Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1604

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
200.363.856/01 en 200.363.856/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: geen relevante wijziging van omstandigheden

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin haar verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie werd afgewezen. Zij stelde dat haar inkomen aanzienlijk was gedaald, maar kon dit niet voldoende onderbouwen met verificatoire bescheiden zoals definitieve belastingaangiften.

Het hof overwoog dat de door de moeder overgelegde fiscale rapporten niet verifieerbaar waren en dat het ontbreken van definitieve aangiften een gebrek aan voldoende bewijs vormde. Daarnaast stelde de vader dat zijn inkomen niet was gestegen en dat het inkomen van zijn vrouw zelfs was gedaald.

Het hof concludeerde dat er geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden was en bekrachtigde de bestreden beschikking. Tevens verklaarde het hof het verzoek tot voorlopige voorziening niet-ontvankelijk omdat in deze beschikking in de hoofdzaak werd beslist.

Ten slotte werd opgemerkt dat de vader tijdelijk geen betalingen had verricht vanwege verrekening met een terugbetalingsverplichting van de moeder, maar dat hierover afspraken waren gemaakt en de alimentatieverplichting weer zal worden nagekomen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek tot wijziging van kinderalimentatie af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummers : 200.363.856/01 & 200.363.856/02
Rekestnummer rechtbank : FA RK 24-7977
Zaaknummer rechtbank : C/10/688257
beschikking van de meervoudige kamer van 29 april 2026
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
in eerste aanleg bijgestaan door mr. K. Hoesenie te Rotterdam, inmiddels zonder advocaat.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 23 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
Bij het hof zijn verder van de zijde van de moeder de volgende stukken ingekomen:
  • op 29 januari 2026 een journaalbericht van diezelfde datum met daarbij een medische verklaring;
  • op 5 februari 2026 een journaalbericht van diezelfde datum met daarbij het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 20 maart 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna: de minderjarige.
3.3
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2021 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, die op 31 januari 2022 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.4
Bij diezelfde beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2021 is bepaald dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderalimentatie) steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 350,- per maand.
3.5
Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 28 juni 2023 is voormelde beschikking van de rechtbank van 6 september 2021, voor zover het de kinderalimentatie betreft, vernietigd en opnieuw beschikkende is de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor de periode van 31 januari 2022 tot 1 januari 2023 bepaald op € 45,- per maand en voor de periode met ingang van 1 januari 2023 bepaald op € 83,- per maand.
3.6
Zowel partijen als de minderjarigen hebben de Poolse nationaliteit.

4.Omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaard en de proceskosten gecompenseerd.
4.2
De moeder verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad:
  • bij voorlopige voorziening te bepalen dat de onderhoudsbijdrage wordt gewijzigd bij wege van voorlopige beslissing naar een bedrag ad € 626,- per maand met ingang van 1 januari 2024, met als subsidiair verzoek de wijziging vast te stellen per datum indiening verzoekschrift d.d. 25 oktober 2024;
  • de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de onderhoudsbijdrage te wijzigen naar een bedrag ad € 328,- per maand met ingang van 1 januari 2024, met als subsidiair verzoek de wijziging vast te stellen per datum indiening verzoekschrift d.d. 25 oktober 2024.
4.3
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd, strekkende tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5.De motivering van de beslissing

Voorlopige voorziening (200.363.856/02)
5.1
Aangezien het hof bij deze beschikking in de hoofdzaak zal beslissen, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek op de voet van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Gelet hierop verklaart het hof de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot voorlopige voorzieningen in hoger beroep.
Wijziging kinderalimentatie (200.363.856/01)
5.2
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak over kinderalimentatie bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer de kinderalimentatie nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De moeder heeft in dit verband aan de orde gesteld dat haar eigen inkomen aanzienlijk is gedaald. Het hof overweegt dat de moeder ter onderbouwing van dit standpunt – net zoals in eerste aanleg – slechts verwijst naar de door haar overgelegde fiscale rapporten over 2023 en 2024. Deze rapporten zijn opgemaakt door haar administratiekantoor en de gegevens zijn voor het hof niet te verifiëren. Daarnaast is het de vraag hoe deze cijfers geïnterpreteerd zouden moeten worden als deze gegevens wel verifieerbaar waren. Van de moeder had mogen worden verwacht dat zij haar standpunt met voldoende verificatoire bescheiden zou onderbouwen, zoals definitieve aangiften inkomstenbelasting en/of definitieve aangiften omzetbelasting over de relevante periode. Verder heeft de moeder in dit hoger beroep ook gesteld dat het inkomen van de vader is gestegen. De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft ter zitting toegelicht dat zijn inkomen niet is gewijzigd en dat het inkomen van zijn vrouw enigszins verminderd is. Het hof overweegt dat er gelet op het voorgaande geen sprake is van de een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Dit leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.
5.3
Ten overvloede overweegt het hof verder dat de moeder ter zitting haar ongenoegen heeft geuit over het feit dat zij al langere tijd geen betalingen van de vader heeft ontvangen ten behoeve van de kinderalimentatie. Ter zitting heeft de vader toegelicht dat dit het gevolg is van verrekening op basis van de terugbetalingsverplichting die op de moeder rust. De advocaat van de moeder heeft ter zitting bevestigd dat er onderlinge afspraken zijn gemaakt over deze verrekeningen, zodat te verwachten is dat de vader zijn alimentatieverplichting weer zal voldoen wanneer de verrekening tussen partijen is voltooid.
5.4
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.363.856/02:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek;
in de zaak met zaaknummer 200.363.856/01:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A.F. Donders, L. Koper en J. van der Hoeven, bijgestaan door mr. S.V.B. Bours als griffier en is op 29 april 2026 door de rolraadsheer mr. C.M. Warnaar uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.