De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die haar verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing afwees. Deze schriftelijke aanwijzing, gegeven door de gecertificeerde instelling, beperkte het contact tussen de moeder en haar minderjarige kind, dat in een gezinshuis verblijft, door alle omgang op te schorten totdat de moeder aan bepaalde voorwaarden voldeed.
Het hof oordeelt dat de opschorting van het contact per 15 juli 2025 onrechtmatig was omdat deze zonder schriftelijke aanwijzing en zonder zorgvuldige voorbereiding werd opgelegd. De gecertificeerde instelling had de moeder direct schriftelijk moeten informeren over deze ingrijpende maatregel. De schriftelijke aanwijzing van 12 september 2025 is wel formeel gegeven, maar het contact is sindsdien volledig opgeschort, terwijl het hof van oordeel is dat ook ander contact, zoals (video)belcontact, mogelijk had moeten zijn.
De moeder betwist dat zij bedreigingen heeft geuit en stelt dat de omgangsmomenten altijd goed verliepen. De gecertificeerde instelling stelt dat de opschorting noodzakelijk was vanwege onveilig gedrag van de moeder en dat herstelgesprekken niet tot verbetering hebben geleid. Het hof concludeert dat de schriftelijke aanwijzing en de volledige opschorting van contact te ver gaan en vernietigt de beschikking van de kinderrechter, waarbij het verzoek van de moeder wordt toegewezen.