ECLI:NL:GHDHA:2026:145

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.346.943/01 + 200.353.717/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 cao BeroepsgoederenvervoerArt. 7 lid 4 caoArt. 10 caoArt. 19 caoArt. 21 cao
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepasselijkheid cao en tenuitvoerlegging vonnis in beroepsgoederenvervoer

In deze civielrechtelijke arbeidsrechtzaak staat de vraag centraal of [appellante 2] valt onder de werkingssfeer van de cao Beroepsgoederenvervoer en of het vonnis van de kantonrechter voldoende duidelijk is voor tenuitvoerlegging. FNV vordert nakoming van de cao door [appellante 1] en [appellante 2], met dwangsommen bij niet-naleving. De kantonrechter veroordeelde de werkgevers tot nakoming en dwangsommen, waarna FNV executoriaal beslag legde. De werkgevers lieten de tenuitvoerlegging schorsen bij de voorzieningenrechter.

In hoger beroep oordeelt het hof dat [appellante 2] wel degelijk onder de cao valt, ondanks het ontbreken van een NIWO-vergunning, omdat zij vergunningplichtig vervoer verricht en haar hoofdactiviteit niet afwijkt zoals vereist. Het hof vindt het vonnis van de kantonrechter duidelijk en uitvoerbaar en wijst klachten over onduidelijkheid af. De wettelijke verhoging wordt gematigd van 50% naar 35% vanwege vertraagde naleving.

Het kortgedingvonnis dat de tenuitvoerlegging schorsing gaf, wordt vernietigd omdat FNV een zwaarwegend belang heeft bij onmiddellijke uitvoering. De werkgevers hebben onvoldoende concreet gemaakt waarom zij een zwaarder belang hebben. De subsidiaire vorderingen tot opheffing van executoriaal beslag worden afgewezen. Het hof veroordeelt de werkgevers in de proceskosten en verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat [appellante 2] onder de cao valt, matigt de wettelijke verhoging tot 35%, vernietigt het kortgedingvonnis en verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummers hof : 200.346.943/01 en 200.353.717/01
Zaaknummer kantonrechter Rotterdam : 10605485 CV EXPL 23-19909
Zaaknummer rechtbank Midden Nederland : C/16/580373 / KG ZA 24-437
Arrest van 17 februari 2026
in de zaak met nummer 200.346.943/01van

1.[appellante 1] B.V,

gevestigd in [vestigingsplaats 1],
2. [appellante 2] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2],
appellanten,
advocaat: mr. L. Bijl, kantoorhoudend in Hoorn,
tegen
Federatie Nederlandse Vakvereniging,
gevestigd in Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. Mastenbroek, kantoorhoudend in Groningen,
en in de zaak met nummer 200.346.943/01van
Federatie Nederlandse Vakvereniging,
gevestigd in Utrecht,
appellante,
advocaat: mr. Mastenbroek, kantoorhoudend in Groningen,
tegen

1.[appellante 1] B.V,

gevestigd in Rotterdam,
2. [appellante 2] B.V.,
gevestigd in Rhoon,
verweersters in hoger beroep,
advocaat: mr. L. Bijl, kantoorhoudend in Hoorn.
Het hof zal partijen hierna [appellante 1], [appellante 2] en FNV noemen.

1.De zaak in het kort

[appellante 1] en [appellante 2] zijn op vordering van FNV veroordeeld tot nakoming van de cao Beroepsgoederenvervoer, op straffe van een dwangsom. FNV heeft executoriaal beslag gelegd omdat [appellante 1] en [appellante 2] volgens FNV niet aan het vonnis voldoen. [appellante 1] en [appellante 2] hebben bij de voorzieningenrechter met succes de tenuitvoerlegging het vonnis laten schorsen. In dit arrest gaat het in de bodemzaak onder meer over de vraag of [appellante 2] onder de werkingssfeer van de cao valt en of het vonnis van de kantonrechter voldoende duidelijk is om ten uitvoer te kunnen leggen. In de kortgedingzaak heeft FNV aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter heeft geschorst.

2.Procesverloop in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.346.943/01

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 16 augustus 2024 waarmee [appellante 1] en [appellante 2] in hoger beroep zijn gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 24 mei 2024;
  • de memorie van grieven van [appellante 1] en [appellante 2], met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van FNV, met bijlagen.
In de zaak met nummer 200.535.717/01
2.2
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de spoedappeldagvaarding (met grieven) van 19 november 2024 waarmee FNV in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 oktober 2024 (hierna: het kortgedingvonnis);
  • de akte uitlating en overlegging productie van FNV;
  • de incidentele vordering tot verwijzing en voeging tevens memorie van antwoord van [appellante 1] en [appellante 2], met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in het incident van FNV;
  • het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 maart 2025, met zaaknummer 200.348.578/01, waarbij de zaak is verwezen naar dit hof voor een gezamenlijke behandeling met de hoofdzaak.
In beide zaken
2.3
Op 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in beide zaken, waarbij de advocaten de zaken hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Deze zijn toegevoegd aan het procesdossier en maken daarvan deel uit.

