Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1577

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
22-003067-20.a
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 40 lid 2 GeneesmiddelenwetArt. 2 onder C OpiumwetArt. 3 onder C OpiumwetArt. 61 lid 1 Geneesmiddelenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens illegale handel in geneesmiddelen en anabolen

In deze ontnemingszaak is de betrokkene in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van overtredingen van de Geneesmiddelenwet en Opiumwet, alsmede gewoontewitwassen. De rechtbank Rotterdam had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €182.591,-, maar het hof vernietigt dit en herrekent het bedrag op basis van een excelbestand met winstgegevens uit de illegale handel in geneesmiddelen en anabolen.

Het hof neemt aan dat de betrokkene van medio oktober 2015 tot november 2016 heeft deelgenomen aan de handel en rekent het voordeel pondspondsgewijs toe, rekening houdend met de betrokkenheid van andere personen en de kosten van medewerkers. De totale winst over de periode 2014-2017 bedroeg ruim €622.775, waarvan een deel wordt toegerekend aan de betrokkene.

Na aftrek van aannemelijke kosten voor medewerkers komt het hof tot een bedrag van €80.880,41 als wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof legt de betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 540 dagen. De redelijke termijn is in hoger beroep ruim overschreden, maar dit wordt niet verdisconteerd omdat dit reeds in de strafzaak is gedaan.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €80.880,41 en legt de betalingsverplichting aan de Staat op met een maximale gijzeling van 540 dagen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003067-20 PO
Parketnummer: 10-996582-17
Datum uitspraak: 7 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 7 mei 2026 is de betrokkene, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak onder 2 tot en met 6 bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:
het onder 2, 4 en bewezenverklaarde:
eendaadse samenloop van
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd,
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
het onder 3 bewezenverklaarde:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 61, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
het onder 6 bewezenverklaarde:
gewoontewitwassen en witwassen;
veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 29 oktober 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 182.591,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de duur van een eventueel te vorderen gijzeling 540 dagen bedraagt.
Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 207.591,-, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie, in afwijking van de oorspronkelijke vordering, gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op een bedrag van € 231.448,49 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.
Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en vaststelling van de betalingsverplichting
Overwegingen
Grondslag
De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van het hof bestaan er voldoende aanwijzingen dat andere strafbare feiten dan de bewezenverklaarde door de betrokkene zijn begaan en dat hij daaruit voordeel heeft gegenereerd. Die andere feiten bestaat uit de illegale handel in geneesmiddelen waaronder anabolen. Dat de betrokkene hieruit inkomen heeft gegenereerd is door de betrokkene erkend.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. In geval er verscheidene daders zijn, zal de rechter niet altijd de omvang van dat voordeel van elk van die daders aanstonds kunnen vaststellen. In zo’n geval dient de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend.
Uitgangspunt totaal behaalde opbrengst
In het onderzoek Vejovis is op de computer van [medeverdachte 1] een excelbestand aangetroffen. Uit dat excelbestand komt naar voren dat in totaal € 622.775,30 winst is gemaakt met de handel in geneesmiddelen waaronder anabolen in de periode 1 september 2014 tot en met 10 april 2017.
Dat bedrag is als volgt over de jaren verdeeld:
2014 € 5.882,50
2015 € 137.257,80
2016 € 433.635,00
2017 € 46.000,00
Totaal € 622.775,30
Het bedrag van € 622.775,30 (afgerond: € 622.775) is in het Ontnemingsrapport als uitgangspunt genomen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze administratie is door [medeverdachte 1] gevoerd.
De verdediging heeft niet bestreden dat dit bedrag de over deze jaren met de handel in anabolen en overige geneesmiddelen gemaakte winst betreft. Het hof acht aannemelijk dat de aangetroffen administratie een waarheidsgetrouw beeld geeft van de in de tenlastegelegde periode gemaakte winst.
Het verweer
De verdediging heeft aangevoerd dat van het bedrag van € 622.775,30 meer personen werden betaald dan uitsluitend de drie verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , zoals het Openbaar Ministerie aanneemt.
