ECLI:NL:GHDHA:2026:140

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.358.490/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:250 BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:156 BWArt. 826 lid 1 sub c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap met regeling hoofdverblijf, zorg en alimentatie

Partijen zijn geregistreerd partners die hun partnerschap ontbonden hebben gekregen door de rechtbank. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen is bij de vader vastgesteld, wat het hof bekrachtigt omdat dit overeenkomt met de feitelijke situatie. De moeder woont in een anti-kraakpand en heeft onvoldoende ruimte voor de kinderen, waardoor het hof geen aanleiding ziet om hiervan af te wijken.

De zorgregeling is deels in geschil. De moeder wenst een ruimere regeling en co-ouderschap, terwijl de vader en de bijzondere curator dit niet wenselijk achten vanwege het afwijzen van contact door een van de kinderen. Het hof benoemt een nieuwe bijzondere curator met orthopedagogische expertise om nader onderzoek te doen naar de wensen en mogelijkheden van het kind en contactherstel.

De kinderalimentatie is niet gewijzigd omdat de hoofdverblijfplaats bij de vader blijft. De partneralimentatie wordt door het hof vastgesteld op €1.555,- bruto per maand vanaf 27 augustus 2025, vermeerderd met wettelijke indexering tot €1.626,- per maand vanaf 1 januari 2026. Dit bedrag is lager dan de door de moeder gevorderde alimentatie vanwege onvoldoende inzicht in de financiële situatie van de vader.

De vader heeft onvoldoende transparantie gegeven over zijn inkomsten, investeringen en financiële positie, waardoor het hof zijn draagkracht beperkt inschat. De procedure wordt aangehouden voor het onderzoek van de bijzondere curator, waarna verdere beslissingen over de zorgregeling volgen.

Uitkomst: Hoofdverblijfplaats bij vader bekrachtigd, partneralimentatie vastgesteld op €1.555,- per maand, nieuwe bijzondere curator benoemd voor zorgregeling onderzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.358.490/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-3333 en FA RK 25-3719
zaaknummers rechtbank : C/10/678275 en C/10/699561
beschikking van de meervoudige kamer van 28 januari 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[bijzondere curator 1] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam (hierna te noemen: de rechtbank) van 13 juni 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 27 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vader heeft op 16 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 10 oktober 2025 met bijlagen, ingekomen op 15 oktober 2025;
- een brief van de zijde van de vader van 14 oktober 2025, ingekomen op diezelfde datum,
- een journaalbericht van de zijde van de bijzondere curator van 5 november 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader van 7 november 2025 met bijlage, ingekomen op 10 november 2025.
2.4
Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van de zijde van de moeder van 3 december 2025 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.5
De nader te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben bij brief van 16 september 2025 respectievelijk 10 november 2025 aan het hof hun mening kenbaar gemaakt ten aanzien van de verzoeken omtrent hun hoofdverblijfplaats en de zorg- en contactregeling.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 18 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de bijzondere curator.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum] 2008 te [plaats] . Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken. Het geregistreerd partnerschap van partijen is op 27 augustus 2025 ontbonden door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
3.4
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken en verder, voor zover in hoger beroep van belang:
- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal zijn;
- vastgesteld dat [minderjarige 2] in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen: de zorgregeling) bij de moeder zal zijn als volgt:
een keer per week uit school met eten en uitbreiding in overleg met [minderjarige 2] ;
- het verzoek van de moeder voor een zorgregeling met [minderjarige 1] afgewezen en bepaald dat er geen zorgregeling tussen hen zal gelden;
- de werkzaamheden van de bijzondere curator – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – met ingang van 13 juni 2025 als beëindigd beschouwd;
- bepaald dat de moeder aan de vader met ingang van 13 juni 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna te noemen: kinderalimentatie) van de kinderen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 96,50 per maand per kind;
- de beschikking, behalve ten aanzien van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- het meer of anders verzochte afgewezen, waaronder de verzoeken van de moeder om een door de vader te betalen kinderalimentatie vast te stellen en een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna te noemen: partneralimentatie) vast te stellen.
