Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1219

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.347.481
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArtikel XIIA Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bewijs en verrekening bij geldlening en bestellingen in India

In deze civiele zaak vordert appellant betaling van een geldlening aan de voormalige vennoten van een vennootschap onder firma (Asian Food). De vennoten erkennen een deel van de lening, maar betwisten het overige en stellen dat de betalingen bestellingen voor appellant zelf betroffen, waarvoor zij een tegenvordering hebben ingesteld.

De kantonrechter oordeelde dat na verrekening geen vordering uit hoofde van geldlening resteert en veroordeelde appellant tot betaling van een bedrag aan de vennoten. Appellant gaat in hoger beroep tegen deze uitspraak en betwist dat de vennoten in het tegenbewijs zijn geslaagd en dat de verrekening terecht is toegewezen.

Het hof onderzoekt de bewijswaardering en verwerpt appellant's bezwaren tegen de consistentie van getuigenverklaringen, ondanks familiebanden tussen getuigen. Het hof staat appellant toe twee getuigen te horen over specifieke onderwerpen, maar wijst andere bewijsaanbiedingen af. De beslissing over verdere bewijslevering wordt aangehouden.

Uitkomst: Het hof staat appellant toe twee getuigen te horen en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.347.481/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10185184 / RL EXPL 22-17889
Arrest van 21 april 2026
in de zaak van
[appellant]
appellant,
advocaat: mr. K.G.O. Afriyeh, kantoorhoudend in Haarlem,
tegen

1.[geïntimeerde 1],2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende in [woonplaats],
geïntimeerden,
advocaat: mr. D. Tap, kantoorhoudend in Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en de vennoten genoemd. De vennoten worden ieder afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn de (voormalig) vennoten van de vennootschap onder firma 4SAsian Food Center (hierna: de vof).
[appellant] stelt € 18.850,- te hebben uitgeleend aan de vof en/of de vennoten waarvan € 16.850,- ten onrechte niet is terugbetaald. De vennoten erkennen van [appellant] in totaal € 6.000,- in contanten te hebben geleend waarvan € 2.000,- is terugbetaald. Zij bestrijden de gestelde geldlening voor het overige: de uitbetaling van € 12.250,- betrof geen geldlening maar een betaling voor door [appellant] voor zichzelf, maar op naam en met instemming van de vof, in India bestelde producten .
Volgens de vennoten heeft [appellant] buiten hun medeweten op naam van de vof voor zichzelf nog meer bestellingen in India gedaan en hebben zij in verband met die (door de vof betaalde) bestellingen een (tegen)vordering op [appellant]. Die vordering kan deels worden verrekend met de vordering tot terugbetaling van het niet bestreden deel van de geldlening. Voor zover de vordering de geldlening overstijgt, vorderen de vennoten betaling van het meerdere.
1.2
De kantonrechter heeft na bewijslevering geoordeeld dat er na verrekening met de tegenvordering van de vof en/of de vennoten geen vordering uit hoofde van geldlening meer resteert en [appellant] veroordeeld tot betaling aan de vof en/of de vennoten van € 8.857,76 met handelsrente. [appellant] is het met de uitkomst niet eens.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 september 2024, zoals hersteld bij exploot van 10 oktober 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 17 juli 2024, voor zover dat betrekking heeft op de vennoten;