3.Feiten en procedure in eerste aanleg

3.1
Het gaat in deze zaak om het volgende.
i) FNV is partij bij de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao). De cao is van 29 september 2021 tot en met 31 december 2022 en van 13 januari 2023 tot en met 31 december 2023 algemeen verbindend verklaard.
ii) In de uittreksels van de Kamer van Koophandel staat dat [appellante 1] als activiteit heeft ‘goederenvervoer over de weg’ en dat [appellante 2] als activiteit heeft ‘groothandel’ in diverse voedingswaren.
iii) Bij brieven van 28 juli 2022 heeft de Stichting VNB, die is belast met de controle op de naleving van de cao, aan [appellante 1] en [appellante 2] bericht dat zij signalen heeft gekregen waaruit blijkt dat de beide ondernemingen een aantal cao-bepalingen mogelijk niet correct naleven. Namens FNV verzoekt VNB om toezending van stukken om aan te tonen dat de cao correct is nageleefd.
iv) Nadat [appellante 1] en [appellante 2] de gevraagde stukken gedeeltelijk hebben toegestuurd, heeft VNB bij brieven van 1 december 2022 aan beide vennootschappen meegedeeld dat haar is gebleken dat de cao op een aantal punten niet of onvolledig wordt nageleefd. VNB geeft [appellante 1] en [appellante 2] tot 1 februari 2023 om de volgende aanpassingen door te voeren en om de benodigde nabetalingen te doen aan haar werknemers:
Art. 10 cao Pro: werknemers met een oproepcontract die niet voldoen aan de definitie van een oproepkracht in de zin van de cao krijgen een deeltijd- of voltijd contract;
Art. 19 en Pro 21 cao: alle werknemers zijn ingeschaald in de trede die past bij zijn of haar ervaring en/of dienstjaren;
 Art. 26a jo. 27 en 29 cao: het loon (inclusief over- en weekendwerk) wordt volgens de cao berekend en de overeengekomen arbeidsduur wordt gegarandeerd;
Art 40 cao Pro: de verblijfkostenvergoeding wordt volgens de cao berekend en de juiste bedragen worden gehanteerd;
 Art. 67a lid 9 cao: de vakantiedagen worden gereserveerd, het saldo en de mutaties van de vakantiedagen worden vermeld op de loonspecificaties en tijdens vakantie wordt het juiste loon (inclusief toeslagen) betaald;
Art. 68 cao Pro: de werknemers ontvangen atv-dagen en het saldo en de mutaties van de atv-dagen worden weergegeven op de loonspecificaties.
Verder verlangt VNB de volgende aanpassingen:
Art. 69 cao Pro: vanaf 1 januari 2023 wordt de vakantiebijslag berekend volgens de cao;
Art. 7 lid 4 cao Pro: per direct wordt er bij schade veroorzaakt door een werknemer geen bedrag aan eigen risico meer ingehouden op het salaris, tenzij dit is toegestaan op grond van de wet en cao.
VNB heeft [appellante 1] en [appellante 2] verzocht om uiterlijk 10 maart 2023 schriftelijke bewijsstukken toe te sturen waaruit blijkt dat de geconstateerde overtredingen zijn hersteld.
v) [appellante 1] en [appellante 2] hebben de door VNB gewenste bewijsstukken niet aan VNB toegestuurd.
3.2
Bij inleidende dagvaarding van 13 juni 2023 heeft FNV de kantonrechter verzocht om [appellante 1] en [appellante 2] te veroordelen:
  • tot naleving van de art. 7 lid 4 sub Pro b, 10, 19, 21 (ten aanzien van [appellante 2]), 25, 26a, 40, 67a, 68 en 69 van de cao over de periode 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2022 en over de periode 13 januari 2023 tot en met 1 juni 2023, alsmede de afgifte van (kort gezegd) bewijsstukken dat de cao in deze periodes op correcte wijze is toegepast en dat de benodigde nabetalingen aan de werknemers zijn voldaan, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [appellante 1] en [appellante 2] daarmee in gebreke blijven, te rekenen vanaf vier weken na betekening van het vonnis;
  • tot betaling aan de betreffende werknemers van de loonaanspraken, toeslagen en/of vergoedingen die voortvloeien uit de hiervoor genoemde veroordeling, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over de verschuldigde bedragen en de wettelijke rente, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag indien [appellante 1] en [appellante 2] niet binnen vier weken na dagtekening van het vonnis aan de veroordeling voldoen;
  • tot betaling van schadevergoeding aan FNV ten bedrage van € 4.400,- (ten aanzien van [appellante 1]) en € 17.837,50 (ten aanzien van [appellante 2]).
3.3
De kantonrechter heeft de vorderingen van FNV toegewezen, met dien verstande dat zij de dwangsommen heeft gesteld op € 250,- per dag met een maximum van (kort gezegd) in totaal € 100.000,-.
3.4
FNV heeft het vonnis op 8 juni 2024 aan [appellante 1] en [appellante 2] laten betekenen. Bij deurwaardersexploot van 22 augustus 2024 heeft FNV aangezegd dat er tot aan die datum een bedrag van € 46.000,- aan dwangsommen was verbeurd en heeft zij [appellante 1] en [appellante 2] gesommeerd tot betaling daarvan. Op 10 september 2024 heeft FNV executoriaal beslag laten leggen op een aantal voertuigen van [appellante 1].
3.5
Bij dagvaarding van 11 september 2024 hebben [appellante 1] en [appellante 2] de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland primair verzocht om het vonnis van de kantonrechter te schorsen, en/of de dwangsommen op te heffen, te schorsen en/of te matigen tot nihil, en/of FNV te verbieden het vonnis ten uitvoer te leggen, een en ander op straffe van een dwangsom.
