Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1556

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
BK-25/549
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 1 onderdeel k WbrArt. 9.1.3 WEBArt. 2.1.4 WEBArt. 2.1.5 WEBArt. 2.1.6 WEB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepassing onderwijsvrijstelling overdrachtsbelasting bij erfpachtrecht onderwijsinstelling

Belanghebbende, een onderwijsinstelling die middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet algemeen volwassenonderwijs aanbiedt, verkreeg een eeuwigdurend recht van erfpacht op een onroerende zaak van de gemeente. Zij betaalde overdrachtsbelasting en maakte aanspraak op de onderwijsvrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel k, Wbr.

De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af omdat de vrijstelling verwees naar een inmiddels vervallen wetsartikel (artikel 9.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs), en de reparatiewet die dit corrigeerde pas na de verkrijging in werking trad zonder terugwerkende kracht. Bovendien voldeed belanghebbende niet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling, omdat er geen bestuursoverdracht had plaatsgevonden.

In hoger beroep bevestigde het hof deze beoordeling. Het hof oordeelde dat de vrijstelling niet van toepassing is op de verkrijging van het erfpachtrecht door belanghebbende, mede omdat de wetgever een andere regeling voor mbo-instellingen hanteert dan voor primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de bekostiging van huisvesting voor mbo-instellingen anders is geregeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de onderwijsvrijstelling overdrachtsbelasting is niet van toepassing op de verkrijging van het erfpachtrecht door belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/549

Uitspraak van 16 april 2026

in het geding tussen:
Stichting [X]te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: H. de Kat)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 juli 2025, nummer SGR 24/3718.

