Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1800

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
200.348.654/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 5:42 BWArt. 130 RvArt. 353 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in burengeschil over schuttingen, beplanting en hinder

Partijen zijn buren met verstoorde verhoudingen en hebben diverse vorderingen over schuttingen, beplanting en hinder aanhangig gemaakt bij de kantonrechter en in hoger beroep. De kantonrechter had onder meer bepaald dat appellanten mee moesten werken aan vervanging van schuttingen en snoeiwerkzaamheden.

In hoger beroep vorderen partijen wijzigingen in de hoogte van de schutting, het snoeien van bomen en het verplaatsen van een lamp. Het hof oordeelt dat de schutting aan de voorzijde 2 meter hoog mag zijn voor de eerste meter uit de gevel en 1 meter voor de rest, wijzigt het vonnis dienovereenkomstig en bevestigt dat de beplanting onrechtmatige hinder veroorzaakt.

Nieuwe vorderingen van appellanten over de lamp op het balkon en de sparreboom worden toegewezen omdat geïntimeerde daartegen geen verweer voerde. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten. Het hof verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige vorderingen af.

Uitkomst: Het hof wijzigt de hoogte van de schutting, bevestigt onrechtmatige hinder door beplanting, wijst nieuwe vorderingen toe en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.654/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10657581 RL EXPL 23-13338
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant 1],

2.
[appellant 1],
beiden wonend in [woonplaats],
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.P. Koerselman, kantoorhoudend in Zoetermeer,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.J. van Kuijk, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellanten] en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

1.1
Partijen zijn buren van elkaar. De onderlinge verhoudingen zijn verstoord en zij hebben over en weer vorderingen ingesteld bij de kantonrechter.
1.2
Het hof komt op onderdelen tot een iets ander oordeel dan de kantonrechter. Partijen hebben inmiddels bovendien weer nieuwe geschilpunten. Het hof wijst de daaruit voortvloeiende vorderingen gedeeltelijk toe.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 14 november 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 september 2024 (verbeterd bij vonnis van 17 oktober 2024);
  • de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis in reconventie, van [appellanten], met bijlagen;
  • de memorie van antwoord, tevens houdende wijziging van eis in conventie en bezwaar tegen de eiswijziging in reconventie, van [geïntimeerde];
  • de akte uitlaten memorie van antwoord inhoudende wijziging van eis in conventie van [appellanten];
  • de antwoordakte uitlaten memoriewisseling van [geïntimeerde].