4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof (naar het hof begrijpt), voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en:
ten aanzien van het hoofdverblijf van de kinderen:
- te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de moeder wordt bepaald en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader;
ten aanzien van de zorgregeling:
-
primair, een week op week af regeling voor beide kinderen vast te stellen (co-ouderschap);
-
subsidiair, een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 2] vast te stellen van een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, met een dag in de week uit school tot en met het eten, alsmede de helft van de schoolvakantie, met verdere uitbreiding in overleg en ook een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] vast te stellen waarbij zij één keer per week contact hebben, met mogelijke uitbreiding;
ten aanzien van de kinderalimentatie:
- de vader te veroordelen om met ingang van 13 juni 2025 aan de moeder een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 2] te voldoen van € 359,- per maand en ten behoeve van [minderjarige 1] van € 140,- per maand;
ten aanzien van de partneralimentatie:
- de vader te veroordelen om, met ingang van de dag van de inschrijving van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie aan de moeder te voldoen van € 2.691,- bruto per maand, met veroordeling van de vader om de aldus door de vader te weinig betaalde partneralimentatie binnen een maand na de ten deze te wijzen beschikking van het hof aan de moeder te betalen, zo nodig met ingang van die dag te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3
De vader verzoekt het hof, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Hoofdverblijfplaats van de kinderen
Standpunten van partijen
5.1
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vader heeft bepaald. Toen de moeder uit de echtelijke woning vertrok, hebben de ouders immers afgesproken om elk één kind op hun adres in te schrijven. Op dit moment verblijft de moeder in een anti-kraakpand. Zij heeft geen slaapplek voor [minderjarige 2] en/of [minderjarige 1] en wil in aanmerking komen voor een huurwoning met meer dan één slaapkamer. Als de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij haar wordt bepaald, kan zij urgentie aanvragen voor het verkrijgen van een huurwoning. Voor zover er financiële gevolgen vastzitten aan het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder, zoals met betrekking tot het kindgebonden budget, kunnen partijen dit onderling regelen. Tot slot benadrukt de moeder dat het nog maar de vraag is of de vader in staat is om de echtelijke woning over te nemen, zodat de mening van [minderjarige 2] over zijn hoofdverblijfplaats nog kan veranderen.
5.2
De vader voert aan dat [minderjarige 2] sinds het begin van deze procedure duidelijk heeft aangegeven dat hij in de echtelijke woning wil blijven wonen. De vader begrijpt de wens van de moeder, maar het staat vast dat [minderjarige 2] momenteel feitelijk bij hem woont. Hij verzoekt het hof de feitelijke situatie in stand te houden en deze niet om praktische redenen te wijzigen. Het wijzigen van de situatie kan allerlei problemen opleveren, zoals de betaling van kinderbijslag en het wegvallen van toeslagen. De vader draagt momenteel (bijna) alle kosten van de kinderen en daarom weegt zijn belang, om geen onduidelijkheid te hebben over toeslagen waar hij recht op heeft en die nodig zijn om de kinderen van het nodige te voorzien, zwaarder dan het belang van de moeder om een onjuiste inschrijving te doen met als doel om een huurwoning te verkrijgen.