Procesverloop

1.1.
Belanghebbende heeft op aangifte overdrachtsbelasting voldaan.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de voldoening op aangifte afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 371 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 maart 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is een onderwijsinstelling die middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo) aanbiedt in de hoedanigheid van een Regionaal Opleidingscentrum (ROC). Zij verzorgt opleidingen op het gebied van veiligheid en beveiliging, de [naam] (de Veiligheidsacademie). Zij heeft daartoe een gebouw (de onroerende zaak) in gebruik op de [locatie] . Dit complex bestaat uit meerdere onderwijsgebouwen en een woongebouw. Behalve belanghebbende zijn ook andere onderwijsinstellingen actief op [locatie] .
2.2.
De onroerende zaak waarin de Veiligheidsacademie is gevestigd, is op 2 oktober 2013 aan de [gemeente] (de gemeente) opgeleverd. Vanwege de financiële situatie waarin belanghebbende verkeerde, was zij niet in staat om de eigendom van de onroerende zaak te verwerven. Zij heeft daarom een huurovereenkomst gesloten met de gemeente. In deze huurovereenkomst was een voorkeursrecht van koop en een koopoptie opgenomen ten behoeve van belanghebbende.
2.3.
De gemeente heeft de onroerende zaak aan belanghebbende aangeboden. Bij akte van 15 december 2023 heeft de gemeente een eeuwigdurend recht van erfpacht ten behoeve van belanghebbende gevestigd met betrekking tot de grond met daarop de onroerende zaak. Het recht van erfpacht is eeuwigdurend afgekocht voor een bedrag van € 7.800.000. Dit bedrag omvat tevens een vergoeding voor de opstal.
2.4.
Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van het recht van erfpacht een bedrag van € 811.200 (10,4% van € 7.800.000) aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Wettelijk kader
8. Artikel 15, eerste lid, onderdeel k, van de WBR (tekst 2023) luidt:
“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: bedoeld in de artikelen 49, 56, 85, tweede lid, 89, tweede lid, en 103, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 52, 58 en 101, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 3.33 en 6.13, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 2.13 en 16.16 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 9.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede verkrijgingen waarvoor de vervreemder de in artikel 106, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 104, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 6.16, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 vereiste toestemming heeft verkregen, een en ander voorzover het verkregene voor onderwijs is bestemd”.
9. Artikel 9.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) is vervallen op 1 januari 2022. De tekst van deze bepaling luidde:
“ 1. De rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, kan de instandhouding van die
instelling overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 9.1.1, eerste lid.
2. Op deze overdracht is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid, van toepassing.
3. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling overgaat. In het laatste geval is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.”
10. Artikel 2.1.4 van de Web luidt:
“ 1.Een fusie, splitsing of omzetting komt niet tot stand dan na goedkeuring van Onze Minister.
2.Onze Minister besluit binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, welke termijn eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste dertien weken. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
3.Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.”
11. Artikel 2.1.5 van de Web luidt:
“ 1.Na een goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, geschiedt de overdracht van de instandhouding van een instelling bij notariële akte. Bij deze akte verbindt het bevoegd gezag zich om de rechten ten aanzien van de gebouwen en terreinen en roerende zaken met betrekking tot die instelling over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Pro Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt bepaald dat het bevoegd gezag aan wie wordt overgedragen het personeel in gelijke betrekkingen in dienst neemt met ingang van de datum van overdracht.
2.Door overdracht met inachtneming van het eerste lid treedt het verkrijgende bevoegd gezag in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de instelling, onverminderd hetgeen verder voor de overgang naar burgerlijk recht is vereist.
3.Van de verplichting tot overdracht van de rechten ten aanzien van onroerende en roerende zaken kan Onze Minister ontheffing verlenen in bijzondere omstandigheden. Onze Minister besluit binnen zes maanden na ontvangst van een aanvraag.
4.Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een instelling in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling overgaat.”
12. Artikel 2.1.6 van de Web luidt:
“ 1.Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan de instelling overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding ervan bevoegd is.
2.Artikel 2.1.5 is van toepassing.”
13. De inhoud van het per 1 januari 2022 vervallen artikel 9.1.3 van de Web is verplaatst naar het hiervoor onder 11 opgenomen artikel 2.1.5 van de Web. De onderwijsvrijstelling is destijds daarop niet aangepast. Deze omissie is hersteld in de Reparatiewet OCW 2024[1]. In artikel X van de Reparatiewet OCW 2024 is daartoe het volgende opgenomen: “In artikel 15, eerste lid, onderdeel k, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt «artikel 9.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs» vervangen door «artikel 2.1.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs».”
14. Bij Besluit van 6 juni 2024, houdende vaststelling van het tijdstip van gedeeltelijke inwerkingtreding van de Reparatiewet OCW 2024[2], is bepaald dat artikel X van de Reparatiewet OCW 2024 in werking treedt met ingang van 1 augustus 2024.
De onderwijsvrijstelling
15. Ten tijde van de verkrijging van het recht van erfpacht op 15 december 2023 was in de onderwijsvrijstelling nog een verwijzing opgenomen naar het inmiddels vervallen artikel 9.1.3 van de Web. De verwijzing naar artikel 2.1.5 van de Web is eerst met ingang van 1 augustus 2024 in de tekst van de onderwijsvrijstelling opgenomen. Hierbij is geen sprake van terugwerkende kracht. Eiseres stelt dat deze omissie in de tekst van de onderwijsvrijstelling haar niet kan worden tegengeworpen en de wetgever de bedoeling had dat de verkrijging van het recht van erfpacht onder de onderwijsvrijstelling zou vallen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt. De tekst van de onderwijsinstelling op het moment van de verkrijging van het recht van erfpacht is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Eiseres voldeed op het moment van de verkrijging van het recht van erfpacht niet aan de voorwaarden voor toepassing van de onderwijsvrijstelling.
16. In de Reparatiewet OCW 2024 is bepaald dat de artikel 9.1.3 van de Web vervangen wordt door artikel 2.1.5 van de Web. Deze wijziging is met ingang van 1 augustus 2014 in werking getreden. Indien deze aanpassing reeds ten tijde van de verkrijging door eiseres van het recht van erfpacht was doorgevoerd, te weten 15 december 2023, had eiseres evenmin een beroep kunnen doen op de onderwijsvrijstelling. Zoals eiseres ter zitting heeft bevestigd, vond de verkrijging van het recht van erfpacht immers niet plaats in het kader van een bestuursoverdracht als bedoeld in artikel 2.1.5 van de Web. Eiseres zou ook onder die omstandigheden niet hebben voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de onderwijsvrijstelling.
17. Uit de verwijzing naar artikel 2.1.5 van de Web maakt eiseres op dat de wetgever heeft bedoeld om een gebouw dat eenmaal een onderwijsbestemming heeft als bedoeld in de Web, immer zonder overdrachtsbelasting te doen overgaan op een verkrijgende onderwijsinstelling. Deze uitleg van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. Noch uit de tekst van de onderwijsvrijstelling noch uit parlementaire geschiedenis is naar het oordeel van de rechtbank op te maken dat de wetgever een dergelijke bedoeling heeft gehad.
18. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de wetgever voor ogen heeft gestaan alle verkrijgingen van onroerende zaken waarbij de gemeente de oorspronkelijke bouwheer dan wel grondeigenaar was van de onderwijsvoorziening onder de onderwijsvrijstelling te laten vallen. Eiseres verwijst hierbij naar artikel 103, tweede lid van de Wet op het primair onderwijs (Wpo), artikel 101, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra (WEC) en artikel 6.13, tweede lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020 Wvo). Dit standpunt van eiseres faalt naar het oordeel van de rechtbank. De bekostiging van de huisvestiging van scholen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs is anders geregeld dan die van het middelbaar beroepsonderwijs. Gemeenten hebben een wettelijke plicht om voor huisvestiging zorg te dragen voor scholen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs. Voor middelbaar beroepsonderwijs is de betreffende onderwijsinstelling zelf verantwoordelijk voor de huisvesting. Ten aanzien van het onderwijs dat eiseres organiseert, hebben gemeenten aldus geen enkele wettelijke verplichting zodat het argument van eiseres geen doel treft.
Gelijkheidsbeginsel
19. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden aangezien verkrijgingen van onroerend goed ingevolge artikel 103, tweede lid van de Wpo, artikel 101, tweede lid van de WEC en artikel 6.13, tweede lid van de Wvo vrijgesteld zijn van overdrachtsbelasting. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van rechtens gelijke gevallen. Een onderwijsinstelling die mbo onderwijs verzorgt, zoals eiseres, is immers niet gelijk te stellen aan een onderwijsinstelling in het primair, voortgezet of speciaal onderwijs, waarvan de bekostiging van de huisvesting een wettelijke plicht van de gemeente is. De bekostiging van de huisvesting van mbo-instellingen verloopt op een geheel andere wijze, waardoor van gelijke gevallen geen sprake is. Dat eiseres in dit geval het gebouw in praktische zin van de gemeente verwerft, maakt het voorgaande niet anders. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Slotsom

