om aan [geïntimeerde 1] te betalen een bedrag van € 123.336,44; 2) dat de BV in 2024 over € 68.216,- aan liquide middelen beschikte: 3) dat [geïntimeerde 1] in ieder geval € 35.000,- kan vrijmaken door verkoop van het huisje in België; 4) dat – naar het hof begrijpt uit randnummer 17 en 18 van de memorie van grieven – [geïntimeerde 1] een financiering kan aantrekken indien een regulier dividend van € 80.000 bij zijn inkomen wordt opgeteld; en 5) dat uit de jaarrekening van de BV volgt dat er maandelijks een management fee van € 10.000,- wordt ontvangen van de werkmaatschappij die – net als het ‘meerdere resultaat’ naast genoemde reguliere dividenduitkering – ter aflossing van de rekeningcourantschuld van [geïntimeerde 1] aan de BV zou moeten worden aangewend.
4.8.
Door [geïntimeerde 1] en de BV is gemotiveerd gesteld dat de BV nog steeds niet over voldoende liquide middelen beschikt dan wel kan beschikken om over te gaan tot afstorting van de pensioenrechten van [appellante] .
4.9.
Het hof stelt het volgende voorop. Partijen verschillen niet (wezenlijk) van mening over het bedrag aan opgebouwd pensioen dat voor [appellante] zou moeten worden afgestort. In rechtsoverweging 3.15 heeft de rechtbank geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is wat de hoogte is van het opgebouwde pensioen, maar dat die hoogte dient te worden bepaald op de dag van afstorting, zodat het bepalen van de hoogte van het af te storten bedrag een rekenexercitie is, waarvan de uitkomst met name afhankelijk is van de hoogte van de rente op het moment van afstorten. Daarbij overweegt de rechtbank dat de door partijen ingeschakelde deskundigen voor wat betreft de hoogte van het af te storen bedrag redelijk op één lijn zaten. Tegen deze overwegingen is geen grief gericht. In de brief van 11 mei 2026 heeft [appellante] zich in hoger beroep echter wel op het standpunt gesteld dat een actuele berekening van de commerciële waarde van het af te storten bedrag per 21 mei 2026 uitkomt op € 105.099,- (welke berekening overigens door [geïntimeerde 1] wordt betwist).
4.10.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de vordering van [appellante] heeft afgewezen en maakt die gronden – na een eigen afweging te hebben gemaakt, beoordeeld naar de actuele stand van zaken – tot de zijne. Bij akte van 21 mei 2026 hebben geïntimeerden recente financiële gegevens in het geding gebracht met betrekking tot de BV. Het hof heeft de enkelvoudige balans van de BV en de enkelvoudige balans van de deelneming ( [de deelneming] ) beoordeeld. Uit de balans van de BV volgt dat de liquide middelen op 31 december 2024 bedroegen € 30.448,- en op 31 december 2025 € 1.423,-. De liquide middelen zijn afgenomen hetgeen indiceert dat er sprake is van een negatieve kasstroom. Uit de jaarrekening (zie blz. 14) volgt eveneens dat de BV per 31 december 2025 een vordering heeft op [geïntimeerde 1] van € 272.303,-. De vordering is een actief post voor de BV en een passiefpost voor [geïntimeerde 1] . Als [geïntimeerde 1] de schuld aan de BV – waar inmiddels geen zekerheid meer tegenover staat – niet kan voldoen dan betekent dit dat de vordering moet worden afgewaardeerd hetgeen met zich brengt dat het eigen vermogen van de BV negatief wordt. [de registeraccountant] (registeraccountant) geeft dit in zijn brief van 1 mei 2026 ook aan en concludeert dat dan de BV technisch failliet is. Het hof deelt de conclusie van [de registeraccountant] . [fiscalist] heeft in haar brief van 3 mei 2024 gericht aan [advocaat] gesteld dat het vermogen van [geïntimeerde 1] negatief is en wel een bedrag van € 344.275,-. Bij het vaststellen van het negatieve vermogen is zij uitgegaan van een rekening-courantschuld aan de BV van € 233.841,-. Op basis van de cijfers 2025 is deze rekening-courantschuld toegenomen tot € 272.303,-.