Juridisch kader
5.3
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
Oordeel van het hof
5.4
Op basis van de stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze, na een eigen afweging, tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking. Vast staat dat de kinderen – sinds het vertrek van de moeder uit de echtelijke woning – bij de vader wonen. De moeder woont in een anti-kraakpand en heeft onvoldoende ruimte voor (één van) de kinderen. Het hof acht het, net zoals de rechtbank, in het belang van de kinderen dat de feitelijke situatie overeenkomt met de juridische situatie. De mogelijke afspraken die partijen hierover in het verleden hebben gemaakt en de omstandigheid dat de moeder mogelijk urgentie kan verkrijgen voor een (sociale) huurwoning als de hoofdverblijfplaats van één van de kinderen bij haar wordt bepaald, zijn naar het oordeel van het hof geen aanleiding om van de vaststelling van de feitelijke situatie af te wijken. Mede omdat dit tot nieuwe financiële discussies tussen partijen kan leiden. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
Zorgregeling
Standpunten van partijen
5.5
De moeder stelt – samengevat – het volgende. Zij wenst haar verzoek met betrekking tot de zorgregeling met [minderjarige 2] in hoger beroep aan te passen, in die zin dat de overwegingen van de rechtbank over deze zorgregeling niet langer ter beoordeling voorliggen. In de praktijk blijft het contact tussen de moeder en [minderjarige 2] namelijk beperkt tot de door de rechtbank in de beschikking van 12 november 2024 vastgestelde regeling. Uitbreiding van dit contact blijkt nauwelijks mogelijk doordat er telkens praktische bezwaren worden aangevoerd. De moeder verzoekt om een ruimere zorgregeling, mede nu [minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij stopt met topsport, waardoor zijn trainingsbelasting afneemt en er meer ruimte ontstaat voor contact met zijn moeder. De moeder heeft verzocht de door haar en [minderjarige 2] gewenste zorgregeling nader te specificeren zodra het schoolrooster van [minderjarige 2] bekend is. Ten aanzien van de afwijzing van een zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] stelt de moeder zich op het standpunt dat de rechtbank haar beslissing onvoldoende en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De bepaling dat geen zorgregeling wordt vastgesteld, is in strijd met het advies van zowel de bijzondere curator als de raad. Bovendien volgt uit vaste jurisprudentie dat bij het vaststellen van een zorgregeling tot het uiterste moet worden gegaan en dat niet lichtvaardig mag worden afgezien van het bevorderen van contact(herstel). De rechtbank heeft nagelaten te concretiseren welke zwaarwegende belangen van [minderjarige 1] zich zouden verzetten tegen het vaststellen van een zorgregeling met de moeder en heeft evenmin gemotiveerd waarom het advies van de raad terzijde is geschoven. Tot slot wijst de moeder erop dat de vader [minderjarige 1] niet stimuleert om contact met haar moeder te onderhouden of naar haar toe te gaan, wat het contactherstel ernstig belemmert.
5.6
De vader voert aan dat hij zich nooit heeft verzet tegen (uitbreiding van) het contact tussen [minderjarige 2] en zijn moeder. Feitelijk is het contact in de afgelopen tweeënhalf jaar echter beperkt gebleven tot een wekelijkse eetafspraak. Ook de vakantieafspraken zijn in die periode niet uitgevoerd door de moeder. De vader wenst te benadrukken dat het huidige contact met de moeder tot stand is gekomen op initiatief van [minderjarige 2] zelf, die heeft voorgesteld om eens per twee weken na schooltijd tweemaal bij zijn moeder te eten. De vader hoopt dat het contact zich positief ontwikkelt en acht uitbreiding in beginsel in het belang van [minderjarige 2] , maar niet de door de moeder voorgestelde week op week af regeling, wat ook wordt bevestigd door de raad en de bijzondere curator. Daarbij merkt de vader op dat uitbreiding van de zorgregeling met [minderjarige 2] op grond van de bestreden beschikking reeds in onderling overleg mogelijk is, zodat de noodzaak van het hoger beroep op dit punt ontbreekt. Het forceren van contact tussen de moeder en [minderjarige 1] is niet in het belang van [minderjarige 1] , aldus de vader. De raad, de bijzondere curator en de rechtbank hebben dit onderschreven, waarbij [minderjarige 1] ook zelf haar verhaal bij de rechtbank heeft gedaan. De voortdurende juridische druk vanuit de moeder is schadelijk voor de mentale gesteldheid van [minderjarige 1] en dient ook niet haar belang, maar het eigen belang van de moeder. Hoewel de vader van mening is dat contact tussen [minderjarige 1] en haar moeder wenselijk is, acht hij het onverantwoord dit af te dwingen, nu dit het vertrouwen van [minderjarige 1] in hem zou schaden. In het belang van de geestelijke en lichamelijke gezondheid van [minderjarige 1] dient de moeder daarom, zij het tijdelijk, een stap terug te doen.
