ECLI:NL:GHDHA:2026:134
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 inzake managementvergoedingen en stamrechtuitkeringen
Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van twee vennootschappen, voerde in hoger beroep aan dat de managementvergoedingen van zijn holding voor 2018 en 2019 verlaagd moesten worden vanwege de belastingheffing over stamrechtuitkeringen van een pensioenvennootschap. De Inspecteur had navorderingsaanslagen opgelegd omdat de stamrechtuitkeringen niet tijdig waren ingegaan, wat leidde tot correcties in de belastingaangiften.
De Rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, stellende dat de managementvergoedingen terecht en volledig als loon waren genoten en dat de stamrechtuitkeringen correct waren meegenomen. Het Gerechtshof bevestigde dit oordeel. Het hof overwoog dat de managementvergoedingen losstaan van de stamrechtuitkeringen en dat een achteraf verlaging van de managementvergoedingen niet mogelijk is zonder negatieve looncorrecties in het jaar van wijziging.
Belanghebbende's betoog dat sprake was van een fout in de aangiften werd verworpen, omdat hij de vergoedingen daadwerkelijk had genoten. Ook het argument dat onvoldoende dekking voor de stamrechtuitkeringen bestond, rechtvaardigde geen verlaging van de managementvergoedingen. Het hof concludeerde dat de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen waren opgelegd en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de navorderingsaanslagen 2018 en 2019 en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.