Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1759

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
200.308.182/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 9 onder c BWArt. 7:683 lid 3 BWArt. 7:625 BWArt. 9 cao
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontbinding arbeidsovereenkomst wegens vermeend wegnemen geld uit kassa

In deze arbeidsrechtelijke zaak stond de ontbinding van de arbeidsovereenkomst centraal, waarbij de werkgever stelde dat de werknemer geld uit de kassa had weggenomen door onrechtmatige minbonnen aan te slaan. De werknemer betwistte dit en voerde aan dat hij op instructie van de werkgever handelde en dat er sprake was van een zwart geldcircuit binnen het bedrijf.

Het hof benoemde een deskundige die onderzoek deed naar de financiële administratie en contante betalingen. Uit het deskundigenrapport bleek dat er contante betalingen buiten de reguliere administratie plaatsvonden via een zogenoemd 'Potje Eigen Gebruik Personeel', maar dat niet kon worden vastgesteld dat de werknemer geld uit de minbonnen in eigen zak had gestoken.

Het hof oordeelde dat de werkgever onvoldoende bewijs had geleverd voor het verwijtbaar handelen van de werknemer en dat de ontbinding op die grond onterecht was. Wel was de arbeidsverhouding ernstig verstoord, zodat ontbinding op die grond gerechtvaardigd was. De werknemer kreeg recht op transitievergoeding en een deel van zijn loonvorderingen werd toegewezen, terwijl het hof verdere beslissingen aanhield om partijen gelegenheid te geven aanvullende stukken in te dienen.

Uitkomst: Ontbinding arbeidsovereenkomst bevestigd op grond van verstoorde arbeidsverhouding, ontbinding wegens verwijtbaar handelen vernietigd, gedeeltelijke toewijzing loonvorderingen en transitievergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team handel
Zaaknummer : 200.308.182/01
Zaaknummer rechtbank : 9424005 VZ VERZ 21-14972
Beschikking van 26 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. L.G. Wigboldus, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen:
[verweerster] , h.o.d.n. [verweerster],
wonend in [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.L. de Bruijn, kantoorhoudende in Rotterdam.
Het hof zal partijen hierna [verzoeker] en [verweerster] noemen.

1.Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1
Het hof heeft in deze zaak op 28 oktober 2025 een vijfde tussenbeschikking gegeven. Voor het verloop van de procedure tot aan die datum verwijst het hof naar die beschikking.
1.2
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • een memorie na deskundigenbericht van [verzoeker] van 9 december 2025, met bijlagen;
  • een antwoordmemorie na deskundigenbericht van [verweerster] van 10 februari 2026;
  • een akte nadere uitlating van [verzoeker] ingediend bij V-6 formulier van 4 maart 2026, met bijlagen;
  • een akte nadere uitlating van [verweerster] , ingediend bij V-6 formulier van 6 maart 2026, met bijlage;
  • een V-8 formulier van [verzoeker] van 9 maart 2026, met bezwaar tegen de laatste akte van [verweerster] ;
  • een V-8 formulier van [verweerster] van 9 maart 2026, met een reactie op het bezwaar.
1.3
[verzoeker] heeft in zijn V-8 formulier aangevoerd dat de akte van [verweerster] van 6 maart 2026 te laat is, omdat partijen reeds op 5 maart 2026 is medegedeeld dat er uitspraak zal worden gedaan. [verweerster] heeft in haar V-8 formulier aangevoerd dat in het rekestenjournaal sinds 26 februari 2026 per abuis als processtap stond ‘nadere informatie partijen’, terwijl de zaak vanaf die datum op ‘uitspraak’ had moeten staan. Als [verzoeker] wordt gevolgd in zijn stelling dat de akte van [verweerster] te laat is, dan geldt dat ook voor de akte van [verzoeker] van 4 maart 2026.
1.4
De stelling van [verweerster] dat de zaak in het rekestenjournaal te lang voor ‘nadere informatie’ heeft gestaan, is juist. Als gevolg van een administratieve fout is in het rekestenjournaal gedurende enige tijd niet de juiste processtap weergegeven. Wat hier ook van zij, [verzoeker] heeft bij akte van 4 maart 2026 nieuwe, relevante informatie in het geding gebracht die hij niet eerder had kunnen overleggen. Gelet op het beginsel van hoor en wederhoor was het [verweerster] toegestaan daarop bij akte te reageren, wat zij heeft gedaan op 6 maart 2026. Het bezwaar van [verzoeker] tegen de akte van 6 maart 2026 wordt daarom afgewezen.