Subsidiair hebben [appellante 1] en [appellante 2] gevorderd (voor zover [appellante 1]/[appellante 2] enig bedrag aan loon aan de chauffeurs moet(en) betalen) dat FNV, hangende het hoger beroep, gedoogt dat de te veel betaalde verblijfkosten worden verrekend met het nog te betalen loon. Daarnaast hebben zij gevorderd dat FNV het executoriaal beslag van 10 september 2024 opheft, dat de tenuitvoerlegging van het executoriaal beslag wordt geschorst, of dat FNV wordt verboden de voertuigen te verkopen hangende het hoger beroep van [appellante 1] en [appellante 2], alle vorderingen op straffe van een dwangsom.
3.6
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat FNV een onvoldoende concreet en zwaarwegend belang heeft bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van schadevergoeding aan FNV. Het vonnis van de kantonrechter is daarom in zoverre geschorst. Voor het overige zijn de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2] afgewezen.
Beoordeling in hoger beroep
De bodemzaak met nummer 200.346.943/01
3.7
In de bodemzaak hebben [appellante 1] en [appellante 2] geconcludeerd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen en FNV zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellante 1] en [appellante 2] op grond van het vonnis aan FNV hebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van FNV in de proceskosten in beide instanties. FNV heeft geconcludeerd tot (kort gezegd) bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante 1] en [appellante 2] in de proceskosten in hoger beroep.
3.8
Met grief 1 klagen [appellante 1] en [appellante 2] dat [appellante 2] niet onder de werkingssfeer van de cao valt.
3.9
Art. 2 van Pro de cao bepaalt het volgende:
“Werkingssfeer
1. Deze overeenkomst is van toepassing op:
a. Alle werkgevers en werknemers van in Nederland gevestigde ondernemingen die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet wegvervoer goederen (…) verrichten, en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verrichten anders dan van personen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen.
b. (…)
2. a. De overeenkomst is niet van toepassing op ondernemingen die:
- een eigen CAO dienen toe te passen; ofwel
- een eigen bedrijfstak CAO dienen toe te passen; ofwel
- over een eigen vastgelegd arbeidsvoorwaardenpakket beschikken.
Daarbij worden de volgende voorwaarden gesteld:
- Het niveau van voormelde regelingen dient tenminste gelijkwaardig te zijn aan het niveau van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen en;
- De hoofdactiviteit van de onderneming is een andere dan beroepsgoederenvervoer over de weg, logistieke dienstverlening of verhuur van mobiele kranen.
2. b. De hoofdactiviteit van de onderneming is een andere dan beroepsgoederenvervoer over de weg, logistieke dienstverlening of de verhuur van mobiele kranen, wanneer in de regel niet meer dan 20% van de omzet met voornoemde activiteiten wordt gerealiseerd.
(…)”
3.1
FNV heeft over de toepasselijkheid van de cao op [appellante 2] in eerste aanleg het volgende gesteld. [appellante 1] en [appellante 2] oefenen beide een transportbedrijf uit. De ondernemingen zijn bij de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten en ten aanzien van de inzet van personeel met elkaar verweven. Veel van de transportopdrachten van [appellante 1] worden uitgevoerd door het personeel dat in dienst is bij [appellante 2]. [appellante 1] beschikt over 33 vergunningen die door de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) zijn verstrekt. [appellante 2] beschikt niet over NIWO-vergunningen, maar beide ondernemingen werden (indirect) bestuurd door één directeur (tevens grootaandeelhouder, DGA), namelijk dhr. P.H.J. [appellante 2], en het is voldoende aannemelijk dat haar werknemers rijden op de vergunningen van [appellante 1]. Uit de arbeidsovereenkomsten en loonstroken blijkt dat er elf werknemers werkzaam zijn/waren bij [appellante 1] en 54 werknemers bij [appellante 2]. Daarvan was het overgrote deel werkzaam in de functie van chauffeur.
3.11
De stellingen van FNV rechtvaardigen de conclusie dat [appellante 2] voldoet aan het bepaalde in art. 2 lid 1 onder Pro a van de cao. Anders dan [appellante 1] en [appellante 2] stellen betekent het feit dat [appellante 2] geen NIWO-vergunning heeft, niet dat [appellante 2] buiten de werkingssfeer van de cao valt. Waar het om gaat is of [appellante 2] over een dergelijke vergunning behoort te beschikken gezien de aard van haar werkzaamheden. FNV heeft aangevoerd dat de Inspectie Leefomgeving en Transport in 2020 heeft vastgesteld dat [appellante 2] zich in ieder geval vanaf september 2019 heeft beziggehouden met vergunningplichtig vervoer. [appellante 1] en [appellante 2] hebben dit niet betwist.
3.12
[appellante 1] en [appellante 2] hebben verder een beroep gedaan op art. 2 lid 2 onder Pro a van de cao. Zij stellen dat op [appellante 2] de cao voor de foodservice en de groothandel in levensmiddelen van toepassing is (hierna: cao foodservice). Dit volgt volgens hen uit het feit dat [appellante 2] is aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds Foodservice & groothandel in levensmiddelen en niet bij het pensioenfonds Vervoer.
3.13
Naar het oordeel van het hof hebben [appellante 1] en [appellante 2] onvoldoende feitelijke gegevens verstrekt op basis waarvan kan worden vastgesteld dat op [appellante 2] de cao foodservice van toepassing is. Bovendien is niet gebleken dat de cao foodservice ten minste gelijkwaardig is aan de cao voor het beroepsgoederenvervoer, en/of dat de hoofdactiviteit van [appellante 2] een andere is dan beroepsgoederenvervoer over de weg, zoals wordt vereist in art. 2 lid 2 onder Pro a van de cao.
3.14