4.11.
Uit de gewisselde stukken volgt dat [appellante] is toegelaten tot de WSNP, gezien dit feit is het zeer onzeker of [geïntimeerde 1] zijn vordering op [appellante] kan incasseren.
4.12.
Het hof acht aannemelijk dat [geïntimeerde 1] , zoals hij stelt en door [appellante] niet dan wel onvoldoende wordt betwist, het bedrag dat hij van de notarissen heeft ontvangen inmiddels volledig heeft verteerd aan privéschulden. Alleen al zijn advocaatkosten bedragen sinds juli 2024 € 82.308,87. Het hof merkt hierbij ten slotte nog op dat [geïntimeerde 1] onbetwist heeft gesteld dat [appellante] tegen de uitspraak op grond waarvan de notarissen (en zijzelf in vrijwaring) tot uitbetaling zijn veroordeeld in hoger beroep is gegaan.
4.13.
De stelling van [appellante] dat [geïntimeerde 1] het huisje in [locatie] kan verkopen en zo over liquide middelen kan beschikken snijdt ook geen hout. [appellante] heeft zonder instemming en medeweten van [geïntimeerde 1] een recht van hypotheek gevestigd op haar aandeel in dit onroerend goed derhalve kan [geïntimeerde 1] dit onroerend goed niet zomaar verkopen. Daar komt bij dat, zoals ook in de bestreden beschikking al is geoordeeld, [geïntimeerde 1] in zijn onderlinge verhouding tot [appellante] recht heeft op de gehele verkoopopbrengst van dit huisje, die hij echter door verkoop daarvan niet kan verkrijgen zolang daarop een hypotheek rust en/of zolang de onbelaste toedeling van het huisje aan hem niet is uitgevoerd. Aan de door de vrouw voorgestelde verkoop behoeft [geïntimeerde 1] dan ook niet mee te werken.
4.14.
Daarbij is het hof van oordeel dat van [geïntimeerde 1] in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij eventueel beschikbare privégelden in de BV steekt teneinde de BV in staat te stellen om tot afstorting van het pensioen van [appellante] over te gaan, terwijl [appellante] haar schuld aan hem ter hoogte van (nu nog) meer dan € 350.000, - niet voldoet. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat – zoals hieronder nog zal blijken – de man niet persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het liquiditeitstekort in de BV vanwege de dividenduitkering van maart 2022.
4.15.
Gezien de vermogenspositie van [geïntimeerde 1] alsmede de vermogenspositie van de BV acht het hof het niet aannemelijk dat een reguliere bankinstelling op basis van normale kredietvoorwaarden aan [geïntimeerde 1] en of aan de BV een lening zal verstrekken voor de financiering van de pensioenrechten van partijen. Geïntimeerden hebben al in eerste aanleg verschillende stukken overgelegd waaruit dit volgt. De inkomsten van de BV zijn afhankelijk van de werkzaamheden van [geïntimeerde 1] ; als [geïntimeerde 1] om wat voor reden ook niet meer kan werken, droogt de geldstroom voor de BV op.
4.16.
Met betrekking tot [de deelneming] is het hof van oordeel dat deze vennootschap geen dividend kan uitkeren aan de BV. De overige reserves bedragen slechts € 68.824, een dergelijke reserve is noodzakelijk om mogelijke toekomstige tegenvallers in bedrijfseconomische zin te kunnen opvangen. De liquiditeiten in deze vennootschap staan niet ter beschikking van de BV aangezien deze behoren tot het vermogen van [de deelneming]
4.17.
Op blz. 7 heeft [appellante] een kopje geformuleerd bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof begrijpt uit het betoog van [appellante] dat zij stelt dat [geïntimeerde 1] door de dividenduitkering van € 980.875, - in maart 2022 onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld, en daarom persoonlijk aansprakelijk is voor het daardoor ontstane liquiditeitstekort.