2.Beoordeling in hoger beroep

De minbonnen en het verwijtbaar handelen van [verzoeker]

2.1
In de eerste tussenbeschikking van 15 november 2022 heeft het hof overwogen:
“5.6 [verzoeker] heeft erkend dat hij voor een aanzienlijk bedrag aan minbonnen heeft aangeslagen, zonder dat daarvoor een zakelijke reden bestond. Er was geen sprake van foutieve kassa-aanslagen die moesten worden gecorrigeerd of van het verwerken van personeelskortingen. Volgens [verzoeker] heeft hij de minbonnen aangeslagen op instructie van [verweerster] omdat zij behoefte had aan contant geld om het personeel af en toe zwart te kunnen betalen. [verweerster] heeft echter ontkend dat [verzoeker] op haar instructie handelde. [verzoeker] heeft [verzoeker] ook minbonnen aangeslagen op naam van andere medewerkers, zonder daarvoor een afdoende reden op te geven. Naar het oordeel van het hof doet het zonder zakelijke reden aanslaan van minbonnen vermoeden dat het [verzoeker] erom te doen was om geld weg te nemen. [verzoeker] stelt weliswaar dat hij de geldelijke tegenwaarde van de minbonnen altijd in de kluis van [verweerster] heeft gelegd, maar ook dat wordt door [verweerster] bestreden. Gesteld dat [verweerster] behoefte had aan een zwarte geldstroom, dan is het voor het hof niet direct duidelijk waarom [verweerster] daarvoor [verzoeker] inschakelde en waarom [verzoeker] bereid was daaraan mee te werken, hoewel deze handelwijze voor hem persoonlijk risicovol zou kunnen zijn.”
2.2
[verzoeker] heeft daartegenover onder meer aangevoerd dat hij altijd in alle openheid handelde. Hij was ermee bekend dat er in de winkel camera’s waren aangebracht waarop te zien was welke kassahandelingen de medewerkers uitvoerden. Bovendien waren de minaanslagen voor [verweerster] duidelijk zichtbaar op de dagelijkse en maandelijkse overzichten die worden uitgedraaid van de kassa. Het ligt daarom niet voor de hand dat [verzoeker] zonder medeweten van [verweerster] grote hoeveelheden (onterechte) minbonnen heeft aangeslagen. [verzoeker] handelde ter zake van de minbonnen op instructie van [verweerster] . Omdat hij in een afhankelijkheidspositie verkeerde, heeft hij haar instructies opgevolgd. In de eerste tussenbeschikking heeft het hof geoordeeld dat het op de weg van [verzoeker] ligt om zijn stellingen nader met bewijs te onderbouwen, zodat hij het door [verweerster] geleverde bewijs kan ontzenuwen.
2.3
Hierna hebben getuigenverhoren plaatsgevonden. In r.o. 2.5 van de derde tussenbeschikking van 21 mei 2024 heeft het hof overwogen dat op basis van de getuigenverklaringen nog niet kan worden vastgesteld of [verzoeker] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Uit de getuigenverklaringen van [verzoeker] , [verweerster] en [betrokkene 1] (als ook zijn tweede schriftelijke verklaring), de tweede schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] en de schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] komt wél naar voren dat sommige werknemers van de slagerij af en toe zwart werden uitbetaald, met name als zij extra werkten om ziekte of een vakantie van een collega op te vangen. Bij [verzoeker] gebeurde dat geregeld: hij ontving van [verweerster] om de week een bedrag van € 125 / € 135 contant voor het (extra) werken op donderdagen. [verweerster] heeft als getuige verklaard dat zij niet precies meer weet hoe vaak zij werknemers contant uitbetaalde; het was volgens haar niet wekelijks, maar misschien maandelijks. In de nummers19 en 20 van de antwoordmemorie na enquête brengt [verweerster] naar voren dat zij de contante betalingen voldeed uit haar eigen privégeld dat zij van haar eigen rekening haalde.
2.4
Gezien de stelling van [verzoeker] dat hij de minbonnen heeft aangeslagen op instructie van [verweerster] (mede) omdat zij (volgens [verzoeker] ) behoefte had aan contant geld om het personeel af en toe zwart te kunnen betalen, heeft het hof in de derde tussenbeschikking het voornemen uitgesproken om een deskundige te benoemen.