[appellante 1] en [appellante 2] hebben naar voren gebracht dat [appellante 2] haar activiteiten (op het gebied van het beroepsgoederenvervoer) per 1 januari 2023 heeft beëindigd. Die stelling doet er niet aan af dat [appellante 2] vóór de bedrijfsbeëindiging onder de werkingssfeer van de cao viel.
3.15
Grief 1 is dus ongegrond.
3.16
Met grief 2 hebben [appellante 1] en [appellante 2] aangevoerd dat het vonnis onduidelijk, onvolledig en/of onuitvoerbaar is. Hun kritiek ziet in het bijzonder op de loonschaalindeling, de loonbetaling, de verblijfskostenvergoeding en de overuren. Ter zake van de loonschaalindeling en de loonbetaling hebben [appellante 1] en [appellante 2] aangevoerd dat [appellante 1] de chauffeurs bij indiensttreding naar beste weten heeft ingedeeld en dat zij na het vonnis van de kantonrechter onmiddellijk een loonadministrateur heeft ingeschakeld om correcties door te voeren. FNV heeft slechts drie namen van werknemers genoemd die onjuist zouden zijn ingeschaald. Niettemin heeft [appellante 1] al haar (voormalig) werknemers (nogmaals) gevraagd om informatie te verschaffen over hun eerdere werkervaring zodat kan worden bezien of zij destijds juist zijn ingeschaald. Van [appellante 1] kan niet verlangd worden dat zij meer doet dan zij heeft gedaan.
3.17
Naar het oordeel van het hof gaat het [appellante 1] en [appellante 2] niet zozeer erom dat het vonnis onduidelijk of onvolledig is. Dit volgt niet alleen uit de grieven maar ook uit het antwoord van [appellante 1] en [appellante 2] op vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling, [appellante 1] en [appellante 2] hebben echter niet voldoende concreet toegelicht hoe het hof het vonnis op het punt van de naleving van art. 19 cao Pro zou moeten verduidelijken. Het gaat [appellante 1] feitelijk om het antwoord op de vraag of zij er alles aan heeft gedaan om redelijkerwijs te voldoen aan de door de rechtbank uitgesproken veroordeling om art. 19 van Pro de cao na te leven. De vraag of [appellante 1] het vonnis heeft uitgevoerd of dat zij dwangsommen heeft verbeurd vanwege het niet (volledig) uitvoeren van het vonnis, kan niet aan het hof worden voorgelegd in het kader van het hoger beroep tegen het vonnis waarin de veroordeling is uitgesproken.
3.18
Over de verblijfkosten hebben [appellante 1] en [appellante 2] aangevoerd dat [appellante 1] aan de chauffeurs een verblijfskostenvergoeding van € 40,- netto per dag betaalt, terwijl de omvang van de vergoeding had moeten worden bepaald aan de hand van een cao-staffel. In een aantal gevallen is de feitelijk uitbetaalde vergoeding hoger dan de vergoeding die [appellante 1] op grond van de cao had moeten betalen. [appellante 1] en [appellante 2] zijn van mening dat [appellante 1] de te veel betaalde verblijfskostenvergoeding moet kunnen verrekenen met het nog te betalen loon. Daarop ziet haar subsidiaire vordering in hoger beroep, zoals weergegeven in 3.5.
3.19
Ook hier geldt dat [appellante 1] en [appellante 2] niet klagen over het vonnis zelf, maar over de wijze waarop het vonnis ten uitvoering zou moeten worden gelegd. Daarvoor is in dit hoger beroep geen plaats. Het hof verwijst overigens naar nr. 26 van de memorie van antwoord, waarin FNV schrijft: “Dat de verwijskostenvergoeding (verblijfskostenvergoeding,
hof) van € 40,- per dag die betaald is, in mindering kan komen op een en ander, is wat FNV betreft ook geen discussiepunt.” Het hof leidt hieruit af dat de gewenste verrekening niet langer een discussiepunt is.
3.2
Over de overuren hebben [appellante 1] en [appellante 2] aangevoerd dat FNV zich pas tijdens het kort geding op het standpunt heeft gesteld dat [appellante 1] geen overuren zou hebben vergoed en daarvan slechts één voorbeeld heeft gegeven. Na het kort geding heeft [appellante 1] een en ander gecontroleerd en, voor zover nodig, gecorrigeerd. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze stellingen niet dat het vonnis van de kantonrechter onduidelijk, onvolledig of onuitvoerbaar is.
3.21
De slotsom is dat, anders dan [appellante 1] en [appellante 2] aanvoeren, de kantonrechter de vordering van FNV niet had hoeven af te wijzen op de grond dat deze onduidelijk, onvolledig, weinig concreet of onuitvoerbaar was. Grief 2 is dus ongegrond.
3.22
Met grief 3 klagen [appellante 1] en [appellante 2] over de door de kantonrechter toegewezen wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Naar het oordeel van het hof zijn er gronden om de wettelijke verhoging te matigen maar niet verder dan tot 35%. [appellante 1] en [appellante 2] zijn weliswaar aan de slag gegaan met aanpassingen aan de loonadministratie maar pas na diverse aanmaningen van VNB en FNV, zodat de betrokken werknemers onnodig lang moe(s)ten wachten op de nabetalingen. Wat betreft de wettelijke rente geldt dat een ingebrekestelling niet nodig is omdat de voldoening van het loon (en bijbehorende vergoedingen) is gebonden aan een bepaalde termijn (art. 7:616 BW Pro in verbinding met art. 6:83 aanhef Pro en onder a BW). De stelling van [appellante 1] en [appellante 2] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om naast de wettelijke verhoging ook de wettelijke rente te vorderen, is niet toegelicht. Daarom verwerpt het hof die stelling. De conclusie is dat grief 3 ongegrond is.
3.23