Uitgangspunten toerekening opbrengst
Met de verdediging acht het hof in het kader van de beoordeling van de ontnemingsvordering aannemelijk dat [persoon 1] en [persoon 2] de illegale handel in anabolen en overige geneesmiddelen hebben opgezet. De verklaring van [getuige] dat [persoon 2] op enig moment de organisatie heeft verlaten en daarna nog maandelijks een bedrag betaald kreeg, wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] . Het hof acht dit aannemelijk en zal een aandeel van de opbrengst aan [persoon 1] en [persoon 2] toerekenen. Ofschoon ten aanzien van [persoon 2] niet kan worden vastgesteld dat hij over de hele bewezenverklaarde periode in de winst heeft gedeeld, gaat het hof daar – ten voordele van de betrokkenen – wel vanuit.
Met betrekking tot betrokkene gaat het hof er voorts vanuit dat hij, na de gebeurtenissen van
7 november 2016 niet of nauwelijks meer aan de handel heeft verdiend. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt het hof ten aanzien van betrokkene dan ook de periode vanaf half oktober 2015 tot aan 1 november 2016 in aanmerking.
Beoordeling kosten
Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen aannemelijk dat niet alleen de in deze zaak aangehouden en veroordeelde personen werkzaamheden verrichtten voor deze handel en daarvoor werden betaald, maar dat daarnaast ook andere personen koerierswerkzaamheden voor die handel hebben verricht en daarvoor een betaling ontvingen.
[medeverdachte 1] noemt in zijn schriftelijke verklaring van 7 september 2020 een groot aantal personen. Omtrent een aantal van hen blijkt uit het dossier dat zij werkzaamheden verrichtten ten behoeve van de deze handel, namelijk van [medeverdachte 3] , [persoon 3] , en
[persoon 4] . Betrokkene heeft over de in de schriftelijke verklaring van
[medeverdachte 1] genoemde personen geen feiten of omstandigheden aangedragen die de blote stelling van [medeverdachte 1] over betaling van de andere door [medeverdachte 1] genoemde personen ondersteunen.
Wel zijn er voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat ook [persoon 5] enige tijd voor de handel heeft gewerkt en het hof zal in het voordeel van betrokkene hiermee rekening houden.
In het dossier bevinden zich geen andere aanknopingspunten voor de hoogte van de bedragen die deze medewerkers kregen dan de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] . Op basis van die verklaring houdt het hof rekening met betalingen aan bezorgers [persoon 3] en [persoon 5] van elk € 10.000 en aan bezorger [medeverdachte 3] en [persoon 4] van € 5.000, dat is in totaal € 30.000. Deze ‘kostenpost’ zal naar rato van de hierna te noemen schattingen van wederrechtelijk verkregen voordeel bij elk van de betrokkenen in mindering worden gebracht.
Bij de verdere toerekening van de opbrengst zoekt het hof, naar rato van de periode waarin de betrokkene heeft bijgedragen aan de handel, aansluiting bij de periode die voor de betrokkene bewezen is verklaard. De in het bestand van [medeverdachte 1] genoemde winst per jaar wordt omgerekend naar een maandbedrag. Dit maandbedrag wordt vervolgens eerst gedeeld door het aantal betrokkenen dat in die maand aan de handel meedeed en dan vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de betrokkene in het betreffende jaar aan de handel heeft meegewerkt. Dit leidt tot een bedrag per persoon over het aantal maanden dat hij heeft meegewerkt.
Indien het aantal personen dat aan de handel meewerkte in de loop van een jaar wijzigt dan wordt voor de periode waarin een nieuw aantal personen werkzaam was een nieuw maandbedrag per persoon berekend, gebaseerd op het aantal personen dat de winst in die nieuwe periode onderling verdeelden.
Toedeling van de opbrengst
Op basis van bovengenoemde uitgangspunten komt het hof tot de volgende berekening per jaar.
De bewezenverklaarde periode start in 2015.
2015
In 2015 was de opbrengst € 137.257,80. In dit jaar waren [medeverdachte 1] , [persoon 1] en [persoon 2] twaalf maanden betrokken bij de handel, waarbij [persoon 2] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet meer zelf handelde. Vanaf medio oktober 2015 was ook [verdachte] betrokken.
Er zijn geen objectief vast te stellen aanwijzingen hoe zij deze opbrengst hebben verdeeld. Het hof rekent de winst uit het jaar 2015 terug naar winst per maand en verdeelt dat bedrag pondspondsgewijs over de betrokkenen naar rato van het aantal maanden waarin zij meewerkten.
De opbrengst in 2015 per maand was € 137.257,80 gedeeld door 12, dat is 11.438,15 per maand.
[verdachte] was de laatste 2,5 maanden betrokken. Over deze laatste 2,5 maanden werd de opbrengst onder 4 personen verdeeld, derhalve 2.859,54 per persoon.