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Partijen zijn buren. [geïntimeerde] woont aan de [adres 1] en [appellanten] aan de [adres 2].
3.2
[geïntimeerde] heeft sinds 2019 verschillende meldingen gedaan bij de politie over het geschil met [appellanten]
3.3
Bij brief van 20 januari 2022 heeft de advocaat van [geïntimeerde] gesommeerd om mee te werken aan vervanging dan wel aanpassing van de erfafscheidingen in de achtertuin, de voortuin en op het dakterras, mee te werken aan de verwijdering van een hibiscus-plant in de voortuin, de paaltjes, ijzeren platen en een gaaspaneel in de voortuin te verwijderen, snoeiwerkzaamheden te verrichten en geen onrechtmatige hinder meer te veroorzaken. De advocaat van [appellanten] heeft hier bij brief van 1 juni 2022 in overwegende mate afwijzend op gereageerd.
3.4
Nadat deze bodemprocedure aanhangig was gemaakt hebben partijen een kort geding gevoerd. Tijdens de zitting in het kort geding hebben partijen afspraken gemaakt over de manier waarop zij met elkaar zouden omgaan.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[geïntimeerde] heeft [appellanten] gedagvaard en gevorderd (samengevat weergegeven):
[appellanten] te bevelen mee te werken aan vervanging van de mandelige schutting in de achtertuin en de kosten van die vervanging voor de helft te dragen;
[appellanten] te bevelen mee te werken aan het oprichten van een mandelige schutting in de voortuin en op het dakterras en de kosten daarvan voor de helft te dragen;
[appellanten] te veroordelen om de bomen, heggen en heesters die bij [appellanten] binnen een halve meter van de erfgrens in de achtertuin staan, te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel deze zodanig te snoeien dat zij niet meer boven de schutting uitkomen en tegen de schutting aan drukken;
[appellanten] te veroordelen om de bomen, heggen en heesters die bij [appellanten] binnen een halve meter van de erfgrens in de voortuin staan te verwijderen;
voor recht te verklaren dat de hibiscus in de voortuin onrechtmatige hinder veroorzaakt en [appellanten] te veroordelen om de hibiscus te verwijderen, althans te snoeien tot 1 meter;
[appellanten] te veroordelen in de kosten van het geding.
[geïntimeerde] vorderde daarbij dat aan de veroordelingen een dwangsom zou worden verbonden.
4.2
In reconventie vorderden [appellanten] (samengevat weergegeven):
[geïntimeerde] te veroordelen tot ondertekening over te gaan van de meest recente offerte van de firma Houtbetonschutting, en mee te werken aan levering en montage van de schutting, en verwijdering van de oude schutting in de achtertuin;
[geïntimeerde] te veroordelen een deurstopper op het dakterras aan te brengen.
Ook [appellanten] vorderden dat aan de veroordeling een dwangsom zou worden verbonden.
4.3
De kantonrechter heeft in conventie:
a) [appellanten] veroordeeld mee te werken aan het opvragen en ondertekenen van een nieuwe offerte van de hovenier [hovenier] ten aanzien van het plaatsen van schuttingen in de achtertuin, voortuin en op het dakterras en het verwijderen en afvoeren van de oude schuttingen en beplanting, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
b) [appellanten] veroordeeld om binnen drie maanden na verstrekking van de opdracht aan [hovenier], medewerking te verlenen bij de uitvoering van de werkzaamheden door [hovenier], waarbij gebruik wordt gemaakt van materiaal van Hornbach, met de juiste afmetingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
c) [appellanten] veroordeeld in de helft van de kosten van het materiaal en de facturen van [hovenier];
d) [appellanten] veroordeeld om binnen een maand na betekening van het vonnis de heesters en heggen in de achtertuin terug te snoeien tot maximaal de hoogte van de (nog te plaatsen) scheidsmuur, waarbij het snoeiafval niet in de tuin van [geïntimeerde] mag worden gegooid.
Aan de uitgesproken veroordeling zijn dwangsommen verbonden.
4.4
In reconventie heeft de kantonrechter:
a) [geïntimeerde] veroordeeld op het dakterras een deurstopper aan te brengen.
4.5
De kantonrechter heeft [appellanten] veroordeeld in de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellanten] vorderen dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd. Zij hebben hun eis in reconventie gewijzigd en vorderen nu:
[geïntimeerde] te veroordelen tot het terugbrengen van de schutting in de voortuin naar een hoogte van 1 meter, op straffe van een dwangsom;
[geïntimeerde] te veroordelen tot het verplaatsen van de lamp op het balkon op zodanige wijze dat deze geen licht op het balkon van [appellanten] werpt, op straffe van een dwangsom;
[geïntimeerde] te veroordelen de sparreboom in de achtertuin terug te snoeien tot een hoogte van maximaal drie meter, op straffe van een dwangsom;
[geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding.
5.2
[geïntimeerde] heeft zijn eis ook gewijzigd en vordert in hoger beroep dat [appellanten] op straffe van een dwangsom worden veroordeeld medewerking te verlenen aan het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de mandelige schutting in de voortuin, en te bepalen dat partijen ieder de helft van de leges moeten dragen. Verder vordert hij dat [appellanten] worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