  • de memorie van grieven van [appellant];
  • het arrest van dit hof van 10 oktober 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2025;
  • de memorie van antwoord van de vennoten;
  • het op verzoek van het hof nagezonden (volledige) proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 juli 2023.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 29 maart 2023 (hierna: het tussenvonnis) onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen is niet gegriefd. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
a. [appellant] heeft een, in 2020 verkochte, supermarkt in Aziatische levensmiddelen geëxploiteerd.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn sedert 1 december 2015 vennoten van de vof geweest. De vof exploiteerde een winkel in (tropische, Indische en exotische) producten. De vof en de vennoten worden hierna gezamenlijk aangeduid als: Asian Food (in enkelvoud).
[appellant] heeft op 22 maart 2021 per bank met omschrijving ‘lening’ bedragen van respectievelijk € 5.000,- en € 7.850,- aan Asian Food overgemaakt. Daarnaast heeft hij aan Asian Food € 6.000,- in contanten verstrekt.
Asian Food heeft op 3 maart 2022 € 2.000,- aan [appellant] betaald.
Bestelling bij Enterprise (i)
Op of omstreeks 21 maart 2021 heeft [appellant] op naam van Asian Food een partij specerijen besteld bij M/S. L.G. Enterprise te India (hierna respectievelijk: Enterprise en de Enterprise (i)-bestelling) voor € 14.353,50.
Op 22 maart 2021 heeft [appellant] aan Asian Food geappt: ‘
€ 12835,50 klaar zetten’. Asian Food heeft dit bedrag vervolgens aan Enterprise overgemaakt.
De levering van deze bestelling heeft niet plaatsgevonden.
Bestelling bij Arvira
In mei 2021 heeft [appellant] op naam van Asian Food een partij van dezelfde soort en vrijwel hetzelfde aantal specerijen besteld bij Arvira Creations te India (hierna: Arvira respectievelijk de Arvira-bestelling) voor € 15.617,-. In verband met de Arvira-bestelling heeft de vof € 9.011,07 aan Arvira betaald.
De vervoerder Premiere Logistics heeft voor vervoer en invoerrechten bij factuur van 9 juni 2021 € 2.400,05 in rekening gebracht. Deze factuur is gedeeltelijk gecrediteerd zodat als te betalen resteerde € 2.105,05. Asian Food heeft dit bedrag volgens een bankafschrijving op 29 juni 2021 aan Premiere Logistics overgemaakt.
De broer van [geïntimeerde 1] heeft de geleverde producten met een bestelbus uit een loods op Schiphol gehaald en naar de winkel van Asian Food gebracht.
Bestelling bij Enterprise (ii)
Op 28 mei 2021 heeft [appellant] op naam van Asian Food een partij fruit, waaronder mango’s, besteld bij Enterprise voor € 3.634,- (hierna: de Enterprise (ii)-bestelling). Voor deze bestelling is tot heden niet betaald. De levering is verzorgd door Premiere Logistics. [appellant] heeft hier namens Asian Food met Premiere Logistics over gemaild.
Premiere Logistics heeft Asian Food bij factuur van 4 juni 2021 € 1.714,64 in rekening gebracht. Asian Food heeft dit volgens een bankafschrijving op 16 juni 2021 betaald. De mango’s zijn eind juni 2021 geleverd.
[geïntimeerde 1] heeft aan [appellant] gemeld dat de mango’s verrot waren. [appellant] heeft daarop gezegd dat hij deze maar moest weggooien. Dat is gebeurd.