Standpunt van de bijzondere curator
5.7
De bijzondere curator constateert dat de situatie sinds het uitbrengen van haar vorige verslag ongewijzigd is gebleven. Zij maakt zich nog steeds ernstig zorgen over het contactverlies tussen [minderjarige 1] en haar moeder en over de mogelijke gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en haar emotionele en psychische welzijn. Verder benadrukt de bijzondere curator dat een blijvend gebrek aan contact met de moeder voor [minderjarige 1] risico’s met zich meebrengt. Zo kan dit invloed hebben op haar gevoel van veiligheid, identiteitsvorming en vertrouwen in hechte relaties op de lange termijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bijzondere curator nog gezegd dat zij het [minderjarige 1] gunt om, zelfs indien mogelijk onder dwang, therapeutische hulp te krijgen, zodat zij zich kan uitspreken over wat haar gekwetst heeft en de moeder daarop kan reageren. Op die manier hoopt de bijzondere curator dat op den duur contactherstel tussen [minderjarige 1] en de moeder mogelijk is. Tot slot benadrukt de bijzondere curator dat zij niet in staat is om het gezin hierbij te begeleiden, omdat zij geen toegang heeft tot [minderjarige 1] .
Juridisch kader
5.8
Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Oordeel van het hof
5.9
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [minderjarige 1] ieder contact met haar moeder afwijst en dat zij – op één ontmoeting in december 2024 na – sinds december 2023 geen contact meer met haar moeder heeft. Het hof heeft gezien – en tijdens de mondelinge behandeling besproken – dat de vader eveneens geen enkel contact met de moeder wil. Zo heeft hij in het gesprek met de bijzondere curator gezegd dat hij de moeder als een ontsteking ziet, die moet worden weggesneden. Deze uitspraak van de vader toont zijn houding ten opzichte van de moeder en deze houding baart het hof zorgen. Het hof vraagt zich af of de vader [minderjarige 1] daadwerkelijk kan en wil ondersteunen bij contactherstel met haar moeder en of hij in staat is daarvoor emotionele toestemming te geven. Het is daarom voor het hof onvoldoende duidelijk wat de reden is dat [minderjarige 1] geen contact met de moeder wil. Gelet op het belang van een evenwichtige ontwikkeling van een minderjarige is contact met beide ouders in beginsel zeer aanbevelenswaardig, hetgeen ook door de bijzondere curator is benadrukt. Daarom acht het hof het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in de redenen waarom zij het contact met de moeder weigert en mogelijke manieren tot eventueel contactherstel afwijst. De bijzondere curator heeft met [minderjarige 1] gesproken, maar heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld geen ingang bij haar te hebben gevonden. [minderjarige 1] zou zich niet gehoord voelen omdat haar weigering om de moeder te zien niet serieus wordt genomen en de bijzondere curator stelt daarom niets meer voor haar te kunnen betekenen. Naar het oordeel van het hof is het echter zeer in het belang van [minderjarige 1] dat er binnen het gezinssysteem wordt gekeken naar de mogelijkheden voor contactherstel. Het hof overweegt daarbij dat dit ook in het belang is van [minderjarige 2] , die – zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is besproken – af en toe contact heeft met de moeder, maar daarover niets vertelt aan [minderjarige 1] en de vader. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met de ouders besproken dat de sleutel tot het verlichten van de pijn bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders ligt. De vader heeft in dat kader verklaard dat hij het contact tussen de kinderen en de moeder zal ondersteunen. Het hof heeft de vader meegegeven dat het van belang is dat hij zich hiervoor gaat inzetten.
5.1
Zoals hiervoor reeds overwogen, acht het hof zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een verantwoorde beslissing over de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] te kunnen geven. Nu de huidige bijzondere curator heeft aangegeven dat zij onvoldoende ingang bij [minderjarige 1] heeft om een aanvullende opdracht uit te voeren en in dat kader ook heeft geadviseerd om een bijzondere curator met een orthopedagogische achtergrond te benoemen, acht het hof het wenselijk dat in het belang van [minderjarige 1] op grond van het bepaalde in artikel 1:250 BW Pro een nieuwe bijzondere curator wordt benoemd, met voornoemd specialisme om de stem van [minderjarige 1] in deze procedure (nogmaals) naar voren te brengen en haar belangen te behartigen. Het hof heeft [bijzondere curator 2] , kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , bereid gevonden om als bijzondere curator in hoger beroep op te treden. Zij zal hiertoe door het hof worden benoemd en heeft aan het hof kenbaar gemaakt dat zij per maart 2026 zal starten met haar werkzaamheden.