4.18.
Door [geïntimeerde 1] en de BV is gemotiveerd verweer gevoerd.
4.19.
Vaststaat dat [geïntimeerde 1] een zeer aanzienlijke rekening-courant schuld had bij de BV en dat het grootste deel van die schuld is veroorzaakt door de aankoop (en verbouwing) van de woning in Italië die de vrouw in eigendom toebehoorde en die, voordat deze door [appellante] werd verkocht, ook als zekerheid voor deze schuld kon dienen. Vanuit fiscaal oogpunt bezien was deze schuld zeer risicovol voor beide partijen. De gelden van de BV zijn met name gebruikt voor privébestedingen en fiscaal gezien is dit een dividenduitkering. Het hof verwijst naar de gronden van de rechtbank ten aanzien van de vraag of de dividenduitkering onrechtmatig is geweest, en oordeelt dat van [geïntimeerde 1] in de genoemde omstandigheden – waarbij in de echtscheidingsprocedure bij beschikking van 31 januari 2022 was geoordeeld dat [appellante] voor de helft draagplichtig was voor de rekening-courantschuld van [geïntimeerde 1] aan de BV – in redelijkheid niet mocht worden verwacht dat hij deze rekening-courantschuld in stand zou houden en niet zou aflossen door middel van een dividenduitkering (kasrondje), teneinde te bewerkstelligen dat wél tot (volledige) afstorting van het pensioen van [appellante] uit middelen uit de BV kon (blijven) worden overgaan. Van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] en of de BV jegens [appellante] is dus geen sprake. Voor het feit dat de rekening-courantschuld van [geïntimeerde 1] nadien weer is opgelopen, heeft [geïntimeerde 1] een valide verklaring gegeven. Overigens is door [appellante] ook niet gegriefd in die zin dat er een andere reden zou bestaan voor de conclusie dat een dekkingstekort geheel of gedeeltelijk voor rekening van [geïntimeerde 1] zou moeten komen dan een reden gelegen in de dividenduitkering van maart 2022.
4.20.
Het overige wat door [appellante] is aangevoerd met betrekking tot de pensioenafstorting acht het hof niet relevant voor het onderhavige oordeel en behoeft geen verdere bespreking.
4.21.
De conclusie is dat afstorting van het pensioen van [appellante] niet mogelijk is, zeker niet zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. Er zijn immers – nog afgezien van de voor het pensioen van [geïntimeerde 1] benodigde dekking – onvoldoende liquide middelen in de BV aanwezig voor alleen al de afstorting van haar pensioen (door haar gesteld op € 105.099, - per 21 mei 2026), en die kunnen ook niet worden vrijgemaakt of van elders worden verkregen. Dat geldt (dus) ook als het hof afgaat op de verklaring van [de registeraccountant] in zijn brief van 1 mei 2026 – gedaan op basis van een
geconsolideerdebalans van de BV en de werkmaatschappij – dat er per 31 maart 2026 middelen in de onderneming beschikbaar zijn ter hoogte van een bedrag van € 89.647, -. Bovendien oordeelt het hof, zoals uit het voorgaande blijkt, dat voor een andere verdeling van een eventueel tekort tussen [geïntimeerde 1] en [appellante] geen grond bestaat, zodat er ook voldoende kapitaal in de BV zal moeten achterblijven voor de dekking van het pensioen van [geïntimeerde 1] . Ten slotte stelt het hof vast dat tegen het oordeel van de rechtbank (in r.o. 3.24) dat bij deze stand van zaken niet behoeft te worden beoordeeld of de BV mogelijk in staat is een deel van het pensioen af te storten, geen zelfstandige grief is aangevoerd (alleen een voortbouwgrief voor het geval de voorgaande grieven geheel of gedeeltelijk zouden slagen, hetgeen niet het geval is). Gelet op dit alles komt het hof tot een bekrachtiging van het bestreden vonnis in conventie.
De vordering in reconventie
4.22.
