Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1595

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
200.350.514/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake transitievergoeding en proceskosten tussen werknemer en onderwijsinstelling

In deze civiele zaak stond het hoger beroep centraal over de betaling en terugvordering van een transitievergoeding tussen verzoekster en Stichting Hoger Onderwijs Nederland (InHolland).

Het hof oordeelde dat InHolland niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor verzoekster geen recht heeft op een billijke vergoeding, immateriële schadevergoeding of advocaatkosten. InHolland zag af van de terugvordering van de transitievergoeding die zij eerder had betaald.

Een geschilpunt betrof de verrekening van een negatief verlofsaldo van 214,74 uur, waarvan 90 uur ten onrechte waren uitbetaald. Het hof stelde vast dat deze verrekening terecht was en dat verzoekster geen aanspraak heeft op wettelijke rente over dit bedrag.

Het hof vernietigde de eerdere veroordeling van InHolland tot betaling van de transitievergoeding, wees het verzoek van verzoekster af en veroordeelde haar in de proceskosten van het principaal hoger beroep. De proceskosten in het incidenteel hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van verzoekster af en vernietigt de veroordeling van InHolland tot betaling van de transitievergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.350.514/01
Zaaknummer rechtbank : 11223081 VERZ 24-50421
Beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonend in [woonplaats],
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C.P. Zwaanswijk, kantoorhoudend in ’s-Gravenhage,
tegen:
Stichting Hoger Onderwijs Nederland,
gevestigd in Den Haag,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. L.V. Sloot, kantoorhoudend in ’s-Gravenhage.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en InHolland.

1.Het verdere procesverloop in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de op 3 februari 2026 gewezen tussenbeschikking en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de e-mail van mr. Sloot namens InHolland van 12 maart 2026, waarin hij aangeeft dat InHolland uit coulance afziet van het terugvorderen van de, op grond van de beschikking van de kantonrechter van 22 oktober 2024, aan [verzoekster] betaalde transitievergoeding. Tevens heeft mr. Sloot in deze e-mail aangegeven dat InHolland gelet hierop een nadere aktewisseling niet nodig acht en dat [verzoekster] hiermee instemt.
1.2
Mr. Zwaanswijk heeft op 16 maart 2026 telefonisch aan de griffie van het hof namens [verzoekster] laten weten dat partijen alleen overeenstemming hebben bereikt over de transitievergoeding en eindbeschikking te willen in deze zaak.
1.3
De beschikking is vervolgens bepaald op heden.

2.De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1
Bij tussenbeschikking (in ro. 6.8 en 6.9) heeft het hof geoordeeld dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door InHolland, zodat [verzoekster] geen aanspraak heeft op toekenning van de door haar verzochte een billijke vergoeding van € 180.902,08 bruto, de verzochte ‘immateriële vergoeding’ van € 10.000,- netto en een vergoeding van de advocaatkosten van € 14.083,51, en de wettelijke rente over deze bedragen. Het beroep faalt op die onderdelen.
2.2
In incidenteel hoger beroep heeft InHolland gevraagd om terugbetaling van de transitievergoeding. Zoals hiervoor reeds weergegeven, ziet InHolland alsnog af van de terugvordering van deze inmiddels uitbetaalde vergoeding.
2.3
Thans ligt nog voor de vraag of [verzoekster] aanspraak heeft op de tevens door haar verzochte wettelijke rente over een bedrag van € 4.384,51 netto. Dit bedrag heeft InHolland ingehouden op de transitievergoeding van € 30.816,32 bruto, wegens een verrekening van een negatief verlofsaldo. Het hof overweegt het navolgende. InHolland heeft op 29 augustus 2024 (productie 14 bij het beroepschrift) aan [verzoekster] toestemming gegeven om 90 verlofuren te verkopen. Vervolgens heeft InHolland op 5 november 2024 (productie 13 bij beroepschrift) aan [verzoekster] bericht dat uit herbekening was gebleken dat [verzoekster] geen verlofuren meer had, zodat die 90 uur ten onrechte aan haar waren uitbetaald. InHolland heeft aangegeven dat ten tijde van de verkoop van de 90 verlofuren de herrekening van het verlof van [verzoekster] vanwege haar ziekteverzuim nog niet was toegepast en dat er geen bovenwettelijk verlof wordt opgebouwd tijdens ziekte. Deze 90 uur heeft InHolland in het kader van de eindafrekening opgeteld bij het totale negatieve verlofsaldo, waardoor dit saldo uitkwam op 214,74 uur negatieve verlofuren. Dit saldo heeft InHolland in mindering gebracht op de door haar uit te betalen transitievergoeding. [verzoekster] betwist niet de juistheid van de herberekening, maar voert aan dat het uitkeren van 90 verlofuren een fout was van InHolland. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat deze enkele omstandigheid in de weg staat aan het recht van InHolland om de ten onrechte uitbetaalde verlofuren te verrekenen bij de eindafrekening. Dit klemt te meer nu deze fout reeds binnen enkele weken is ontdekt en gecorrigeerd. [verzoekster] heeft hiervan geen financieel nadeel ondervonden. Het voorgaande leidt ertoe dat [verzoekster] geen aanspraak heeft op de wettelijke rente over dit – aldus terecht – verrekende bedrag en dat het beroep van [verzoekster] ook op dit punt - reeds hierom - faalt.
Conclusie en buitengerechtelijke kosten en proceskosten
2.4
De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt. [verzoekster] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in principaal hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten.
2.5
De proceskosten in principaal hoger beroep worden begroot op:
griffierecht: € 827,-
salaris advocaat: € 2.580,- (2 punten tarief II)
nakosten: € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
--------------
totaal: € 3.596,-
2.6
Het incidenteel hoger beroep slaagt voor zover het de verzochte vernietiging van de veroordeling tot betaling van de transitievergoeding betreft. Het hof zal het verzoek van [verzoekster] in eerste aanleg over de transitievergoeding alsnog afwijzen. Het incidentele verzoek tot terugbetaling van de transitievergoeding heeft InHolland ingetrokken en hoeft dus niet langer inhoudelijk beoordeeld te worden. Naar het oordeel van het hof is er onder deze omstandigheden aanleiding om de proceskosten in het incidenteel appel te compenseren, zodat partijen elk de eigen kosten dragen. Op diezelfde gronden ziet het hof aanleiding om het oordeel van de kantonrechter tot compensatie van de proceskosten in stand te laten. Het incidentele verzoek van InHolland tot vernietiging van dit oordeel wordt dus eveneens afgewezen.

3.De beslissing

Het hof:
  • vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2024 voor zover het de veroordeling van InHolland tot betaling van de transitievergoeding betreft;
  • wijst het verzoek van [verzoekster] om InHolland te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding alsnog af;
  • bekrachtigt de beschikkingen van de kantonrechter in rechtbank Den Haag van 22 oktober 2024 en de verbeterbeschikking van 19 november 2024 voor het overige;
  • veroordeelt [verzoekster] in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van InHolland begroot op € 3.596,- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoekster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
  • compenseert de kosten in de procedure in het incidenteel hoger beroep, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt;
  • bepaalt dat als [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoekster] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [verzoekster] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan;
  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.I. Mentink, S.H.M. van der Heiden en A. van Beurden en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.