Aan [verdachte] wordt over 2015 toegerekend een bedrag van 2,5 x 2.859,54 =
€ 7.148,85.
Datzelfde bedrag wordt aan de overige drie toegerekend over de laatste 2,5 maanden.
Over de eerste 9,5 maanden wordt aan de overige drie toegerekend 9,5 x (11.438,15 gedeeld door 3) = 9,5 x 3.812,72 = 36.220,81 per persoon.
Aan elk van de overige drie personen, [medeverdachte 1] , [persoon 1] en [persoon 2] , wordt over 2015 toegerekend: 7.148,85 + 36.220,81 =
€ 43.369,66
2016
In 2016 was de opbrengst € 433.635,00; gedeeld door 12 is dit 36.136,25 per maand.
[medeverdachte 1] , [persoon 1] en [persoon 2] waren twaalf maanden betrokken bij de handel, waarbij [persoon 2] mogelijk uitsluitend deelde in de opbrengst en niet zelf handelde.
Tot 7 november (het hof rekent tot 1 november, derhalve 10 maanden) was ook [verdachte] betrokken.
Vanaf juni, derhalve 7 maanden, was ook [medeverdachte 2] betrokken.
Over de eerste 5 maanden werd de opbrengst (5 x 36.136,25 = 180.681,25) verdeeld tussen 4 personen: [medeverdachte 1] , [persoon 1] , [persoon 2] en [verdachte] . Derhalve 45.170,31 per persoon.
Over de maanden juni tot en met oktober (derhalve 5 maanden) werd de opbrengst (5 x 36.136,25 = 180.681,25) verdeeld over 5 personen: [medeverdachte 1] , [persoon 1] , [persoon 2] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Derhalve 36.136,25 per persoon.
Over de maanden november en december werd de opbrengst (2 x 36.136,25 = 72.272,50) verdeeld over vier personen: [medeverdachte 1] , [persoon 1] , [persoon 2] en [medeverdachte 2] . Derhalve 18.068,13 per persoon.
Aan [medeverdachte 1] wordt toegerekend: 45.170,31 + 36.136,25 + 18.068,13 =
€ 99.374.69
Aan [verdachte] wordt toegerekend: 45.170,31 + 36.136,25 =
€ 81.306,56
Aan [medeverdachte 2] wordt toegerekend: 36.136,25 + 18.068,13 =
€ 54.204,38
Conclusie uit deze berekeningen
Bovenstaande leidt tot de volgende verdeling over de gehele bewezenverklaarde periode:
[verdachte] € 7.148,85 + 81.306,56 =
€ 88.455,41
Kosten medewerkers
Het hof zal de aannemelijk geachte kosten voor genoemde medewerkers verdelen over de drie betrokkenen naar rato van het aantal maanden waarin zij in de tenlastegelegde periode hebben meegewerkt.
[medeverdachte 1] heeft 27 maanden meegewerkt (1 januari 2015 – 1 april 2017)
[verdachte] heeft 12,5 maanden meegewerkt (1 oktober 2015 – 1 november 2016)
[medeverdachte 2] heeft10 maanden meegewerkt (1 juni 2016 – 1 april 2017).
In totaal gaat het derhalve om 49,5 meegewerkte maanden. De door het hof aannemelijk geachte kosten van 30.000 leveren derhalve een kostenpost van 606,00 per maand op.
Bij [medeverdachte 1] zal voor de kosten (27 x 606 =)
16.362,00in mindering worden gebracht
Bij [verdachte] is dat (12,5 x 606 =)
7.575,00.
Bij [medeverdachte 2] is dat (10 x 606 =)
6.060,00.
Redelijke termijn
Namens de betrokkene is op 9 november 2020 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 7 mei 2026. Gelet daarop is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep met ruim 5 jaar overschreden.
Het hof ziet geen aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de ontnemingszaak te verdisconteren, nu het hof dit reeds in de strafzaak van de verdachte heeft gedaan.
Conclusie
Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 80.880,41(88.455,41 minus 7.575,00) en zal het hof de betrokkene de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zoals dat geldt, dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 80.880,41 (tachtigduizend achthonderdtachtig euro en eenenveertig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 80.880,41 (tachtigduizend achthonderdtachtig euro en eenenveertig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 540 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Koole, als voorzitter, mr. R. van der Hoeven en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 mei 2026.
De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.