[appellante] is het er niet mee eens dat zij aan [geïntimeerde 1] een bedrag van € 123.336,44 en € 4.437,- moet betalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier maanden na betekening van de beschikking van dit hof van 7 december 2022. In de visie van [appellante] is er geen sprake van onverschuldigde betaling aangezien er geen sprake is van een onmiskenbare vergissing. Er lag op het moment van de betaling een beschikking van de rechtbank die uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. [appellante] is van mening dat de rechtbank in reconventie het terug te betalen bedrag op nul had dienen te stellen (zien randnummer 60 van de memorie van grieven). Voorts stelt [appellante] in randnummer 61 van haar memorie dat zij aanspraak maakt op compensatie van de deurwaarderskosten indien zij toch veroordeeld wordt tot terugbetaling van voormelde bedragen aan [geïntimeerde 1] .
4.23.
Door [geïntimeerde 1] is gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 63 van de memorie van antwoord is gesteld dat dit hof op 7 december 2022 en 29 maart 2023 heeft geoordeeld dat [appellante] aan [geïntimeerde 1] verschuldigd is een bedrag van € 127.773,44. Deze uitspraken zijn in gezag van gewijsde. [geïntimeerde 1] heeft slechts om tot executie van deze vorderingen te kunnen komen in reconventie gevorderd om deze veroordelingen in het dictum op te nemen. Met betrekking tot het bedrag van € 8.577,22 is [geïntimeerde 1] van mening dat [appellante] aansprakelijk is voor deze kosten aangezien zij destijds ten onrechte is overgegaan tot executie.
4.24.
Het hof overweegt als volgt. Uit de beschikking van ons hof van 29 maart 2023 volgt dat [appellante] een bedrag van € 127.773,44 aan [geïntimeerde 1] dient terug te betalen; het hof verwijst naar r.o. 2.1 van deze beschikking. Abusievelijk heeft het hof dit bedrag niet in het dictum opgenomen, derhalve kon [geïntimeerde 1] niet overgaan tot executie. Vaststaat dat [appellante] niet in cassatie is gegaan van de beschikkingen van 7 december 2022 en 29 maart 2023 van dit hof en derhalve staat tussen [appellante] en [geïntimeerde 1] vast dat [appellante] het bedrag van € 127.773,44 aan [geïntimeerde 1] verschuldigd is. De rechtbank heeft daarom op goede gronden de reconventionele vordering van [geïntimeerde 1] toegewezen. Voorts is het hof van oordeel dat bij de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag niet de incassokosten van € 8.777,22 in mindering mogen worden gebracht, aangezien die verband houden met de incassering en/of beslaglegging door [appellante] (ten behoeve) van een vordering waaraan de (vermeende) grondslag in hoger beroep is komen te ontvallen. Dergelijke kosten komen voor rekening van degene die in de tussentijd reeds tot tenuitvoerlegging is overgegaan. Gelet op het voorgaande komt het hof ook tot een bekrachtiging van het bestreden vonnis wat betreft de vordering in reconventie.
Bewijsaanbod
4.25.
Ook in hoger beroep heeft [appellante] , naar aanleiding van de door de rechtbank in eerste aanleg aan [geïntimeerde 1] verstrekte bewijsopdracht, geen aanbod tot het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen gedaan. Voor zover een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs toch aan de orde zou zijn, komt het hof daaraan, gelet op het voorgaande – bij gebrek aan een voldoende onderbouwde betwisting van de stellingen van [geïntimeerde 1] in hoger beroep over de actuele stand van zaken – niet toe. Zo is de stelling van [geïntimeerde 1] dat er op dit moment onvoldoende liquide middelen in de BV aanwezig zijn voor de afstorting van het pensioen en dat die ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders worden verkregen, door [appellante] in hoger beroep onvoldoende onderbouwd betwist gebleven. Het door [appellante] in hoger beroep geformuleerde bewijsaanbod ziet voor het overige op stellingen die, gelet op het voorgaande, niet tot de beslissing van de zaak kunnen leiden.
De proceskosten: misbruik van procesrecht
4.26.