Met grief 4 voeren [appellante 1] en [appellante 2] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat FNV recht heeft op een dwangsom van € 250,- per dag per overtreding, als [appellante 1] en [appellante 2] niet binnen vier weken aan de veroordelingen voldoen. Volgens [appellante 1] en [appellante 2] heeft FNV bij e-mail van 16 juli 2024 toegezegd dat de dwangsommen niet zouden worden geïnd zolang goed wordt meegewerkt aan het uitvoeren van het vonnis. Zij zijn van mening dat zij goed hebben meegewerkt. Na het vonnis is er een discussie ontstaan over de loonschaalindeling en de verblijfskostenvergoeding, waardoor het ondanks alle inspanningen niet mogelijk was om volledig aan het vonnis te voldoen. Onder deze omstandigheden is de dwangsom onterecht en de termijn van vier weken veel te kort.
3.24
Het hof overweegt als volgt. Art. 611d Rv bepaalt dat de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom kan opheffen, de looptijd ervan kan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom kan verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Voor zover [appellante 1] en [appellante 2] erover klagen dat het onmogelijk was om binnen vier weken na betekening van het vonnis aan de hoofdveroordelingen te voldoen, hadden zij zich dus kunnen richten tot de kantonrechter Rotterdam. Dat, en op welke gronden, de kantonrechter een termijn van meer dan vier weken had moeten opleggen, hebben [appellante 1] en [appellante 2] niet voldoende concreet toegelicht. Zij wijzen immers slechts op omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het wijzen van het vonnis. Gezien de huidige omstandigheden, waarbij er arrest wordt gewezen op een termijn van ruim anderhalf jaar na het vonnis, acht het hof het niet nodig om een extra termijn op te leggen.
3.25
Of [appellante 1] en [appellante 2] al dan niet voldaan hebben aan de veroordelingen waardoor de dwangsommen niet zijn verbeurd, ligt niet in deze zaak voor. Overigens kan het hof op basis van de overgelegde stukken ook niet beoordelen of is voldaan aan de veroordelingen, al was het maar omdat [appellante 1] en [appellante 2] niet voldoende concreet hebben toegelicht welke informatie zij per werknemer aan FNV hebben overgelegd en waarom er (per werknemer) verschil van mening bestaat over de vraag of die werknemer het juiste loon heeft ontvangen. Datzelfde geldt voor hun stelling dat de dwangsommen niet verbeurd zijn omdat zij steeds goed hebben meegewerkt aan het uitvoeren van het vonnis.
3.26
[appellante 1] en [appellante 2] beroepen zich ook nog op de regel dat er geen dwangsom kan worden opgelegd ter zake van de betaling van een geldsom als hoofdveroordeling (art. 611a Rv). Zij leiden hieruit af dat aan de vordering tot betaling van loon, overwerktoeslag, vakantiebijslag, wettelijke verhoging en wettelijke rente geen dwangsom kan worden verbonden. Deze stelling gaat in dit geval niet op. [appellante 1] en [appellante 2] moeten deze betalingen op grond van het vonnis verrichten aan hun werknemers, niet aan FNV. FNV kan de betaling niet afdwingen door middel van een executoriaal beslag en heeft daarom belang bij het opleggen van een dwangsom.
3.27
Grief 5 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante 1] een schadevergoeding van € 4.400,- aan FNV moet betalen en [appellante 2] een schadevergoeding van € 17.837,50. [appellante 1] en [appellante 2] vinden een uurtarief van € 175,- te hoog voor het bepalen van de materiële schade. Zij hebben verder betwist dat FNV immateriële schade heeft geleden.
3.28
Ingevolge art. 15 van Pro de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst is FNV gerechtigd om schadevergoeding te vorderen, waaronder ook kan worden verstaan immateriële schadevergoeding wegens reputatieschade. FNV pleegt de materiële schade te berekenen aan de hand van een stroomschema, dat zij in deze procedure heeft overgelegd. [appellante 1] en [appellante 2] hebben niet toegelicht waarom dat stroomschema (in dit geval) tot een onjuiste of onbillijke uitkomst leidt. De enkele omstandigheid dat het schema geen wettelijke grondslag heeft, betekent nog niet dat het schema geen redelijk middel zou kunnen zijn om in dit soort situaties de omvang van de schade van FNV te berekenen. Voor zover zij van mening zijn dat het uurtarief van € 175,- te hoog is omdat dit erop zou neerkomen dat een fulltime medewerker € 30.000,- per maand zou verdienen, zien zij eraan voorbij dat dit uurtarief niet rechtstreeks aan de desbetreffende werknemer wordt doorbetaald, maar dat het te doen gebruikelijk is dat in dit tarief meerdere (ook organisatorische) kosten worden verdisconteerd. Grief 5 is dus ongegrond.
3.29
Met grief 6 klagen [appellante 1] en [appellante 2] dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Zij voeren aan dat zij in eerste aanleg niet of nauwelijks verweer hebben gevoerd, dat het vonnis onvoldoende duidelijkheid biedt over wat [appellante 1] en [appellante 2] moeten doen en dat FNV misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het vonnis te executeren. De grief faalt. De door [appellante 1] en [appellante 2] genoemde omstandigheden spelen geen rol bij het antwoord op de vraag of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard. De grief is dus ongegrond.
3.3
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante 1] en [appellante 2] niet slaagt, met uitzondering van de grief over de wettelijke verhoging. Daarom zal het hof het vonnis op dit punt vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Grief 7, waarin [appellante 1] en [appellante 2] klagen dat zij zijn veroordeeld in de proceskosten, faalt omdat zij in eerste aanleg nog steeds hebben te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Ook in hoger beroep zal het hof [appellante 1] en [appellante 2] als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten. Deze kosten in hoger beroep worden begroot op € 798,- aan griffierechten, € 2.580,- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punten) en € 189,- aan nakosten. In totaal komt dit uit op € 3.567,-.