6.Beoordeling in hoger beroep

Inleiding

6.1
Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging door de andere partij. Dat bezwaar faalt omdat artikel 130 Rv Pro een eiswijziging toestaat. Dat geldt ook in hoger beroep (art. 353 Rv Pro). [appellanten] hebben in eerste aanleg al een eis in reconventie geformuleerd en het staat hen vrij die eis in hoger beroep te wijzigen. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake.
6.2
Partijen hebben beiden verzocht hun stellingen uit eerste aanleg “als hier herhaald en ingelast te beschouwen.” Zo’n algemene opmerking voldoet niet aan de eisen die aan een grief mogen worden gesteld. Het hof zal de stellingen uit eerste aanleg in de beoordeling betrekken voor zover de devolutieve werking van het hoger beroep dat meebrengt.
6.3
Het hof stelt vast dat [appellanten] geen grief hebben aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij gehouden zijn mee te werken aan de vervanging van de schutting in de achtertuin (rov. 5.3). Dat oordeel staat in hoger beroep dus niet ter discussie. Datzelfde geldt voor het oordeel van de kantonrechter over de schutting op het dakterras.
6.4
Met grief 1 komen [appellanten] op tegen de overweging van de kantonrechter dat zij onvoldoende bereidwillig waren om een oplossing te zoeken. Die overweging is echter niet dragend voor de uitgesproken veroordeling, zodat de daartegen gerichte grief – en het antwoord daarop - onbesproken kan blijven.
6.5
[geïntimeerde] heeft in zijn antwoordakte na memoriewisseling bezwaar gemaakt tegen de akte van [appellanten] Dat bezwaar is door de rolraadsheer al verworpen, waarbij is opgemerkt dat inhoudelijke bezwaren in een processtuk aan de behandelende combinatie van raadsheren moeten worden voorgelegd. [geïntimeerde] heeft zich ertegen verzet dat in de akte in strijd met de tweeconclusieregel nieuwe stellingen worden ingenomen. Dat bezwaar is terecht opgeworpen voor zover er in de akte nieuwe onderwerpen zijn aangesneden. In dat verband is van belang dat [appellanten] in hun akte uitlaten memorie van antwoord inhoudende wijziging eis in conventie een opsomming hebben gegeven van volgens hen “aantoonbare feiten”. Voor zover die feiten geen relevantie hebben voor enige eerder geformuleerde vordering (en dus nieuw zijn), laat het hof die onbesproken.
6.6
Op zijn beurt heeft [geïntimeerde] in zijn laatste akte ook weer nieuwe verwijten aan [appellanten] gemaakt. [appellanten] hebben daar niet op kunnen reageren en voor zover die verwijten niet resulteren in een vordering laat het hof die ook al om die reden onbesproken.
Grief II
6.7
Grief II van [appellanten] richt zich kennelijk tegen het oordeel van de kantonrechter dat de aan de voorzijde te plaatsen schutting voor de eerste 1,5 meter uit de gevel, 2 meter hoog moet zijn. Volgens [appellanten] is deze hoogte slechts toegestaan voor de eerste meter uit de gevel. Zij willen echter dat de schutting over de hele lengte één meter hoog zal zijn.
6.8
[geïntimeerde] betwist niet dat een schutting met een hoogte van twee meter slechts (vergunningsvrij) is toegestaan voor de eerste meter uit de gevel. Hij betoogt dat partijen dan maar een vergunning moeten aanvragen en vordert dat [appellanten] worden veroordeeld mee te werken aan het aanvragen van zo’n vergunning.
6.9
Dat aanvragen van een vergunning om een in beginsel verboden toestand te legaliseren komt het hof onnodig omslachtig voor, zeker gezien het feit dat [geïntimeerde] niet voldoende heeft onderbouwd waarom het eerste (hoge) deel van de schutting 1,5 meter lang moet zijn. Het is ongetwijfeld juist dat het beter is dat partijen elkaar met rust laten, maar dat dáárvoor juist die extra halve meter nodig is, blijkt niet. Integendeel, in zijn vordering ging [geïntimeerde] uit van een schutting van één meter hoogte over de volledige grens van de voortuin (randnummer 22 dagvaarding). [geïntimeerde] stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter in stand moet blijven, zodat hij kennelijk nu een hogere schutting wil. Het hof heeft daarvoor, gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen, begrip, voor zover die schutting zonder vergunning mag bestaan. Dat het nodig is dat de schutting over een grotere lengte 2 meter hoog moet zijn, is uit de stellingen van [geïntimeerde] niet af te leiden. Het hof zal de veroordeling daarom in die zin aanpassen dat de schutting 2 meter hoog moet zijn voor de eerste meter uit de gevel en voor het overige één meter. De vraag of de door de kantonrechter bevolen schutting zonlicht uit de woning van [appellanten] weghoudt, kan daarom onbesproken blijven. In ieder geval is onvoldoende onderbouwd dat dit bezwaar ook bestaat wanneer de schutting voor slechts één meter uit de gevel een hoogte heeft van twee meter.