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Tweede kamer der Staten-Generaal 2023-2024, 36 478, nr 2
[2] Staatsblad 2024,154”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of op de verkrijging van het recht van erfpacht de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdeel k (de onderwijsvrijstelling), van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wbr) van toepassing is. Daarnaast is in geschil of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van de voldane overdrachtsbelasting van € 811.200.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Juridisch kader
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende kwalificeert als een onderwijsinstelling waarop de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) van toepassing is.
5.2.
De WEB is in 2022 gewijzigd bij de Wet bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs [1] . Daarbij is artikel 9.1.3 WEB komen te vervallen en zijn de artikelen 2.1.4, 2.1.5 en 2.1.6. WEB ingevoegd.
5.3.
Artikel 9.1.3. WEB luidde tot 1 februari 2022:

“Artikel 9.1.3. Bestuursoverdracht bijzondere instelling

1 De rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, kan de instandhouding van die instelling overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 9.1.1, eerste lid.
2 Op deze overdracht is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid, van toepassing.
3 Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een bijzondere instelling in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de instelling in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de instelling overgaat. In het laatste geval is artikel 9.1.2, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.”
5.3.
De artikelen 2.1.4, 2.1.5 en 2.1.6 WEB luiden als volgt:

“Artikel 2.1.4. Fusie, splitsing en omzetting

1 Een fusie, splitsing of omzetting komt niet tot stand dan na goedkeuring van Onze Minister.
(…)

Artikel 2.1.5. Verplichtingen bij bestuursoverdracht instelling

1 Na een goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, geschiedt de overdracht van de instandhouding van een instelling bij notariële akte. Bij deze akte verbindt het bevoegd gezag zich om de rechten ten aanzien van de gebouwen en terreinen en roerende zaken met betrekking tot die instelling over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Pro Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. In de akte wordt bepaald dat het bevoegd gezag aan wie wordt overgedragen het personeel in gelijke betrekkingen in dienst neemt met ingang van de datum van overdracht.
2 Door overdracht met inachtneming van het eerste lid treedt het verkrijgende bevoegd gezag in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de instelling, onverminderd hetgeen verder voor de overgang naar burgerlijk recht is vereist.
(…)

Artikel 2.1.6. Bestuursoverdracht openbare instelling

1 Het bevoegd gezag van een openbare instelling kan de instelling overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding ervan bevoegd is.
2 Artikel 2.1.5 is van toepassing.”
5.4.1. Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel k, Wbr (tekst 2023) verwijst naar het vervallen artikel 9.1.3 WEB en luidt:
“Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: bedoeld in de artikelen 49, 56, 85, tweede lid, 89, tweede lid, en 103, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 52, 58 en 101, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 3.33 en 6.13, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, de artikelen 2.13 en 16.16 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 9.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede verkrijgingen waarvoor de vervreemder de in artikel 106, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 104, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 6.16, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 vereiste toestemming heeft verkregen, een en ander voorzover het verkregene voor onderwijs is bestemd;”
5.4.2. De omissie in artikel 15, lid 1, onderdeel k, Wbr (tekst 2023) is hersteld bij de Reparatiewet OCW 2024 [2] . Artikel X van deze wet luidt:

