ECLI:NL:GHDHA:2026:1804

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
200.360.876/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:258 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over beloning professionele executeur bij onvoorziene omstandigheden

De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter over de beloning van een opvolgend professionele executeur. In het testament was het loon van de executeur vastgesteld op 1% van het saldo van de nalatenschap, met de mogelijkheid voor de kantonrechter om bij onvoorziene omstandigheden een andere beloning vast te stellen.

Na het overlijden van de erflaatster werd de verzoekster als executeur geschorst en ontslagen, waarna een stichting met een notariskantoor als professionele executeur werd benoemd. De stichting bracht werkzaamheden in rekening op basis van een uurtarief, wat de verzoekster betwistte en stelde dat alleen het testamentaire loon van 1% van het saldo van de nalatenschap verschuldigd was.

Het hof oordeelt dat de benoeming van een professionele executeur een onvoorziene omstandigheid is, omdat de erflaatster niet had voorzien dat de verzoekster haar taak niet zou voortzetten. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om vast te houden aan het testamentaire loon. De stichting mag de kosten van de procedure en haar werkzaamheden ten laste van de nalatenschap brengen. De verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bepaalt dat de professionele executeur recht heeft op loon op basis van het uurtarief en dat de kosten van de procedure ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.360.876/01
zaaknummer rechtbank : 11662918 EJ VERZ 25-75281
beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2026
inzake
[de verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de verzoekster,
advocaat mr. D. Tap te Den Haag,
tegen
[de stichting] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de stichting,
advocaten mrs. E.J. Lievense en M.E. Ernens te Rotterdam.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
- [belanghebbende 1] ,
wonende te [woonplaats] , Spanje,
hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,
- [belanghebbende 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 2] ,
- [belanghebbende 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 3] .

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De verzoekster is op 29 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De stichting heeft op 9 februari 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De verzoekster heeft op 27 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van verzoekster van 5 december 2025 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum;
- een brief van de zijde van [belanghebbende 3] van 11 februari 2026 waarin zij zich afmeldt voor de mondelinge behandeling bij het hof;
- een journaalbericht van de zijde van de stichting van 2 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de verzoekster, bijgestaan door mr. Tap;
- de stichting, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , en bijgestaan door mr. Lievense en mr. Ernens ;
- [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. [belanghebbende 3] is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.
De advocaat van de verzoekster en de advocaat mr. Lievense van de stichting hebben tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Op 12 januari 2023 is in de gemeente [gemeente 2] overleden: [de erflaatster] , geboren op [geboortedatum] 1932 in [geboorteplaats] (hierna te noemen: de erflaatster).
3.3
De erflaatster heeft voor het laatst op 24 januari 2011 bij testament, verleden voor [notaris] , notaris in [vestigingsplaats] , over haar nalatenschap beschikt. In het testament zijn de verzoekster, [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , ieder voor gelijke delen, tot erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Verder is in het testament de verzoekster tot executeur benoemd. Erflaatster heeft ten aanzien van het loon van de executeur in haar testament bepaald:
Het loon
De executeur komt als loon een procent “1%” van het saldo van mijn vermogen op mijn sterfdag toe. De door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten komen voor rekening van mijn erfgenamen, naar rato van hun verkrijging. Op grond van onvoorziene omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de executeur of een van de erfgenamen, de beloning anders regelen dan hierboven is aangegeven.”
3.4
Bij de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 14 april 2023 is de verzoekster met onmiddellijke ingang geschorst als executeur en is [het notariskantoor] (hierna te noemen: het notariskantoor) via de stichting benoemd tot waarnemend executeur. Bij beschikking van 17 augustus 2023 is de verzoekster ontslagen als executeur en is de stichting benoemd tot opvolgend executeur.
3.5
In de brieven van het notariskantoor aan alle erfgenamen van 21 april 2023 staat, voor zover hier van belang:
“Tenslotte meld ik dat onze werkzaamheden worden verricht volgens uurtarief, zijnde € 275,00 exclusief BTW, kantoorkosten en eventueel verschuldigde griffierechten. Voor een (kandidaat-)notaris. Voor andere medewerkers geldt een lager uurtarief. Onze declaraties zullen in beginsel worden voldaan uit het saldo van de nalatenschap.”
3.6
Het notariskantoor heeft aan de (erven van de) nalatenschap diverse facturen gestuurd voor de door haar ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap verrichtte werkzaamheden.