2.5
In de (vierde) tussenbeschikking van 9 mei 2025 is de heer [deskundige] RA CFE (forensisch registeraccountant) benoemd als deskundige. Aan hem zijn de volgende vragen voorgelegd:
1) Kunt u op basis van de financiële gegevens van [verweerster] en [verweerster] privé vaststellen op welke wijze en in welke mate [verweerster] contante betalingen deed aan haar personeel?
2) Zo ja, kunt u op basis van de beschikbare financiële gegevens een relatie leggen tussen die betalingen en de geldbedragen die op de minbonnen werden vermeld?
3) Kunt u op basis van de financiële gegevens vaststellen of [verzoeker] geld ter zake van de minbonnen in eigen zak heeft gestoken?
4) Heeft u vanuit uw deskundigheid voor het overige nog opmerkingen?
2.6
De deskundige heeft op 15 september 2025 zijn definitieve rapport uitgebracht. Daarin zijn de hiervoor opgesomde vragen als volgt beantwoord.
1) Er zijn op twee plaatsen contante betalingen aangetroffen.
a. Ten eerste blijkt uit de grootboekadministratie van de slagerij (rekening 100 Kasgeld) dat er in de periode 2019-2021 contante betalingen zijn gedaan aan de medewerkers. Dit betreffen toeslagen voor feestdagen, jubilea e.d. (€ 50-500). Uit het kasboek blijkt niet dat er andere contante betalingen aan medewerkers zijn gedaan in verband met overwerk / extra werk. Het meeste overwerk veroorzaakt door ziekte en vakanties wordt opgevangen door een herschikking van de planning en de roosters, zoals uit een steekproef blijkt. Wat resteert wordt via de salarisadministratie uitbetaald; de betalingen worden per bank gedaan. Uit de salarisadministratie over 2019-2021 blijkt dat er ruim 700 overuren (€ 9.998,42) via de salarisadministratie
per bankzijn uitbetaald.
b. Ten tweede bestaat er sinds 2009 een “Potje Eigen Gebruik Personeel” met contant geld. Op verzoek van de deskundige heeft [verweerster] een overzicht opgesteld over de periode 2009-2025 (juli). Er zijn geen onderliggende bescheiden beschikbaar. De ingaande kasstroom bestaat uit (i) betalingen door familieleden (vader en zus) voor door hen gedane inkopen bij de slagerij en (ii) de opbrengsten van door het personeel geconsumeerde broodjes. De uitgaande kasstroom betreft (i) kleine uitgaven die [verweerster] deed voor eigen boodschappen en (ii) (sinds 2018) aan [verzoeker] en andere werknemers betaald contant loon. Het saldo van het Potje bedroeg per 14 juli 2025 circa € 2.000,-.
2) Er bestaat geen relatie tussen de contante betalingen die geboekt zijn in de financiële administratie op Rekening 100 kasgeld en de geldbedragen die op de minbonnen werden vermeld. Over het Potje is de deskundige minder duidelijk. Hij schrijft dat de conclusie zou kunnen worden getrokken dat er in het Potje voldoende contante gelden zaten om [verzoeker] te betalen voor het overwerk, aangenomen dat het Potje bestaat en de inkomende kasstroom verifieerbaar is. Er is dan geen relatie tussen de betalingen aan [verzoeker] en de geldbedragen op de minbonnen, aldus de deskundige.
3) De deskundige heeft niet kunnen vaststellen dat [verzoeker] geld ter zake van de minbonnen in eigen zak heeft gestoken.
4) In de administratieve organisatie van [verweerster] zijn controlemiddelen- en momenten ingebouwd die gericht zijn op het betrouwbaar houden van met name de verantwoording van de winkelomzet. De administratieve organisatie bij [verweerster] voldoet aan de eisen die de belastingdienst hieraan stelt. Het weggooien van documenten en het kloppend maken van controledocumenten zoals de agenda, kunnen bewijs zijn van het maskeren van verduistering van contante gelden.
2.7
[verzoeker] heeft naar aanleiding van het deskundigenrapport aangevoerd dat de verklaringen van [verweerster] over de contante betalingen niet consistent zijn. Zo heeft [verweerster] aanvankelijk verklaard dat zij [verzoeker] contant heeft uitbetaald met geld dat zij van haar privé rekening heeft gehaald, terwijl de deskundige heeft vastgesteld dat dat onjuist is: de deskundige heeft de ING-rekening van [verweerster] privé onderzocht en vastgesteld dat er geen bedragen zijn opgenomen die voor contante betalingen aan personeel zijn gebruikt. [verweerster] heeft vervolgens haar verklaring gewijzigd en heeft het bestaan van een “Potje” geïntroduceerd dat werd gevuld door familieleden (vader en zus) die producten tegen inkoopprijs afnamen, en door medewerkers die betaalden voor belegde broodjes die zij voor de lunch bij [verweerster] inkochten, aldus [verzoeker] .