De kortgedingzaak met zaaknummer 200.353.717/01
3.31
In de kortgedingzaak heeft FNV geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2], met veroordeling van hen in de proceskosten in beide instanties. [appellante 1] en [appellante 2] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van FNV in de proceskosten in hoger beroep.
3.32
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft FNV toegelicht dat zij nog steeds belang heeft bij het hoger beroep tegen het kortgedingvonnis. De reden hiervoor is niet alleen gelegen in de ten laste van FNV uitgesproken proceskostenveroordeling, maar ook in de precedentwerking die mogelijk van dat vonnis zal uitgaan.
3.33
Het uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan worden ten uitvoer gelegd. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat voor het slagen van een vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad moet komen vast te staan (a) dat het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke misslag of (b) dat het belang van [appellante 1] en [appellante 2] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van FNV bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter in rov. 4.5 van het kortgedingvonnis op goede gronden beslist dat van een kennelijke misslag in het vonnis van de kantonrechter geen sprake is.
3.34
De grieven 1 en 2 van FNV zijn gericht tegen de door de voorzieningenrechter uitgevoerde belangenafweging. FNV heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er bij tenuitvoerlegging een faillissementssituatie voor [appellante 1] en [appellante 2] dreigt. De voorzieningenrechter heeft overwogen in dat verband van belang is dat het vonnis van 24 mei 2024 geen uitsluitsel geeft over een aantal cruciale punten die partijen verdeeld houden, waaronder de vraag in welke loonschaal de werknemers hadden moeten worden ingedeeld. FNV betoogt dat [appellante 1] en [appellante 2] op grond van het vonnis in de bodemzaak moeten voldoen aan de cao. Zij moeten daarvoor bijvoorbeeld berekeningen van beloningen aanleveren en een correcte inschaling van de chauffeurs. Het beroep van [appellante 1] en [appellante 2] op betalingsonmacht is volgens FNV niet relevant omdat het aanleveren van de gevraagde gegevens niets te maken heeft met betalingen. In het kader van een executiegeschil kan worden beoordeeld of [appellante 1] en [appellante 2] aan de veroordeling hebben voldaan. Een discussie over de te betalen bedragen kan op dit moment nog altijd niet gevoerd worden omdat [appellante 1] en [appellante 2] geen cijfers aanleveren, aldus FNV.
3.35
FNV heeft verder aangevoerd dat zij een concreet en zwaarwegend belang heeft bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis. Dat belang is gelegen in het feit dat naleving van de cao een maatschappelijk belang dient. Omdat [appellante 1] en [appellante 2] niet aan de cao voldoen, kunnen zij volgens FNV werken tegen lagere prijzen. Zij zijn daarmee een bedreiging voor de sector. Als gevolg van het feit dat de voorzieningenrechter het vonnis grotendeels heeft geschorst, heeft FNV nog steeds niet de bescheiden ontvangen om te kunnen controleren of [appellante 1] en [appellante 2] inmiddels voldoen aan het vonnis.
3.36
Naar het oordeel van het hof heeft FNV terecht het standpunt ingenomen dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van 25 mei 2024 niet had behoren te schorsen. [appellante 1] en [appellante 2] hebben onvoldoende concreet gemaakt waarom zij een zwaarder wegend belang hadden bij behoud van de bestaande toestand hangende het hoger beroep, dan de hiervoor in 3.34 en 3.35 geschetste zwaarwegende belangen van FNV bij de tenuitvoerlegging van dat vonnis.
3.37
De omstandigheid dat partijen het tijdens de kortgedingprocedure niet eens waren (en overigens nog steeds niet zijn) over de vraag in hoeverre [appellante 1] en [appellante 2] aan hun verplichtingen uit hoofde van dat vonnis hadden voldaan, betekent nog niet dat [appellante 1] en [appellante 2] een voldoende zwaarwegend belang hadden om de tenuitvoerlegging te schorsen. Daarbij is van belang dat [appellante 1] en [appellante 2] in het kader van het uitvoeren van het vonnis een inzichtelijke herberekening moeten maken van het loon, de overuren, het vakantiesaldo en de vakantiebijslag die zij op grond van de cao aan hun werknemers moeten voldoen. In de ogen van FNV hebben zij nog steeds niet aan deze verplichting voldaan, hoewel [appellante 1] en [appellante 2] van mening zijn (naar het hof begrijpt) dat alle benodigde herberekeningen inmiddels zijn gemaakt. [appellante 1] en [appellante 2] zijn van mening dat zij ook alle (althans de meeste) nabetalingen hebben gedaan die uit de herberekeningen voortvloeien. Wie het gelijk aan haar zijde heeft en of [appellante 1] en [appellante 2] dwangsommen zijn verschuldigd wegens het niet-nakomen van hun verplichtingen, moet in een executiegeschil worden beslecht.
3.38