4.De omvang van het geschil

4.1
De verzoekster heeft in eerste aanleg de kantonrechter, kort gezegd, verzocht om te bepalen dat alleen de stichting en niet het aan haar verbonden notariskantoor ( [het notariskantoor] ) recht heeft op loon en dat dit loon 1% van het saldo van het vermogen van de erflaatster op de datum van haar overlijden bedraagt. Ook heeft zij verzocht om te bepalen dat het door de stichting teveel in rekening gebrachte en/of gefactureerde teruggestort moet worden en te bepalen dat de proceskosten en de kosten van de stichting in het kader van de procedure niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht.
De stichting heeft de kantonrechter verzocht om te bepalen dat de uurtarieven van de stichting, althans het aan haar verbonden notariskantoor kunnen worden gehanteerd dan wel het loon vast te stellen conform de Recofa-richtlijnen.
4.2
De kantonrechter heeft, wat de verzoeken van de verzoekster betreft, bepaald dat de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden, niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
Verder heeft de kantonrechter bepaald ten aanzien van de verzoeken van de stichting dat de stichting recht heeft op het loon conform het uurtarief van haar kantoor, althans het aan haar verbonden notariskantoor gebruikelijke uurtarief, voor de afwikkeling van nalatenschappen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4.3
De verzoekster verzoekt het hof haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bestreden beschikking, het hof begrijpt: met uitzondering van de beslissing betreffende de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, te vernietigen en alsnog rechtdoende te oordelen dat de stichting recht heeft op een loon ter hoogte van 1% van het saldo van de nalatenschap op de dag van overlijden van de erflaatster.
Indien mogelijk in het kader van deze procedure, verzoekt de verzoekster de stichting te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen aan de nalatenschap is onttrokken, al dan niet door betaling aan het notariskantoor, met veroordeling van de stichting in de kosten van beide procedures.
4.4
De stichting :
I. concludeert in principaal appel: dat het verzoek en/of de grieven van de verzoekster moeten worden afgewezen; en
II. verzoekt in incidenteel appel: dat de bestreden beschikking vernietigd wordt voor zover het de beslissing over de kosten van de stichting in het kader van de procedure betreft en, opnieuw rechtdoende, dat bepaald wordt dat de kosten van de stichting in het kader van zowel de procedure bij de kantonrechter als dit hoger beroep (waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht;
III. verzoekt bij aanvullend verzoek: dat de verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van de hoger beroepsprocedure ter hoogte van het liquidatietarief.
4.5
De verzoekster concludeert dat het incidenteel hoger beroep van de stichting moet worden afgewezen en de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de kosten van de executeur in het kader van de procedure in eerste aanleg niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht, bekrachtigd moet worden. Ook dient volgens de verzoekster de verzochte proceskostenveroordeling afgewezen te worden, met compensatie van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De motivering van de beslissing