2.8
Verder heeft [verzoeker] erop gewezen dat [verweerster] in de civiele procedure en in de (tegen hem gevoerde) strafrechtelijke procedure verschillende verklaringen heeft afgelegd over het Potje.
  • In de civiele procedure heeft [verweerster] tegenover de deskundige verklaard dat er totaal maximaal € 156,- per maand binnenkwam: maximaal € 100,- per maand ter zake van betalingen door familieleden die producten tegen inkoopprijs afnamen, plus maximaal € 56,- aan belegde broodjes (€ 1,- per stuk) die medewerkers voor de lunch afnamen. Daartegenover staat een uitgaande geldstroom van maximaal € 472,- per maand: maximaal € 440,- per maand aan kleine boodschappen voor [verweerster] , € 250,- per maand voor overwerkvergoeding voor [verzoeker] en gemiddeld € 32,- per maand aan contante betalingen aan het personeel. Er zou dan een tekort moeten zijn van € 316,- per maand, wat niet strookt met het feit dat er op 14 juli 2025 € 2.000,- in het Potje zat.
  • In de strafzaak heeft [verweerster] verklaard dat het bedrag voor de inkomende kasstroom beduidend hoger ligt. Zij heeft toegelicht dat haar vader en zus privéboodschappen bij haar doen voor rond de € 50,- tot € 100,- per week per persoon. Ook de inkomsten ter zake van de aan het personeel verkochte broodjes heeft [verweerster] hoger ingeschat, namelijk op (afgerond) € 83,- per maand.
Ook op andere punten ziet [verzoeker] discrepanties met de verklaringen die [verweerster] over het Potje heeft afgelegd aan de deskundige.
2.9
Volgens [verzoeker] staat in ieder geval vast dat er een contante geldstroom buiten de reguliere administratie om heeft plaatsgevonden – een zwarte kas – waarvan de herkomst en bestemming niet verifieerbaar zijn. Dit betekent dat er sprake is van een financieel circuit waar geen zicht op bestaat en waarvan geen sluitende gegevens beschikbaar zijn. Het is niet ondenkbaar dat het zwartgeldcircuit veel groter is dan wat door [verweerster] wordt erkend en dat het geld van de minbonnen– via het Potje – is gebruikt om contante betalingen te doen, aldus [verzoeker] .
2.1
Tot slot heeft [verzoeker] naar voren gebracht dat de politierechter hem heeft vrijgesproken ter zake van (kort gezegd) verduistering wegens dienstbetrekking en (schuld-)witwassen. De politierechter heeft geoordeeld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was om vast te stellen dat er sprake was van wederrechtelijke toe-eigening, aldus [verzoeker] .
2.11
Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] de stellingen van [verzoeker] onvoldoende gemotiveerd betwist. [verweerster] heeft aangevoerd dat het Potje voor haar valt onder de noemer ‘eigen privégeld’ en dat zij dus naar waarheid heeft verklaard dat zij sporadisch overwerk uit privégeld heeft voldaan. Het gaat er in deze zaak echter niet om of [verweerster] het Potje beschouwde als haar eigen geld, maar wat de herkomst van dat geld was. Voor [verweerster] moet duidelijk zijn geweest dat het ging om inkomsten uit de slagerij die buiten de financiële administratie werden gehouden.
2.12
Uit het rapport van de deskundige volgt dat de deskundige is afgegaan op verklaringen van (uitsluitend) [verweerster] over hoe het Potje werd gevuld en welke betalingen vanuit het Potje werden gedaan. Wat betreft de inkomstenkant heeft [verweerster] aangeboden om door middel van het horen van getuigen te bewijzen voor welk bedrag haar vader en zus bij haar aan vleesproducten kochten. Het hof passeert dit bewijsaanbod als niet ter zake dienend. Ook als de getuigen vrij nauwkeurig zouden kunnen toelichten voor welk bedrag zij aan vleesproducten bij [verweerster] hebben gekocht, dan kunnen daar geen relevante conclusies uit worden getrokken ter zake van de vraag hoeveel geld er op een bepaald moment in het Potje zat en welke betalingen vanuit dat Potje werden verricht.