5.11
Het hof verzoekt de bijzondere curator te onderzoeken wat de wensen en mogelijkheden zijn van [minderjarige 1] ten aanzien van het contact met haar moeder en welke impact een eventuele (opbouwende) zorgregeling op haar zal hebben. Ook dient te worden onderzocht hoe een eventuele zorgregeling het beste kan worden vormgegeven. Wanneer contact niet wordt geadviseerd, verneemt het hof graag wat de belemmeringen zijn. Het hof verzoekt de bijzondere curator om vanuit het belang van [minderjarige 1] aan het hof te adviseren over de door de moeder primair verzochte week op week af regeling alsmede ten aanzien van de door haar subsidiair verzochte zorgregeling waarbij zij iedere week één keer contact heeft met [minderjarige 1] , met mogelijke uitbreiding. Het hof gaat ervan uit dat de bijzondere curator ook de mogelijkheden onderzoekt om met de ouders tot concrete afspraken te komen met betrekking tot de zorgregeling.
5.12
Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar eveneens vrij een advies uit te brengen over de benodigde hulpverlening ten behoeve van [minderjarige 1] .
5.13
De bijzondere curator wordt verzocht om individuele gesprekken te voeren met [minderjarige 1] , de vader en de moeder en zo nodig ook met [minderjarige 2] . Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen die informatie over [minderjarige 1] kunnen verschaffen. Ook staat het de bijzondere curator vrij het onderzoek in te richten zoals haar dat in het belang van [minderjarige 1] lijkt.
5.14
Het hof verzoekt de bijzondere curator bij haar werkzaamheden de ‘Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW Pro’ in acht te nemen, te raadplegen via www.rechtspraak.nl, en daarbij ook de (primaire) bemiddelende rol van de bijzondere curator op zich te nemen (waarbij zo mogelijk door middel van de hiervoor genoemde gesprekken met [minderjarige 1] , de vader en de moeder wordt getracht het conflict in der minne op te lossen). Indien een minnelijke regeling niet mogelijk is gebleken, wordt de bijzondere curator verzocht een advies uit te brengen aan het hof in de vorm van een verslag met bevindingen.
5.15
Het hof wijst de ouders erop dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.
5.16
In afwachting van de uitkomst van het onderzoek door de bijzondere curator, zal het hof iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder aanhouden tot de hierna te noemen pro forma datum. Bovendien ziet het hof aanleiding om in afwachting van het onderzoek van de bijzondere curator ook iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de moeder aan te houden tot de hierna te noemen pro forma datum. De bijzondere curator gaat immers onder meer onderzoek doen naar de mogelijkheden en de belemmeringen aan de zijde van de moeder met betrekking tot een (mogelijke) zorgregeling.
5.17
Het hof beschouwt de door de rechtbank bij beschikking van 12 november 2024 aan [bijzondere curator 1] op grond van artikel 1:250 BW Pro opgedragen taak als vervuld, en zal haar daarom ontslaan uit haar functie van bijzondere curator over [minderjarige 1] .
Kinderalimentatie
Vooraf
5.18
De moeder heeft haar vierde grief, waarin zij constateert dat de rechtbank een rechtsoverweging met betrekking tot de behoefte van [minderjarige 2] op de verkeerde plaats in de bestreden beschikking heeft gezet, tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Dit betekent dat het hof deze grief niet inhoudelijk zal beoordelen.
5.19
Verder constateert het hof dat de ouders geen grief gericht hebben gericht tegen de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie. In hoger beroep is (met betrekking tot de kinderalimentatie) uitsluitend de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie in geschil.
Oordeel van het hof
5.2
Uit de berekening van de moeder blijkt dat zij bij de door haar verzochte kinderalimentatie als uitgangspunt neemt dat [minderjarige 2] is ingeschreven bij de moeder en [minderjarige 1] bij de vader. Nu het hof de beslissing van de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader te bepalen zal bekrachtigen, zoals uiteengezet in rechtsoverweging 5.4 van deze beschikking, zal het hof het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen met ingang van 13 juni 2025 aan de moeder een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen te voldoen dan ook afwijzen.
Partneralimentatie
Ingangsdatum
5.21
Tussen partijen is niet in geschil dat de ingangsdatum van de partneralimentatie gelijk is aan de datum waarop de bestreden beschikking, waarin de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen is uitgesproken, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit is gebeurd op 27 augustus 2025, zoals blijkt uit de door de moeder na de mondelinge behandeling overgelegde akte van partnerschapsregistratie met latere vermelding betreffende de ontbinding van de partnerschapsregistratie.