4.Procedure bij de kantonrechterin conventie en reconventie

4.1
[appellant] heeft de hoofdelijke veroordeling van Asian Food gevorderd tot betaling van € 16.850,- te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure. Daartoe stelt hij aan Asian Food een geldlening te hebben verstrekt van € 18.850,- waarvan € 2.000 is terugbetaald. Het geleende geld diende volgens hem om Asian Food in staat te stellen de verschuldigde (vooruit)betalingen voor de Enterprise (i)-bestelling te kunnen voldoen.
4.2
Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat [appellant] in totaal € 6.000,- in contanten aan Asian Food heeft geleend waarvan € 2.000,- is terugbetaald. Asian Food heeft bestreden dat de door [appellant] per bank overgemaakte bedragen (in totaal € 12.850,-) ten titel van geldlening zijn overgemaakt. Het betreft volgens haar betalingen voor de Enterprise (i)-bestelling die [appellant] op naam van Asian Food voor zichzelf heeft gedaan.
Asian Food stelt verder een in reconventie verder uitgewerkte tegenvordering op [appellant] te hebben die zij wil verrekenen. Naar zij stelt, heeft [appellant] namelijk op naam van Asian Food nog meer bestellingen gedaan bij bedrijven in India (de Arvira- en Enterprise (ii)-bestellingen) die voor hem, [appellant], bestemd waren en die ook aan hem zijn geleverd. Daarvoor moet hij Asian Food, die door leveranciers en vervoerders tot betaling is aangesproken, betalen. Asian Food vordert in reconventie dan ook de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 18.582,99 te vermeerderen met wettelijke handelsrente en de kosten van de procedure. Voor de onderbouwing verwijst zij naar de tegenvordering in conventie.
4.3
[appellant] ontkent voor eigen rekening producten te hebben besteld op naam van Asian Food. De bestellingen die hij als tussenpersoon heeft gedaan op naam van Asian Food waren ook voor Asian Food bestemd. Hij heeft, omdat Asian Food niet beschikte over contacten in India, zijn netwerk aldaar gebruikt om Asian Food te helpen.
4.4
Bij het tussenvonnis heeft de kantonrechter voor zover nu nog van belang:
- geoordeeld dat Asian Food nog € 4.000,- aan [appellant] moet terugbetalen uit hoofde van de haar in contanten verstrekte geldlening, tenzij het beroep van Asian Food op verrekening met een tegenvordering op [appellant] slaagt;
- voorshands aannemelijk geacht dat [appellant] per bank een lening van € 12.850,- aan Asian Food heeft verstrekt en Asian Food in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren;
- Asian Food toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de Arvira-bestelling en de Enterprise (ii)-bestelling bestemd waren voor [appellant] en dat de door Arvira geleverde producten aan [appellant] ter beschikking zijn gesteld.
4.5
Bij eindvonnis van 17 juli 2024 (hierna: het eindvonnis) heeft de kantonrechter, na bewijslevering, geoordeeld dat:
-
in conventieenige vordering van [appellant] op Asian Food uit hoofde van geldlening beperkt is tot € 4.000,- (en de vordering strekkende tot terugbetaling van € 12.850,- afgewezen);
-
in reconventieAsian Food (tegen)vorderingen heeft op [appellant] van in totaal € 12.857,76 in verband met door Asian Food aan Arvira en Premiere Logistics betaalde kosten.
De kantonrechter heeft het beroep van Asian Food op verrekening met de vordering van [appellant] tot betaling van € 4.000,- uit hoofde van de geldlening gehonoreerd. Dat heeft er in geresulteerd dat [appellant] in reconventie is veroordeeld om aan Asian Food het verschil, € 8.857,76, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, te betalen. De proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, zijn gecompenseerd.