2.13
Verder heeft [verweerster] aangevoerd dat, als zou moeten worden aangenomen dat het geld van de minbonnen in het Potje terecht is gekomen, dan onverklaard is wat er met het overgrote deel van dat bedrag (zo’n € 35.000,-) is gebeurd. Ook hier geldt dat het hof uitsluitend de eigen verklaring van [verweerster] heeft wat de (huidige) omvang van het Potje is. Het is dus denkbaar dat het geldbedrag in het Potje hoger of lager is dan [verweerster] stelt. Dit is ook het probleem bij de overige stellingen van [verweerster] over de omvang van het Potje. Kortom, doordat het Potje buiten de boeken is gehouden, is het niet mogelijk vast te stellen of het Potje ook werd gevuld met geld van de door [verzoeker] aangeslagen minbonnen.
2.14
Op [verweerster] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die zij ten grondslag legt aan haar, op verwijtbaar handelen gebaseerde, ontbindingsverzoek, namelijk (a) dat [verzoeker] voor een aanzienlijk bedrag aan minbonnen heeft aangeslagen zonder dat daarvoor een zakelijke reden bestond en (b) dat hij dat geld in eigen zak heeft gestoken. Zoals in de eerste tussenbeschikking is overwogen, staat het vast dat [verzoeker] zonder zakelijke reden minbonnen heeft aangeslagen, maar is in geschil of hij het geld van de minbonnen in eigen zak heeft gestoken. Het hof heeft in die beschikking ook overwogen dat [verweerster] voorshands het bewijs heeft geleverd dat [verzoeker] het geld heeft weggenomen.
2.15
Op grond van het deskundigenbericht en de stellingen die partijen daarna hebben aangevoerd, is het hof van oordeel dat [verzoeker] het (voorshands door [verweerster] geleverde) bewijs dat hij het geld in eigen zak heeft gestoken, heeft ontzenuwd. Uit het deskundigenrapport volgt dat er [verweerster] inkomsten uit de slagerij buiten de boeken heeft gehouden en daarmee (onder meer) personeel contant heeft uitbetaald. Om welke bedragen het ging en welke betalingen [verweerster] daarmee deed, is niet meer met enige mate van zekerheid vast te stellen. Tegen deze achtergrond is het denkbaar dat [verzoeker] , naar hij stelt, het geld van de minbonnen op instructie van [verweerster] in de kluis heeft gelegd ten behoeve van de zwart geld stroom binnen het bedrijf van [verweerster] . De aannemelijkheid van het door [verweerster] geschetste scenario dat [verzoeker] het geld heeft weggenomen is daarmee afgenomen. Dit heeft tot gevolg dat de volle bewijslast weer op [verweerster] is komen te rusten.
2.16
[verweerster] heeft geen voldoende overtuigend bewijs geleverd dat [verzoeker] het geld in eigen zak heeft gestoken. Zo zijn er in de getuigenverklaringen niet of nauwelijks aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van die stelling. De getuigen verklaren weliswaar dat zij slechts sporadisch contant betaald kregen, maar die omstandigheid neemt niet weg dat [verweerster] aanvankelijk niet het achterste van haar tong heeft laten zien over de herkomst van dat contante geld. Van belang is nog wel dat [verweerster] stelt dat het niet logisch is dat zij [verzoeker] zou inschakelen voor het afromen van de inkomsten uit de slagerij, omdat zij – als zij dat al zou willen – ook zelf de minbonnen had kunnen aanslaan. Het hof kan die logica op zichzelf volgen, maar dit vormt geen bewijs van de juistheid van haar stelling dat [verzoeker] op eigen initiatief en voor eigen gewin heeft gehandeld.
2.17
De omstandigheid dat [verweerster] niet heeft kunnen bewijzen dat [verzoeker] het geld in eigen zak heeft gestoken, betekent overigens niet dat de tegenovergestelde stelling van [verzoeker] (dat hij het geld op verzoek van [verweerster] in de kluis heeft gelegd) is komen vast te staan. In het kader van het antwoord op de vraag of [verzoeker] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld, is slechts van belang of [verweerster] haar stellingen kan bewijzen. Op [verweerster] rust immers de bewijslast en daarmee het bewijsrisico.
2.18
De conclusie is dat de grieven van [verzoeker] over zijn (ernstig) verwijtbaar handelen gegrond zijn. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ten onrechte
op deze grondontbonden.