Principaal hoger beroep
Beginsel van hoor en wederhoor
5.1
Het hof overweegt als volgt. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt met zich dat eventuele gebreken van de procedure in eerste aanleg in hoger beroep kunnen worden gerepareerd. Indien en voor zover er al sprake van is geweest dat de kantonrechter in de rechtbank Den Haag het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, zoals de verzoekster stelt en de stichting betwist, is het hof van oordeel dat dit gebrek in hoger beroep is hersteld. In hoger beroep is gebleken dat de verzoekster over de stukken beschikt die volgens haar door de stichting vlak voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank zijn ingediend, en zij heeft hierop alsnog (in hoger beroep) kunnen reageren. Het hof zal daarom voorbijgaan aan de stelling van de verzoekster dat het beginsel van hoor en wederhoor in eerste aanleg is geschonden.
Beloning executeur
5.2
De verzoekster heeft drie grieven aangevoerd waarin zij, kort samengevat, betwist dat het benoemen van een professionele executeur een onvoorziene omstandigheid is die rechtvaardigt dat de opvolgende executeur recht heeft op een van het testament afwijkend loon. Ook is de verzoekster van mening dat de kantonrechter niet had mogen oordelen dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de testamentaire bepaling ten aanzien van het loon van de executeur niet mag worden verwacht. Daarnaast verzet de verzoekster zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het loon van de executeur met terugwerkende kracht gewijzigd moet worden.
5.3
De stichting heeft de grieven van de verzoekster gemotiveerd weersproken. De stichting meent, eveneens kort samengevat, dat aannemelijk is dat de erflaatster ervan uitging dat de verzoekster haar taak als executeur zou blijven vervullen. De benoeming van een professionele executeur vormt dan een onvoorziene omstandigheid, ondanks dat in het testament aan de kantonrechter de bevoegdheid is toegekend om een vervanger te benoemen. De stichting betoogt ook dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om ook ten aanzien van een onafhankelijke en professionele executeur vast te houden aan de testamentaire bepaling waarin het loon wordt gefixeerd op 1% van het saldo van de nalatenschap op de overlijdensdatum. Verder wordt door de stichting benadrukt dat bij de bereidverklaring namens de stichting kenbaar is gemaakt dat de taak van de executele zal worden uitgevoerd tegen het door het notariskantoor gebruikelijk gehanteerde uurtarief, waarna dit tarief ook uitdrukkelijk is vermeld. Volgens de stichting bepaalt artikel 6:258 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna ook: BW) dat de wijziging van een overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden, welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag worden verwacht, met terugwerkende kracht kan worden verleend.
5.4
Het hof overweegt als volgt. De vraag die in de onderhavige zaak moet worden beantwoord is of de stichting, als opvolgend en professioneel executeur, recht heeft op een hoger loon voor de executeur dan testamentair door de erflaatster is bepaald.
5.5
Het hof acht het, evenals de kantonrechter en op dezelfde gronden, na een eigen afweging, aannemelijk dat de erflaatster bij de benoeming van de verzoekster als executeur, ervan is uitgegaan dat de verzoekster als executeur zou blijven fungeren. De erflaatster heeft in haar testament niet geanticipeerd op de huidige verstoorde verhouding tussen de erfgenamen als gevolg waarvan de benoeming van een
professioneleexecuteur noodzakelijk was om de nalatenschap af te wikkelen. Derhalve is, zo is het hof met de kantonrechter van oordeel, sprake van een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW Pro. Gelet hierop acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om ongewijzigde instandhouding van het in het testament opgenomen loon van de executeur te verwachten.
5.6
De kantonrechter heeft de stichting als opvolgend executeur bij beschikking van 17 augustus 2023 benoemd. Hieraan voorafgaand had de kantonrechter in het kader van een voorlopige voorziening het notariskantoor via de stichting reeds bij beslissing van 14 april 2025 als waarnemend executeur benoemd. In het inleidend verzoek van 28 februari 2023 van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , waarin zij verzoeken de stichting tot executeur te benoemen, is vermeld wat het uurtarief van de opvolgend executeur, zijnde het notariskantoor via de stichting, was. Daarna, op 21 april 2023, heeft het notariskantoor een brief verstuurd aan alle erfgenamen, waaronder de verzoekster, met daarin het uurtarief genoemd (zie ook hiervoor) en vermeld dat het kantoor, via de stichting, als waarnemend executeur is benoemd. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stellingen van de verzoekster dat op geen enkel moment gedurende de procedures over de schorsing en het ontslag, van de zijde van stichting is aangegeven dat de stichting aanspraak zal gaan maken op een van het testament afwijkend loon en dat het notariskantoor de werkzaamheden zal verrichten. De verzoekster had op het moment van de benoeming door de kantonrechter van de professionele executeur kunnen weten dat de executeur onder de voorwaarde van zijn uurtarief, de benoeming op zich had aanvaard. Dit klemt te meer nu verzoekster in haar brief van 24 mei 2023 aan [vertegenwoordiger 1] schrijft ‘
ivm met de hoge kosten en uurloon wat u en uw colleges berekent’.
5.7
Op grond van het voorgaande, is het hof van oordeel dat de erfgenamen ervan uit hadden moeten gaan dat de opvolgend executeur niet zijn werkzaamheden zou verrichten voor 1% van het saldo van de nalatenschap. De grieven 2 en 3 van de verzoekster falen.
Het hof is, met de stichting, van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de wijziging van het loon met terugwerkende kracht in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid. Voor zover deze stelling van de verzoekster bedoeld was als vierde grief, faalt ook deze.
Incidenteel hoger beroep
5.8
Gelet op het voorgaande is de stichting vanaf de aanvang van haar werkzaamheden duidelijk geweest over de in rekening te brengen tarieven; deze tarieven zijn naar het oordeel van het hof voor een professionele bewindvoerder redelijk. Dit brengt mee dat, anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, de executeur de kosten in het kader van de procedure in eerste aanleg en ook de kosten van de hoger beroepsprocedure (waaronder uitdrukkelijk, doch niet uitsluitend, begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) ten laste van de nalatenschap mag brengen. Het hof zal dan ook het incidentele verzoek van de stichting toewijzen.
Proceskostenveroordeling
5.9
Het hof ziet aanleiding om gezien de uitkomst van de procedure, zoals verzocht door de stichting, de verzoekster als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep overeenkomstig het liquidatietarief. Het hof begroot de kosten op € 2.953,-.
Bewijsaanbod
5.1
Gezien de uitkomst van de procedure komt het hof niet meer toe aan het door de stichting gedane bewijsaanbod.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025 voor zover daarin is bepaald dat de kosten van de stichting in het kader van de kantonprocedure, waaronder uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden, niet ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de executeur de kosten in het kader van de procedure in eerste aanleg en ook de kosten van de onderhavige hoger beroepsprocedure (waaronder uitdrukkelijk, doch niet uitsluitend, begrepen alle voorbereidende en andere werkzaamheden) en ook de kosten van de onderhavige hoger beroepsprocedure ten laste van de nalatenschap mag brengen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt voor het overige de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 31 juli 2025;
veroordeelt de verzoekster in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de stichting begroot op € 373,- voor verschotten en op € 2.580,- salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, A.N. Labohm en A.S. Mertens - de Jong, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer - van Zeggeren als griffier en is op 27 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.