6.1
[geïntimeerde] heeft zich niet verzet tegen de in hoger beroep geformuleerde vordering dat hij wordt veroordeeld de schutting in de voortuin aan te passen. Het hof acht die vordering toewijsbaar, ook omdat het [geïntimeerde] is geweest op wiens vordering de kantonrechter de hogere schutting heeft bevolen. De gevorderde dwangsom als prikkel tot nakoming acht het hof gepast, zij het tot € 100,- per dag met een maximum van € 1.000,-.
Grief III
6.11
Met grief III komen [appellanten] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij de bomen en heesters moeten snoeien. Zij voeren aan dat de bomen, heesters en heggen zich niet binnen de afstand van 0,5 meter van de erfgrens bevinden. Verder voeren zij, onder verwijzing naar een arrest van dit hof dat is gewezen in een procedure met hun andere buren, aan dat de wet geen hoogtebeperking kent.
6.12
Op grond van artikel 5:42 leden Pro 1 en 2 BW is het niet geoorloofd om binnen twee meter van de erfgrens bomen, en binnen een afstand van 0,5 meter heesters of heggen te hebben, tenzij in de plaatselijke verordening een kleinere afstand is toegelaten. Tussen partijen is niet in geschil dat in de plaatselijke verordening van de gemeente Pijnacker-Nootdorp is bepaald dat deze afstand voor bomen 0,5 meter is en voor heesters en heggen 0 m. Dat betekent dat heesters en heggen direct naast de erfgrens op eigen terrein kunnen worden geplaatst. Uit artikel 5:42 lid 3 BW Pro volgt dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of hagen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven, ook niet wanneer deze in de “verboden zone” staan.
6.13
Artikel 5:42 BW Pro laat onverlet dat geen onrechtmatige hinder mag worden veroorzaakt door te hoge bomen, planten of heesters. Uit artikel 5:37 BW Pro volgt immers dat een eigenaar niet op een wijze of in een mate die onrechtmatig is hinder mag toebrengen door (onder meer) het onthouden van licht en lucht aan een nabuur. Of sprake is van een onrechtmatige toestand, is afhankelijk van de aard, de duur en de ernst van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Dat de wet beplanting niet als zodanig in hoogte begrenst doet geen afbreuk aan deze bepaling.
6.14
De kantonrechter heeft aan de hand van de foto’s geoordeeld dat het evident is dat de beplanting in de tuin van [appellanten] hinder veroorzaakt voor [geïntimeerde]. [appellanten] voeren daartegen aan dat hun planten vanwege de zonligging geen schaduw in de tuin van [geïntimeerde] kunnen werpen. Zij voeren verder aan dat zij nimmer snoeiafval in de tuin van [geïntimeerde] laten vallen.
6.15
De stelling van [geïntimeerde] dat hij heggen en heesters binnen een afstand van 0,5 meter van de erfgrens simpelweg niet hoeft te dulden, miskent dat in de APV van de gemeente Pijnacker-Nootdorp nu juist is afgeweken van de wettelijke bepaling en dat de verboden afstand voor heesters en heggen is bepaald op 0 meter.
6.16
Dat de heesters en heggen de schutting omver duwden zal verholpen zijn met het vervangen van de schutting.
6.17
Niettemin deelt het hof het oordeel van de kantonrechter dat de beplanting in de tuin van [appellanten] onrechtmatige hinder veroorzaakte (het hof gaat ervan uit dat gevolg is gegeven aan het oordeel van de kantonrechter en dat er inmiddels is gesnoeid). Op de foto’s is te zien dat de planten ruimschoots uitstaken boven de gemeenschappelijke schutting. Weliswaar zal vanwege de zonligging van de huizen daardoor geen schaduw in de tuin van [geïntimeerde] worden veroorzaakt, maar de planten namen wel uitzicht op de lucht en daarmee ook licht weg, hetgeen afbreuk kan doen aan het ruimtelijk gevoel dat in een tuin kan bestaan. Het hof zal daarom het vonnis van de kantonrechter op dit punt bekrachtigen.
6.18
De kantonrechter heeft verder geoordeeld dat de hibiscus moet worden verwijderd voor zover dit nodig is voor het plaatsen van de nieuwe scheidsmuur en dat hij anders moet worden teruggebracht tot de hoogte van die scheidsmuur. Het hof kan zich met deze veroordeling verenigen, zij het op andere gronden. [geïntimeerde] heeft voldoende onderbouwd dat de hibiscus het zicht op eventuele voetgangers wegneemt en daarmee onrechtmatige hinder veroorzaakt. Het vonnis van de kantonrechter zal daarom op dit punt worden bekrachtigd.