Gevolgen van het slagen van de grieven over het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker]
2.19
[verweerster] heeft in haar verzoekschrift in eerste aanleg verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen van [verzoeker] (e-grond), op grond van ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen (g-grond) of op grond van een cumulatie van deze gronden (de i-grond). Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep moet het hof beoordelen of de arbeidsovereenkomst op de g-grond of de i-grond had kunnen worden ontbonden.
2.2
[verzoeker] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat er geen sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding omdat [verweerster] geen poging had gedaan om het vertrouwen te herstellen door middel van mediation. In hoger beroep heeft [verzoeker] daarentegen aangevoerd dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op de verkeerde grondslag heeft ontbonden. Hij erkent dat er veel is gebeurd tussen partijen waardoor de banden ernstig zijn verstoord. Dit is volgens [verzoeker] te wijten aan ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] . Indien het hof tot het oordeel komt dat er geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid van [verweerster] , is hij van mening dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.
2.21
Het hof is van oordeel dat de arbeidsverhouding reeds in 2022 ernstig was verstoord als gevolg van de beschuldigingen over en weer over het al dan niet wegnemen van geld. Dat – naar [verzoeker] aanvankelijk stelde – van [verweerster] verlangd kon worden dat zij mediation zou inzetten om de verhoudingen weer te verbeteren, is gezien de aard van de beschuldigingen niet voor de hand liggend en kon ook niet van haar gevergd worden. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst dus behoren te ontbinden op grond van de g-grond. [verzoeker] heeft dit in hoger beroep in wezen ook erkend door te bepleiten dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op een verkeerde grondslag heeft ontbonden en te erkennen dat de banden tussen partijen ernstig zijn verstoord.
2.22
[verzoeker] heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding ten bedrage van € 238.530,60 bruto (zijnde vijf jaarsalarissen). In eerste aanleg heeft hij hieraan ten grondslag gelegd dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in art. 7:671b lid 9 onder c BW door hem (kort gezegd) onterecht te beschuldigen van het wegnemen van geld. In hoger beroep heeft [verzoeker] zijn verzoek om een billijke vergoeding gebaseerd op art. 7:683 lid 3 BW Pro. Ook dit verzoek heeft hij gebaseerd op zijn stelling dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
2.23
Naar het oordeel van het hof heeft [verzoeker] niet bewezen dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Zoals hiervoor in rov. 2.17 is overwogen, is niet komen vast te staan dat dat [verzoeker] het geld op verzoek van [verweerster] in de kluis heeft gelegd en dat hij dus ten onrechte is beschuldigd van het wegnemen van geld. De omstandigheid dat [verweerster] aanvankelijk het bestaan van ‘het Potje’ heeft verzwegen en niet kan bewijzen dat [verzoeker] het geld van de minbonnen heeft weggenomen, betekent nog niet dat vaststaat dat [verweerster] [verzoeker] ten onrechte heeft beschuldigd. Ter verduidelijking: er is sprake een situatie waarin [verweerster] niet kan bewijzen dat [verzoeker] het geld heeft weggenomen, maar [verzoeker] niet kan bewijzen dat [verweerster] hem ten onrechte heeft beschuldigd. Nu het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] niet is komen vast te staan, ziet het hof geen grond om op basis van art. 7:671b lid 9 onder c BW een billijke vergoeding toe te wijzen.
2.24
Voor een billijke vergoeding op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro is evenmin aanleiding. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst weliswaar op een onjuiste grond ontbonden, maar de beslissing tot ontbinding is wel terecht genomen.
2.25
Gezien het feit dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan hij aanspraak maken op een transitievergoeding. In nr. 48 e.v. van haar verweerschrift in hoger beroep heeft [verweerster] betwist dat de transitievergoeding € 5.453,33 bruto bedraagt. [verzoeker] zal in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren en – zo nodig – een nieuwe berekening van de transitievergoeding te maken. [verweerster] zal hierop vervolgens bij antwoordakte kunnen reageren.
Achterstallig salaris
2.26
Het verzoek van [verzoeker] ter zake van het achterstallig salaris bestaat uit zes verschillende onderdelen.