“ARTIKEL X. WET OP BELASTINGEN VAN RECHTSVERKEER

In artikel 15, eerste lid, onderdeel k, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt «artikel 9.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs» vervangen door «artikel 2.1.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs».”
Artikel X Reparatiewet OCW 2024 is op 1 augustus 2024 inwerking getreden.
Is de onderwijsvrijstelling van toepassing?
5.5.
Partijen houdt verdeeld of de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel k, Wbr van toepassing is op de verkrijging van het erfpachtrecht door belanghebbende. Daarbij is niet in geschil dat het verkregene voor onderwijs is bestemd.
5.7.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat een onjuiste verwijzing in artikel 15, lid 1, onderdeel k, Wbr niet aan haar kan worden tegengeworpen, en dat de vrijstelling van toepassing is in een situatie waarin de gemeente de oorspronkelijke bouwheer dan wel grondeigenaar van de onderwijsvoorziening was.
5.8.
De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat door de onjuiste verwijzing in artikel 15, lid 1, onderdeel k, Wbr niet aan de voorwaarden voor de onderwijsvrijstelling wordt voldaan. Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat ook als een juiste verwijzing in de vrijstellingsbepaling zou hebben gestaan, de verkrijging van belanghebbende niet aan de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling voldoet.
5.9.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank in de overwegingen 16 tot en met 18 van haar uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat de vrijstelling niet van toepassing is. Het Hof neemt die overwegingen over, maakt deze tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe.
5.10.
Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel k, Wbr stelt (onder meer) vrij een verkrijging als bedoeld in artikel 2.1.5. WEB. Dit artikel heeft betrekking op de bestuursoverdracht van een instelling. Een bestuursoverdracht wordt in artikel 1.1.1. WEB gedefinieerd als de ‘overdracht van een instelling aan een ander bevoegd gezag’. In de situatie van belanghebbende heeft geen bestuursoverdracht plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2.1.5. WEB. Belanghebbende heeft dat ter zitting van het Hof ook erkend. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt dat de vrijstelling ruim moet worden uitgelegd in die zin dat deze van toepassing is in een situatie waarin de gemeente de oorspronkelijke bouwheer dan wel grondeigenaar van de onderwijsvoorziening was. Het Hof ziet daarvoor geen concrete aanknopingspunten in de tekst van de vrijstellingsbepaling en in de parlementaire geschiedenis. Dat de vrijstellingsbepaling in verbinding met enkele andere onderwijswetten een ruimere reikwijdte heeft, is een verschil dat kennelijk door de wetgever is beoogd. Dat de Wet op de expertisecentra als een kaderwet dient te worden beschouwd, volgt het Hof evenmin. Deze wet heeft betrekking op het speciaal onderwijs, wat eerder een aanwijzing vormt dat het hier een lex specialis betreft dan een kaderwet. Het standpunt van de Kennisgroep overdrachtsbelasting van 16 februari 2023 (KG:052:2022:5) waarop belanghebbende ter zitting heeft gewezen, ziet op een andere vrijstellingsbepaling en op een wezenlijk andere situatie en maakt dit niet anders.
5.11.
Gelet op het voorgaande is niet aan de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling voldaan. Het kan dan ook in het midden blijven of aan belanghebbende kan worden tegengeworpen dat de omissie in artikel 15, lid 1, onderdeel k, Wbr pas op 1 augustus 2024 en zonder terugwerkende kracht is hersteld.
Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?
5.12.
Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, omdat vergelijkbare verkrijgingen van onroerend goed ingevolge artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel k, Wbr in verbinding met artikel 103, lid 2, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 6.13, lid 2, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 101, lid 2, van de Wet op de expertisecentra zijn vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat geen sprake is van rechtens gelijke gevallen. Een onderwijsinstelling die mbo-onderwijs verzorgt, zoals belanghebbende, is namelijk niet gelijk te stellen aan een onderwijsinstelling in het primair, voortgezet of speciaal onderwijs, waarvan de bekostiging van de huisvesting een wettelijke plicht van de gemeente is. De bekostiging van de huisvesting van mbo-instellingen verloopt op een geheel andere wijze. Dat belanghebbende de onroerende zaak als gevolg van de vestiging van het erfpachtrecht in praktische zin heeft verworven, maakt dit niet anders. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Slotsom
5.13
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Wet van 11 november 2021 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met een vereenvoudiging van de bestuurlijke inrichting van het stelsel voor beroepsonderwijs door omvorming van het aoc tot verticale scholengemeenschap en een andere invulling van bevoegd gezag (Staatsblad 2021, 548).
2.Wet van 18 april 2024 tot wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Staatsblad 2024, 109).