De lamp op het balkon en de sparreboom
6.19
Partijen hebben inmiddels weer nieuwe geschilpunten en te vrezen is dat zij ook na dit arrest weer nieuwe geschilpunten zullen krijgen. Het eerste nieuwe geschilpunt is een lamp op het balkon van [geïntimeerde], waarvan [appellanten] last hadden. Verder betogen zij dat de sparreboom in de tuin van [geïntimeerde] onrechtmatige hinder veroorzaakt.
6.2
[geïntimeerde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vorderingen. Hij heeft slechts betoogd dat deze vorderingen niet voor het eerst in hoger beroep mogen worden geformuleerd. Dat betoog is onjuist en dat had voor de advocaat van [geïntimeerde] duidelijk moeten zijn. De keuze om geen verweer te voeren tegen de nieuwe vorderingen en de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd, brengt mee dat het hof moet uitgaan van de juistheid van die gestelde (en dus niet weersproken) feiten. Die feiten kunnen op zich de vorderingen dragen, zodat het hof zij moet toewijzen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen op de hierna in het dictum te formuleren wijze.
Overige stellingen van partijen
6.21
De overige stellingen die partijen hebben ingenomen over hun onderlinge verhoudingen hebben geen relevantie voor enige vordering en kunnen dus onbesproken blijven.
Conclusie en proceskosten
6.22
Het voorgaande betekent het volgende. Het vonnis van de rechtbank wordt in zoverre vernietigd (en er wordt in zoverre opnieuw recht gedaan) dat:
de in 6.1, 6.2 en 6.3 van het vonnis bedoelde medewerking van [appellanten] aan de schutting in de voortuin verlangd wordt ten aanzien van een schutting met een hoogte van 2 meter voor de eerste meter lengte vanuit de gevel en een hoogte van één meter voor de overige lengte;
voor zover de hibiscus niet hoeft te worden verwijderd voor het plaatsen van de schutting in de voortuin, het hof het oordeel van de rechtbank bekrachtigt dat de hibiscus moet worden gesnoeid (dat betekent dat de hibiscus wel helemaal weg moet als dat voor het plaatsen van de schutting nodig is);
de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand blijft aangezien [appellanten] nog steeds hebben te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij;
e nieuwe vordering van [geïntimeerde] om mee te werken aan de aanvraag voor een vergunning wordt afgewezen;
de nieuwe vorderingen van [appellanten] die betrekking hebben op de lamp op het balkon en de sparreboom als onweersproken worden toegewezen;
in hoger beroep de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
6.23
Het bewijsaanbod van [appellanten] wordt gepasseerd omdat het betrekking heeft op het overleggen van bescheiden. Daarvoor geldt dat een partij die zich op bepaalde bescheiden wenst te beroepen, die bescheiden zelfstandig in het geding moet brengen, zonder dat daarvoor een bewijsopdracht wordt gegeven. Het bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt gepasseerd omdat het niet kenbaar betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 september 2024 in zoverre (en er wordt in zoverre opnieuw recht gedaan) dat:
a. de in 6.1, 6.2 en 6.3 van het vonnis bedoelde medewerking van [appellanten] aan de schutting in de voortuin verlangd wordt ten aanzien van een schutting met een hoogte van 2 meter voor de eerste meter lengte vanuit de gevel en een hoogte van één meter voor de overige lengte;
  • bekrachtigt het vonnis voor het overige;
  • veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest de schutting in de voortuin terug te brengen tot de hiervoor onder a) bedoelde afmetingen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 1.000,-;
  • veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest de lamp op zijn balkon zodanig te verplaatsen dat deze geen direct licht meer op het balkon van [appellanten] werpt, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 1.000,-;
  • veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest te sparreboom in zijn tuin terug te snoeien tot een hoogte van 3 meter, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 1.000,-;
  • compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
  • verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm , mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en mr. J.N. de Blécourt en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.