2.27
a)Over de maanden september en oktober 2021 stelt [verzoeker] ten onrechte geen loon te hebben ontvangen. Voor de maand september 2021 gaat het om een bedrag van € 3.523,13 bruto (zijnde het salaris van € 2.907,35 per maand plus een gemiddelde overwerktoeslag van € 259,74, een bedrag van € 196,84 ter zake van niet-verloonde extra uren en een bedrag van € 159,20 ter zake van een extra (contant betaalde) werkdag eens per twee weken), te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. In de maand oktober 2021 gaat het om een bedrag van € 3.726,64 bruto, vanwege een cao-verhoging van 1,7%. Deze vordering hangt samen met het antwoord op de vraag of [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Nu is vastgesteld dat [verweerster] niet heeft bewezen dat dit het geval is, zijn de gevorderde bedragen van € 3.523,13 bruto en € 3.726,64 bruto toewijsbaar.
2.28
b)In de eerste tussenbeschikking heeft het hof al geoordeeld dat [verzoeker] op grond van de toepasselijke cao recht heeft op een eenmalige uitkering van € 250,- bruto.
2.29
c)[verzoeker] heeft gevorderd dat [verweerster] hem vakantietoeslag en een vergoeding voor opgebouwde vakantiedagen uitbetaalt over de extra gewerkte donderdagen. Dit deel van de vordering heeft het hof in de eerste tussenbeschikking afgewezen.
2.3
d)[verzoeker] stelde dat hij dagelijks gemiddeld 45 minuten extra werkte en heeft daarover loon gevorderd. Dit onderdeel van het verzoek heeft het hof in de derde tussenbeschikking deels toegewezen, namelijk tot 30 minuten per dag.
2.31
[verweerster] heeft gevraagd om terug te komen op een bindende eindbeslissing, daar waar het gaat om 15 minuten overwerk bestaande uit eerder beginnen met werken. Volgens [verweerster] heeft zij nooit opdracht gegeven om eerder te beginnen, terwijl op grond van art. 9 van Pro de cao pas sprake is van overwerk indien dit in opdracht van de werkgever is geschied.
2.32
Het hof heeft in rov. 2.22 van de derde tussenbeschikking overwogen dat het weliswaar geen verplichting was om vóór 7.45 uur te beginnen – in de zin dat partijen dit waren overeengekomen – maar vroeg beginnen was wel gebruikelijk en werd door [verzoeker] als zeer wenselijk gevoeld. Verder heeft het hof overwogen dat uit de getuigenverklaringen naar voren komt dat sommige werknemers – waaronder dus ook [verzoeker] – graag eerder begonnen om de winkel bij opening op orde te hebben en dat [verweerster] daarvan op de hoogte was en dit toeliet. Op grond hiervan is het hof tot de conclusie gekomen dat van [verweerster] kan worden verlangd dat zij [verzoeker] betaalt over de tijd die hij structureel voorafgaand aan de officiële begintijd al aan de slag was. Het hof ziet geen aanleiding om op deze beslissing terug te komen. Daarbij is van belang dat “overwerk in opdracht van de werkgever” niet altijd hoeft te betekenen dat een werkgever een expliciete opdracht aan een werknemer geeft. Van “overwerk in opdracht van een werkgever” kan ook sprake zijn in een situatie als de onderhavige, waarin de werknemer een zekere druk vanuit de werkgever ervaart om eerder te beginnen en de werkgever deze gang van zaken stelselmatig toelaat.
2.33
e)[verzoeker] heeft aangevoerd dat de cao uitgaat van een werkweek van 38 uur, maar dat hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst 43 uur werkte, nog afgezien van werk dat hij verrichtte op vrije dagen. Hij maakt aanspraak op een overwerktoeslag van € 11.947,84 bruto. Het hof heeft [verzoeker] in r.o. 2.27 van de derde tussenbeschikking gedeeltelijk in het gelijk gesteld, namelijk voor zover het gaat om de 30 minuten extra werken per dag, maar dat dit niet geldt voor de donderdagen waarop hij contant kreeg uitbetaald.
2.34
f)[verzoeker] voert aan recht te hebben op doorbetaling van de gemiddelde gewerkte overuren en overwerktoeslag over de door hem genoten vakantiedagen. Het gaat volgens [verzoeker] om een bedrag van € 4.487,81 bruto. Het hof heeft [verzoeker] in de derde tussenbeschikking gedeeltelijk in het gelijk gesteld, namelijk tot 30 minuten per dag.
2.35
Voor de onderdelen d) tot en met f) van de loonvordering heeft [verzoeker] een aanvullende berekening gemaakt, die erop is gebaseerd dat hij per dag 30 minuten (in plaats van 45 minuten) meer werkte dan overeengekomen. Hij heeft zijn totale loonvordering berekend op € 37.009,23 bruto, naar het hof begrijpt het totale bedrag van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging.