5.Hoger beroepVordering

5.1
[appellant] vordert in hoger beroep de vernietiging van het eindvonnis en de veroordeling van de vennoten tot betaling van € 15.850,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de proceskosten in beide instanties. [appellant] heeft de vennoten aangeduid als: ‘voormalig vennoten’ en heeft de vof niet (mee)gedagvaard in hoger beroep.
5.2
De bezwaren van [appellant] zien op het volgende.
Grief 1: ten onrechte heeft de kantonrechter Asian Food in het opgedragen tegenbewijs geslaagd geacht.
Grief 2: ten onrechte heeft de kantonrechter het beroep van Asian Food op verrekening met een tegenvordering gehonoreerd en vervolgens in reconventie het na compensatie resterende deel van de tegenvordering toegewezen. [appellant] herhaalt in dit verband zijn stellingen en weren in eerste aanleg.
De kosten en/of betalingen voor de Enterprise (i)-bestelling, de Arvira-bestelling en de Enterprise (ii)-bestelling behoren niet voor rekening van [appellant] te komen. [appellant] wilde Asian Food, die geen contacten in India had, helpen en heeft zijn contacten gebruikt om voor en op naam van Asian Food bestellingen te doen. Hij wijst er op dat hij geen ondernemer meer is, dat alle facturen op naam staan van Asian Food, dat hij geen contracten heeft getekend en dat aan Asian Food is geleverd en hij ontkent dat aan hem is doorgeleverd. De kantonrechter leidt uit het gebruik van de term ‘klaarzetten’ (rov. 3.1.f) ten onrechte af dat [appellant] de producten voor zichzelf heeft besteld.
De grieven 1 en 2 komen erop neer dat de kantonrechter ten onrechte het aan Asian Food opgedragen (tegen)bewijs geleverd heeft geacht. Volgens [appellant] heeft de kantonrechter miskend dat de getuigen familie of vrienden van elkaar zijn en daarom is niet uit te sluiten dat zij de verklaringen vooraf met elkaar hebben afgestemd. [appellant] verwijst naar zijn bewijsaanbod in eerste aanleg en biedt in hoger beroep opnieuw bewijs aan door het opnieuw horen van de getuigen [geïntimeerde 1] en [betrokkene 1]. Ook wenst hij [betrokkene 2], van wie een schriftelijke verklaring is overgelegd, als getuige te horen.
Grief 3 houdt in dat [appellant] niet behoort op te draaien voor de gemaakte kosten in verband met de Enterprise (ii)-bestelling. De mango’s zijn ten behoeve van Asian Food gekocht en geleverd en Asian Food heeft ze doorverkocht.
5.3
De vennoten bestrijden de grieven.
BeoordelingToepasselijk (bewijs)recht
5.4
Het hoger beroep is ingesteld bij dagvaarding van 30 september 2024, hersteld bij exploot van 10 oktober 2024. Dat betekent dat op grond van artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht het (bewijs)recht blijft gelden van vóór de inwerkingtreding van die wet op 1 januari 2025.
Inleidende opmerkingen
5.5
In eerste aanleg was de vof, naast de vennoten, partij (gedaagden in conventie en eisers in reconventie). In het door [appellant] ingestelde hoger beroep is de vof niet (mee)gedagvaard. De vennoten zijn aangeduid als ‘voormalig vennoten’; verdere uitleg ontbreekt.
5.6
Het hof leest de grieven van [appellant], tegen de achtergrond van het debat in eerste aanleg en zal het oordeel van de kantonrechter, de bewijswaardering daaronder begrepen, met inachtneming van de stellingen en weren van beide partijen opnieuw bezien.
De geldlening; inleiding
5.7
Voorop staat dat op grond van artikel 150 van Pro het wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv.) op [appellant] de stelplicht en bewijslast rust van de geldlening per bank. Tegen dat oordeel heeft [appellant] terecht niet gegriefd. [appellant] heeft evenmin gegriefd tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis inhoudende dat zij de geldlening voorshands (voorlopig, dus niet definitief) bewezen heeft geacht en aan Asian Food tegenbewijs heeft opgedragen. Het hof leest de eerste grief van [appellant] aldus dat hij in de eerste plaats bestrijdt dat Asian Food in het tegenbewijs is geslaagd. Het hof zal dit, rekening houdend met de bezwaren van [appellant], onderzoeken.
De geldlening; ontkrachting tegenbewijs
5.8
Ter onderbouwing heeft [appellant] in de eerste plaats gesteld dat de kantonrechter te snel heeft geconcludeerd dat de verklaringen van de getuigen consistent zijn. De gehoorde getuigen en [betrokkene 2], die een schriftelijke verklaring heeft overgelegd, zijn familie (vader en dochter) respectievelijk een vriendin van de familie en het is niet uit te sluiten dat zij de verklaringen vooraf met elkaar hebben afgestemd. Het hof verwerpt deze argumenten. [appellant] betwist niet dat de verklaringen consistent zijn. De enkele omstandigheid dat de getuigen familie of vriend zijn van de vennoten is op zichzelf, zonder bijkomende omstandigheden, onvoldoende om aan te nemen dat zij hun verklaringen niet naar waarheid hebben afgelegd. [appellant] heeft daarover niets gesteld. Objectieve aanwijzingen dat de vennoten de getuigen hebben beïnvloed zijn ook niet gesteld of gebleken.