[appellante 1] en [appellante 2] hebben aangevoerd dat er een faillissementssituatie zou ontstaan als zij het vonnis van 25 mei 2024 zouden moeten uitvoeren door alle werknemers in de hoogste loonschaal in te delen. Zij zien er echter aan voorbij dat zij alleen aanzienlijke loonverplichtingen aan de werknemers hebben, als komt vast te staan dat de werknemers (voor het grootste gedeelte) in de hoogste loonschaal zitten. Op basis van de overgelegde stukken en daarop gegeven toelichtingen in dit hoger beroep kan het hof dit in ieder geval niet vaststellen. Er was voor de voorzieningenrechter dan ook geen reden om in oktober 2024 de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen vanwege een dreigende financiële noodsituatie aan de zijde van [appellante 1] en [appellante 2] als zij aan het vonnis zou moeten voldoen.
3.39
Voor zover [appellante 1] en [appellante 2] meer tijd nodig menen te hebben om de benodigde informatie (die zij deels moeten opvragen bij in het buitenland wonende oud-werknemers) te bemachtigen en zij op grond daarvan vragen om opheffing van de dwangsom of opschorting van de looptijd, had deze vordering aanhangig moeten worden gemaakt bij de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen in rov. 4.13 van het kortgedingvonnis.
3.4
De conclusie is dat de grieven 1 en 2 gegrond zijn.
3.41
Met grief 3 voert FNV aan dat de voorzieningenrechter had moeten beoordelen of de dwangsommen zijn verbeurd. FNV is van mening dat dat het geval is, omdat deze verbeurd zijn vanaf vier weken na betekening van het vonnis van 24 mei 2024. Volgens FNV zijn er nog steeds niet de juiste berekeningen verstrekt. Deze grief hangt samen met de subsidiaire vordering van [appellante 1] en [appellante 2] dat het executoriaal beslag van 10 september 2024 wordt opgeheven, de tenuitvoerlegging van het executoriaal beslag wordt geschorst en/of dat FNV wordt verboden de voertuigen hangende het hoger beroep van [appellante 1] en [appellante 2] te verkopen, een en ander op straffe van een dwangsom. Die vordering moet het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep beoordelen.
3.42
[appellante 1] en [appellante 2] hebben in eerste aanleg in verband met hun subsidiaire vordering aangevoerd dat zij geen dwangsommen hebben verbeurd omdat FNV bij e-mail van 16 juli 2024 heeft toegezegd geen aanspraak te zullen maken op dwangsommen zolang medewerking zou worden verleend. Voor zover er wel dwangsommen zijn verbeurd, zijn zij van mening dat FNV misbruik van haar bevoegdheid maakt omdat [appellante 1] en [appellante 2] alle medewerking verlenen aan de uitvoering die redelijkerwijs van hen kan worden verlangd.
3.43
Het hof stelt voorop dat FNV’s toezegging bij e-mail van 16 juli 2024 niet inhoudt dat er na betekening van het vonnis in de bodemzaak geen dwangsommen zouden worden verbeurd als [appellante 1] en [appellante 2] goed zouden meewerken, maar slechts dat FNV daarop geen aanspraak zou maken. Uit het exploot van 22 augustus 2024 volgt impliciet dat FNV op dat moment van mening was dat zij niet langer aan die toezegging was gebonden omdat, zo blijkt uit haar stellingen in deze procedure en de procedure in de bodemzaak, [appellante 1] en [appellante 2] in haar ogen niet voldoende medewerking verlenen. Dat het exploot uitsluitend is uitgebracht om [appellante 1] en [appellante 2] te forceren om akkoord te gaan met de hoogste loonschaal voor alle medewerkers, is niet onderbouwd. Uit de stellingen van FNV blijkt veeleer dat FNV van mening is dat [appellante 1] en [appellante 2] op meerdere punten niet voldoen aan het vonnis.
3.44
Naar het oordeel van het hof heeft FNV evenmin misbruik van recht gemaakt door de dwangsommen te executeren. Anders dan [appellante 1] en [appellante 2] aanvoeren, kan niet worden gezegd dat zij redelijkerwijs alles hebben gedaan om het vonnis te goeder trouw uit te voeren. Zo heeft FNV er terecht op gewezen dat [appellante 1] en [appellante 2] in verband met de kwestie van de inschaling hun oud-werknemers hebben aangeschreven om nadere informatie over hun arbeidsverleden toe te sturen, maar in de e-mails die zij aan hun oud-werknemers hebben gestuurd, niet hebben vermeld om welke reden zij deze informatie nodig hebben. Dat er vervolgens nauwelijks werknemers hebben gereageerd, kan dan ook niet verbazen. Verder geldt voor [appellante 2], dat zij zelf heeft erkend nog geen enkele berekening te hebben verstrekt omdat zij van mening is dat zij niet onder de werkingssfeer van de cao valt. Dat standpunt is onjuist, zoals hiervoor al is geoordeeld. Dat [appellante 2] meende dat het vonnis in de bodemzaak op dit punt zou worden vernietigd – terwijl dit nu anders uitpakt –, komt voor haar rekening en risico.
3.45
Kortom, de subsidiaire vordering tot opheffing of schorsing van het executoriale beslag, is ongegrond. De daarmee samenhangende grief 3 van FNV behoeft geen nadere bespreking.
3.46
De overige kortgedingvorderingen van [appellante 1] en [appellante 2] zijn ingesteld voor de periode ‘hangende het hoger beroep’. Nu het arrest in kort geding gelijktijdig wordt gewezen met het arrest in de bodemzaak, hoeft het hof deze vorderingen niet te behandelen.
3.47
De conclusie is dat het hoger beroep van FNV slaagt en dat het kortgedingvonnis moet worden vernietigd. [appellante 1] en [appellante 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. De kosten in eerste aanleg worden begroot op € 115,22 aan explootkosten, € 130,- aan griffierechten en € 2.214,- aan salaris advocaat. In totaal gaat het in eerste aanleg om € 2.459,22. De kosten in hoger beroep worden begroot op € 827,- aan griffierechten, € 2.580,- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punten) en € 189,-. In totaal gaat het in hoger beroep om € 3.596,-.