2.36
[verweerster] heeft aangevoerd dat de berekening van [verzoeker] ondeugdelijk is. Volgens haar gaat het om een bedrag van € 15.521,02 bruto, exclusief wettelijke verhoging en wettelijke rente.
2.37
Naar het oordeel van het hof is de berekening die [verzoeker] heeft gemaakt niet in alle opzichten goed te volgen, met name waar het gaat om het salaris over de dertig minuten per dag extra werken en de doorbetaling hiervan tijdens vakantie (componenten d en f). De berekening van [verweerster] lijkt hier bruikbaarder te zijn.
2.38
De vordering van achterstallig salaris 30 minuten werk per dag (component d)) heeft [verzoeker] berekend op € 7.217,13 bruto,
exclusiefoverwerktoeslag. De overwerktoeslag over de 30 minuten extra werken heeft [verzoeker] berekend op € 2.227,51 bruto. Daarnaast noemt hij ter zake van component f) nog een bedrag van € 2.412,74. [verweerster] heeft een bedrag voor de totale vordering ter zake van de componenten d) en f) berekend van € 9.800,20 bruto,
inclusiefoverwerktoeslag, vakantiegeld en wettelijke rente. [verzoeker] zal in de gelegenheid worden gesteld op de berekening van [verweerster] te reageren en – zo mogelijk – uit te leggen waarom de berekening van [verweerster] onjuist zou zijn en die van hem wel zou kloppen.
2.39
De overwerktoeslag over vijf uur overwerk per week per 1 juli 2018 (vermeerderd met vakantiegeld) (component e)) heeft [verweerster] berekend op € 5.101,65 bruto. Dat bedrag ligt lager dan het door [verzoeker] berekende bedrag van € 5.940,02, maar dat heeft volgens [verweerster] ermee te maken dat [verzoeker] ook uitgaat van recht op overwerktoeslag over een aantal maanden vóór 1 juli 2018. De opmerking van [verweerster] lijkt op het eerste gezicht terecht, maar [verzoeker] heeft nog geen mogelijkheid gehad hierop te reageren. Het hof zal hem hiervoor alsnog in de gelegenheid stellen.
2.4
Tot slot heeft [verzoeker] in zijn laatste akte gesteld dat hij recht heeft op uitbetaling van vakantiedagen over de uren boven op de fulltime werkweek van 38 uur. Het gaat volgens [verzoeker] om € 2.624,17 bruto. [verweerster] merkt echter terecht op dat dit een nieuwe vordering is en dat deze (gelet op de tweeconclusieregel) in een te laat stadium in de procedure is ingesteld. Het hof zal daarom aan deze vordering voorbij gaan.
2.41
Over de toegewezen bedragen is [verweerster] op grond van art. 7:625 BW Pro een wettelijke verhoging verschuldigd. Het hof ziet aanleiding het percentage te matigen tot 10 procent nu het weliswaar onjuist was dat [verweerster] het salaris niet helemaal correct betaalde, maar haar daarvan weinig verwijt valt te maken.
Conclusie
2.42
De grieven over het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] zijn gegrond. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ten onrechte op de e-grond ontbonden, maar had deze wel kunnen ontbinden op de g-grond.
2.43
Omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] heeft hij recht op een transitievergoeding. Het verzoek van [verzoeker] om een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat [verweerster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en omdat de arbeidsovereenkomst terecht is ontbonden (zij het op een onjuiste grond).
2.44
Van de loonvordering zijn de onderdelen a) en b) toewijsbaar. Dit komt neer op de volgende bedragen: € 3.523,13 bruto, € 3.726,64 bruto en € 250,- bruto, telkens vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% en de wettelijke rente. Onderdeel c) van de loonvordering is niet toewijsbaar.
2.45
Wat betreft de onderdelen d), e) en f) zal [verzoeker] in de gelegenheid worden gesteld om een akte te nemen als reactie op de laatste akte van [verweerster] . Vervolgens zal [verweerster] hierop bij akte kunnen reageren. [verzoeker] kan daarnaast ook reageren op [verweerster] ’ stellingen over de omvang van de transitievergoeding.
2.46
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

3.Beslissing

Het hof:
  • stelt [verzoeker] in de gelegenheid om uiterlijk vier weken na de dag van deze uitspaak een akte te nemen met het doel dat staat vermeld in de rechtsoverweging 2.25, 2.38 en 2.39 van deze beschikking;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A. Joustra, F.J. Verbeek en P.J.B.M. Besselink en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.