Behoefte moeder
5.22
De rechtbank heeft de behoefte van de moeder vastgesteld op € 1.442,- netto per maand, oftewel € 2.809,- bruto per maand. Voor zover het hof onder grief VII van de moeder een beroepsgrond heeft gelezen tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de moeder, heeft de advocaat van de moeder tijdens de mondelinge behandeling aangegeven tegen deze behoefte niet meer op te komen.
Behoeftigheid moeder
5.23
De vader voert aan dat de moeder in haar eigen levensonderhoud kan voorzien door fulltime te gaan werken. De moeder betwist dit gemotiveerd en stelt dat zij sinds de geboorte van de kinderen van partijen niet, dan wel slechts parttime, heeft gewerkt. Bovendien is zij op dit moment niet in staat haar dienstverband van 22,5 uur per week uit te breiden. Verder voert de moeder aan dat haar gezondheid onder deze procedure lijdt en dat zij hierdoor meerdere banen heeft verloren.
5.24
Het hof is, na een eigen afweging, van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en maakt de motivering van de rechtbank tot de zijne. In het hoger beroep heeft de vader geen andere gronden aangevoerd en/of stukken ingediend die tot een ander oordeel kunnen leiden. Hierbij neemt het hof nog in aanmerking dat de moeder ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gesteld dat zij meer uren zal gaan werken zodra haar gezondheid dit toelaat. De moeder heeft ernstig te lijden onder de procedures en is daardoor al twee banen verloren. Zij werkt op dit moment drie dagen in de week. Het hof vertrouwt erop dat de moeder – zodra haar gezondheid dat toelaat – zich gaat inspannen om haar uren uit te breiden, zodat zij zoveel als mogelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gelet op het voorgaande gaat het hof aan de zijde van de moeder, net zoals de rechtbank, uit van een inkomen van € 2.520,- bruto per maand.
Draagkracht vader
5.25
Tussen partijen is het inkomen van de vader in geschil. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een (geïndexeerd) jaarloon aan de zijde van de vader van € 70.311,- bruto voor het jaar 2025. De vader is werkzaam als accountant en is DGA van [holding] (hierna: de holding). De holding houdt 100% van de aandelen in [werkmaatschappij] Volgens de moeder blijkt uit de jaarrekeningen van 2023 en 2024 van de werkmaatschappij [werkmaatschappij] (hierna: de werkmaatschappij), dat de vader in 2022 een bedrijfsresultaat van € 148.751,- heeft behaald, in 2023 een bedrijfsresultaat van € 153.581,- en in 2024 een bedrijfsresultaat van € 138.984. Daarnaast stelt de moeder dat de vader maandelijks meer dan alleen het nettosalaris opnam, onder andere via de rekening-courant voor de betaling van de kosten van zijn auto’s en dure vakanties. De moeder stelt dit bedrag op een jaarlijkse extra netto opname van € 18.000,-. Bovendien heeft de vader zijn inkomsten uit de verhuur van het bedrijfspand niet inzichtelijk gemaakt. Vanwege het gebrek aan reële informatie over het inkomen van de vader, gaat de moeder uit van een inkomen van € 140.000,- bruto per jaar, gebaseerd op het gemiddelde bedrijfsresultaat van de werkmaatschappij over de jaren 2022, 2023 en 2024.
