In de strafzaak tegen de verzoeker werd op 17 april 2026 een zitting gepland bij de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Den Haag. De verzoeker probeerde voorafgaand aan de zitting zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken, maar werd door de griffier geïnformeerd dat dit niet mogelijk was en dat hij zijn standpunten tijdens de zitting kon toelichten. Tevens werd de verzoeker gewezen op zijn recht op bijstand van een advocaat.
Op de dag van de zitting diende de verzoeker een schriftelijk wrakingsverzoek in tegen de raadsheren die de zaak behandelden. Dit verzoek werd op 19 april 2026 aangevuld. De raadsheren gaven aan niet in de wraking te berusten.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat de verzoeker geen concrete gronden voor wraking heeft aangevoerd. Op grond hiervan werd het wrakingsverzoek zonder zitting afgewezen als kennelijk ongegrond, conform artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en het Wrakingsprotocol van het Gerechtshof Den Haag.
De beslissing werd op 21 april 2026 genomen door de raadsheren K. Schaffels, C.A. Joustra en M.J.M. van der Weijden, en een afschrift van de beslissing werd toegezonden aan de verzoeker, de betrokken raadsheren en de advocaat-generaal.