4.Beslissing

Het hof:
in de zaak met nummer 200.346.943/01:
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 24 mei 2024, voor zover [appellante 1] en [appellante 2] daarbij in rov. 3.5 en rov. 3.6 zijn veroordeeld tot betaling van de wettelijke verhoging van 50%, zoals bedoeld in art. 7:625 BW Pro,
en
opnieuw rechtdoende:
o veroordeelt [appellante 1] tot betaling van een wettelijke verhoging, zoals bedoeld in art. 7:625 BW Pro, van 35% over de door haar aan haar werknemers verschuldigde loonaanspraken, toeslagen en/of vergoedingen die zijn ontstaan ten gevolge van de veroordeling door de kantonrechter in rov. 3.3 van het vonnis van 24 mei 2024;
o veroordeelt [appellante 2] tot betaling van een wettelijke verhoging, zoals bedoeld in art. 7:625 BW Pro van 35%, over de door haar aan haar werknemers verschuldigde loonaanspraken, toeslagen en/of vergoedingen die zijn ontstaan ten gevolge van de veroordeling door de kantonrechter in rov. 3.4 van het vonnis van 24 mei 2024;
  • bekrachtigthet vonnis voor het overige;
  • veroordeelt [appellante 1] en [appellante 2] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van FNV tot op heden begroot op € € 3.567,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante 1] en [appellante 2] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als [appellante 1] en [appellante 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante 1] en [appellante 2] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante 1] en [appellante 2] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;

in de zaak met nummer 200.353.717/01:

- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 oktober 2024,
en
opnieuw rechtdoende:
o wijst de vorderingen van [appellante 1] en [appellante 2] af;
  • veroordeelt [appellante 1] en [appellante 2] in de kosten van de procedure bij de rechtbank, aan de zijde van FNV tot op 22 oktober 2024 begroot op € 2.459,22;
  • veroordeelt [appellante 1] en [appellante 2] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van FNV tot op heden begroot op € 3.596,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante 1] en [appellante 2] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als [appellante 1] en [appellante 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante 1] en [appellante 2] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante 1] en [appellante 2] deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;

in beide zaken:

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, M.J. van Cleef-Metsaars en L.G. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.