5.26
De vader betwist de stelling van de moeder dat zijn inkomen veel hoger is of kan zijn dan zijn opgegeven salaris van € 66.000,- of € 71.000,-. De vader wijst erop dat omzet niet gelijk staat aan winst. Op de bruto-bedrijfsopbrengsten van gemiddeld € 140.000,- moeten vanzelfsprekend de bedrijfskosten in mindering worden gebracht. Het restant is de daadwerkelijke winst vóór belasting. De moeder negeert deze basisprincipes van boekhouding. De vader ontvangt een salaris op basis van het gebruikelijke loon voor de verrichte werkzaamheden, met een tarief variërend tussen de € 55,- en € 125,- per uur. Aangezien het bedrijfsresultaat van de vader rond de € 140.000,- ligt, is een salaris tussen de € 53.846,- en € 58.333,- realistisch, gebaseerd op de gebruikelijke factor van 2,4 tot 2,6. De vader benadrukt dat de winst van de werkmaatschappij niet kan worden uitgekeerd. Deze winst wordt namelijk gebruikt om de verplichtingen van de bovenliggende holding na te komen. Verder bestaat de winst van de holding grotendeels uit bijgeschreven, maar niet-ontvangen rente op leningen die zijn verstrekt om een grondpositie in [land] te verkrijgen. Teneinde zijn investering in [land] te onderhouden en de status van de zakenpartner in [land] te behouden, zijn er in de afgelopen jaren vanuit de holding aanzienlijke bedragen geleend aan de vader, welke gelden hij vervolgens doorleende aan de zakenpartner in [land] . De vordering die de vader aanvankelijk in privé had, is aan de werkmaatschappij overgedragen, met als zekerheidstelling een kavel in [land] . De rente die wordt bijgeschreven is weliswaar administratief verantwoord, maar leidt niet tot daadwerkelijke liquiditeiten en dus ook niet tot de mogelijkheid tot het doen van een dividenduitkering door de holding. Gelet op de huidige situatie in [land] , waarbij veel onduidelijkheid bestaat over het slagen van het project en de verkoop van de zekerheidsstelling, zullen de langlopende vorderingen van de holding niet snel worden omgezet in liquide middelen. Kortom, de financiële situatie van de vader is onzeker en complex en wordt niet correct weerspiegeld door de stellingen van de moeder over het gemiddelde bedrijfsresultaat.
5.27
Het hof overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof de vader vragen gesteld over de positie van de holding en de werkmaatschappij en zijn investeringen in het project in [land] . De holding bezit alle aandelen in de werkmaatschappij en bezit daarnaast nog een belang in [B.V.] en een 50%-aandeel in een pand. De bedrijfsopbrengsten van de werkmaatschappij bestaan uit het winstaandeel in de maatschap [maatschap] en de werkmaatschappij heeft in de afgelopen jaren haar resultaat na belastingen in zijn geheel als dividend uitgekeerd aan de holding. Het hof heeft de vader uitleg gevraagd over de stijging van de rekening-courantvordering van de holding op de vader van € 721.075,- op 31 december 2023 naar € 830.083,- op 31 december 2024, terwijl de vader stelt dat hij sinds de aanstelling van een bestuurder in maart 2024 zijn investeringen heeft afgebouwd. Voorts staat deze stijging volgens het hof haaks op de bewering van de vader dat er (nagenoeg) geen liquiditeiten in de holding worden ontvangen. De vader heeft niet kunnen verklaren hoe de inkomensstromen van de holding lopen, waardoor binnen een jaar ruim € 100.000,- aan de vader kan worden geleend. Voorts is het niet duidelijk geworden waarom de vader blijft investeren in het project in [land] , terwijl hij verklaart dat zijn investeringen niets zullen opleveren. De verklaring van de vader dat hij de verhouding met zijn zakenpartner in [land] niet onder druk wil zetten, acht het hof niet aannemelijk en leidt niet tot een ander oordeel. Daarnaast heeft het hof de vader gevraagd hoe hij verwacht de financiering van de echtelijke woning, die in oktober 2023 is getaxeerd op € 950.000,-, rond te krijgen met het door hem gestelde inkomen van tussen de € 53.846,- en € 58.333,- per jaar, terwijl hij zijn (resterende) vermogen heeft geïnvesteerd in het project in [land] en de holding aan aanzienlijke vordering op de vader heeft. Ook op deze vraag heeft de vader geen bevredigend antwoord kunnen geven. De enkele stelling dat een bank de overname van de echtelijke woning niet wil financieren maar dat de vader een lening in de vrije markt kan krijgen, is onvoldoende. Ten aanzien van het project in [land] heeft de vader ook geen enkel stuk overgelegd. Het hof beschikt alleen over de zeer summiere informatie zoals opgenomen in de jaarstukken. Uit de aangiften inkomstenbelasting die in het geding zijn gebracht volgt dat de investering in [land] een privé-investering betreft, maar inmiddels hebben er niet te volgen overdrachten van (een deel van) de vordering die op die investeringen betrekking heeft, plaatsgevonden. Naar het oordeel van het hof heeft de vader daarom onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Dit komt voor rekening en risico van de vader. Nu verificatoire gegevens ontbreken, stelt het hof de partneralimentatie in redelijkheid vast op € 1.555,- bruto per maand met ingang van 27 augustus 2025. Er is immers geen grond voor het oordeel dat zijn draagkracht onvoldoende is om deze bijdrage te voldoen. Het hof heeft daarbij aangesloten bij de in de beschikking van 12 november 2024 vastgestelde voorlopige partneralimentatie, welke beschikking nog steeds van kracht is en daarbij in aanmerking genomen dat de rechtbank bij de bepaling van dit bedrag de draagkracht van partijen over en weer heeft vergeleken, in die zin dat beide partijen een gelijke vrije ruimte hebben. Verder heeft het hof deze bijdrage van € 1.460,- per maand vermeerderd met de wettelijke indexering voor het jaar 2025. Gelet op de datum van de uitspraak van het hof, zal het hof de partneralimentatie ook met ingang van 1 januari 2026 vermeerderen met de wettelijke indexering en vaststellen op € 1.626,- per maand.