Geïntimeerden zijn van mening dat [appellante] in de werkelijke proceskosten moet worden veroordeeld aangezien er sprake is van misbruik van procesrecht. Geïntimeerden hebben daartoe onder meer aangevoerd dat zij bij brief van 15 april 2025 hebben aangeboden om nader inzicht te verschaffen in de liquiditeit van de BV, [appellante] heeft op dit aanbod in het geheel niet gereageerd. Ook hebben zij aangevoerd dat [appellante] geen uitvoering geeft aan de op haar in onherroepelijke rechterlijke beslissingen gelegde verplichtingen, maar wel keer op keer procedures initieert die voor geïntimeerden aanzienlijke lasten met zich meebrengen.
4.27.
Door [appellante] is tegen de proceskostenveroordeling verweer gevoerd.
4.28.
Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken volgt dat [appellante] een veelvoud aan procedures (waaronder naast bodemprocedures meerdere kortgedingen en beslagprocedures in twee instanties) tegen [geïntimeerde 1] heeft opgestart, waarop zij ook in eerdere procedures reeds onherroepelijk besliste geschilpunten veelal opnieuw – al dan niet in een andere vorm – naar voren brengt. Het hof concludeert dat [appellante] , nadat zij daar al eerder op is gewezen, (ook) in deze procedure in hoger beroep weer een groot aantal stellingen naar voren brengt, zonder daarbij duidelijk aan te geven tegen welke oordelen zij zich richt en welke bezwaren (grieven) er precies tegen die oordelen worden aangevoerd, hetgeen de positie van de wederpartij onnodig verzwaart. Ook stelt het hof vast dat [appellante] geen uitvoering heeft gegeven aan de in gezag van gewijsde gegane beschikkingen van dit hof van 7 december 2022 en 29 maart 2023, en ook niet aan een aantal andere onherroepelijke veroordelingen, al dan niet op straffe van een dwangsom opgelegd (bijvoorbeeld ten aanzien van het huisje in België). Daarmee bemoeilijkt ze de afronding van andere geschilpunten en procedures die tussen partijen lopen zonder dat daar een goede grond voor is gebleken. Ook zijn er beslagprocedures gevoerd, waarbij het door [appellante] gelegde beslag moest worden opgeheven omdat daar geen of te weinig grondslag voor bleek te bestaan. Dit alles heeft geleid tot hoogopgelopen proceskosten van [geïntimeerde 1] en nu ook de BV, die mede de oorzaak zijn voor het feit dat in de onderhavige procedure niet tot afstorting van pensioen kan worden overgegaan. Bij arrest van 26 maart 2026 van dit hof heeft het hof al overwogen dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot het voeren van procedures tegen de man en heeft het hof de vrouw in de proceskosten veroordeeld, het hof verwijst naar productie 72 van de akte van geïntimeerden. Uit productie 73 van voormelde akte volgt dat [appellante] [geïntimeerde 1] op 7 april 2026 wederom in hoger beroep heeft gedagvaard met betrekking tot appel van een vonnis van 11 maart 2026. Er komt geen eind aan alle procedures die [appellante] voert en blijft voeren. Gezien de proceshouding van [appellante] is het hof van oordeel dat zij hiermee al met al misbruik van procesrecht maakt ten opzichte van [geïntimeerde 1] . Het hof zal [appellante] veroordelen in de werkelijke proceskosten conform de opgave van de advocaat van geïntimeerden (in punt 1.30 van de akte van geïntimeerden van 21 mei 2026 en de daarbij overgelegde productie 78), nu deze opgave in hoger beroep onbestreden is gebleven. Het gaat daarbij om een bedrag van € 15.888,- inclusief het griffierecht ad € 6.803,-.

5.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden vonnissen van: 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 van de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen;
veroordeelt [appellante] in de werkelijke proceskosten van geïntimeerden ter hoogte van € 15.888,- (inclusief griffierecht);
verklaart dit arrest met betrekking tot de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Dit arrest is gewezen door mr. A.N. Labohm, mr. A.F. Mollema en P.C. van Es en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.