Terugbetaling van teveel betaalde alimentatie?
5.28
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Bij beschikking van 12 november 2024 is een voorlopige partneralimentatie vastgesteld van € 1.460,- per maand. Op grond van artikel 826 lid 1 sub c van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verliezen de voorlopige voorzieningen hun kracht zodra een beschikking waarbij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, met dien verstande dat de voorlopige voorziening bedoeld in artikel 822 lid 1 sub e Rv Pro (voorlopige partneralimentatie) haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 1:156 BW Pro, indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat. De titel van de betalingen van de vader is dus nog steeds gelegen in de van kracht zijnde beschikking voorlopige voorzieningen van 12 november 2024, waarin is bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van 18 juli 2024 een (voorlopige) partneralimentatie van € 1.460,- per maand zal betalen.
5.29
Nu het hof de in de voorlopige voorzieningenprocedure bepaalde partneralimentatie heeft vermeerderd met de wettelijke indexering voor het jaar 2025, is er – gelet op de ingangsdatum van de thans bepaalde partneralimentatie – geen sprake van een terugbetalingsverplichting van de moeder van teveel ontvangen partneralimentatie. Het hof hoeft daarom geen oordeel te geven over de vraag of van de moeder in redelijkheid terugbetaling kan worden aanvaard.
5.3
Op grond van artikel 288 Rv Pro juncto artikel 233 lid 1 Rv Pro kan deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu uit artikel 826 lid 1 aanhef Pro en onder c Rv anders voortvloeit.
5.31
Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen;
wijst af het verzoek van de moeder ten aanzien van de te betalen kinderalimentatie door de vader;
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 27 augustus 2025 als uitkering tot haar levensonderhoud € 1.555,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 1.626,- zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
en, alvorens te beslissen over de zorgregeling tussen de moeder en de kinderen:
ontslaat de bijzondere curator [bijzondere curator 1] van haar taak met ingang van de datum van deze beschikking;
benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1] :
[bijzondere curator 2]
kantoorhoudende [adres] ,
[postcode] [vestigingsplaats]
tel: [telefoonnummer]
e-mail: [e-mailadres]
verzoekt de bijzondere curator onderzoek te doen en schriftelijk verslag uit te brengen van haar bevindingen, met als taakomschrijving als hiervoor beschreven onder rechtsoverweging 5.11, uiterlijk op 24 juli 2026;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de bijzondere curator zal toesturen;
houdt de behandeling van de zaak aan tot zaterdag 25 juli 2026 pro forma;
bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken na indiening van de rapportage van de bijzondere curator hun schriftelijke reactie op deze rapportage bij het hof indienen en daarbij het hof berichten over de gewenste voortgang van de onderhavige procedure, waaronder de wenselijkheid van een mondelinge behandeling, onder opgave van verhinderdata voor de daaropvolgende drie maanden;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Reijngoud, H.J.M. Smid-Verhage en C.S.F. de Nijs, bijgestaan door mr. J. van Gaalen als griffier, en is op 28 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.