5.9
De overige bezwaren van [appellant] komen neer op een herhaling van zijn stellingen in eerste aanleg. Deze stellingen en het daartegen gerichte verweer waren voor de kantonrechter juist aanleiding om tot de bewijsopdracht te komen, die vervolgens heeft geleid tot de getuigenverklaringen en de schriftelijke verklaring in deze procedure. De enkele herhaling van de eigen standpunten weerlegt deze verklaringen niet. Daaraan doet niet af zijn stelling dat uit het onder 3.1.f aangehaalde whatsapp-bericht niet blijkt dat het geld is klaargezet om producten te kunnen importeren uit India. Feit is immers dat er op 21 maart 2021 een bestelling is gedaan en dat op 22 maart 2021 een vergelijkbaar bedrag is overgemaakt naar Enterprise. [appellant] heeft ook niet uitgelegd hoe het bericht over het ‘klaarzetten’ dan wel moet worden geduid.
5.1
[appellant] ‘vordert in appel een nieuw getuigenverhoor/contra-enquête van [geïntimeerde 1], [betrokkene 1]’. ‘Hij wenst deze getuigen opnieuw te horen over de vraag ten behoeve van wie hij gehandeld heeft en waar de opbrengsten naar toe zijn gegaan’. Hij heeft evenwel niet gesteld dat en in welk opzicht deze getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij hebben gedaan. Over de door hem opgeworpen vragen zijn de getuigen in eerste aanleg al gehoord. Daarbij heeft [appellant] gelegenheid gehad deze getuigen in contra-enquête te bevragen, van welke gelegenheid hij geen gebruik heeft gemaakt. [betrokkene 2] heeft een (beperkte) schriftelijke verklaring afgelegd over de aflevering van specerijen (de Arvira bestelling). Zij heeft niets verklaard over de door [appellant] gestelde lening van €7.850 en € 5.000. Haar verklaring gaat over de aflevering van producten aan [appellant]. [appellant] heeft niet toegelicht dat en in welk opzicht zij nog meer of anders zou kunnen verklaren. Die nadere toelichting had van hem verwacht mogen worden. Het hof verwerpt daarom het bewijsaanbod.
5.11
Slotsom op grond van het voorgaande is dat Asian Food het tegenbewijs heeft geleverd. [appellant], op wie de bewijslast rust, heeft dus (nog) niet bewezen dat hij € 7.850,- en € 5.000,- aan Asian Food heeft geleend.
De geldlening; bewijsaanbod
5.12
Grief 1 van [appellant] is niet gericht tegen rov 2.9 en 2.10 van het eindvonnis, waarin de kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant], op wiens weg het ligt om nader bewijs van zijn stellingen te leveren, daarin niet is geslaagd door het overleggen van stukken betreffende een whatsappgesprek en hij voor het overige geen bewijs meer heeft aangeboden.
5.13
[appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat zijn echtgenote en minderjarige zoon aanwezig waren bij een telefoongesprek rond 21 maart 2022 tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] en in ieder geval de echtgenote kan verklaren dat de per bank overgemaakte bedragen uitsluitend als lening zijn verstrekt. [appellant] heeft in hoger beroep nog het volgende gesteld: ‘De echtgenote van de heer [appellant], mevrouw [naam], was rond 21 maart 2022 ook aanwezig tijdens het telefoongesprek tussen [appellant] en [betrokkene 1]. Zij kan indien nodig verklaren dat de bedragen die overgemaakt werden uitsluitend als leningen waren verstrekt. De minderjarige zoon van de heer [appellant] (destijds 14) was ook aanwezig bij de telefoongesprekken)’. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen zijn echtgenote als getuige te horen over (de inhoud van) voormeld telefoongesprek.
De tegenvordering
5.14
[appellant] heeft geen grief gericht tegen de door de kantonrechter in het tussenvonnis aan Asian Food gegeven bewijsopdracht inzake de door Asian Food gestelde (tegen)vorderingen betreffende de Arvira-bestelling en de Enterprise (ii)-bestelling. Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of Asian Food is geslaagd in de door de kantonrechter gegeven bewijsopdracht dat de Arvira-bestelling en de Enterprise (ii)-bestelling bestemd waren voor [appellant] zelf en dat de door Arvira geleverde zaken aan [appellant] ter beschikking zijn gesteld (rov 5.5. tussenvonnis).
Aan zijn betoog dat Asian Food niet in het bewijs is geslaagd legt [appellant] in de grieven 2 en 3 ten grondslag, net als in de procedure bij de kantonrechter, dat hij de Arvira-bestelling en de Enterprise (ii)-bestelling niet voor zichzelf heeft gedaan en dat de bestelde zaken (specerijen en mango’s) niet aan hem zijn geleverd. Volgens hem heeft de kantonrechter ten onrechte voor waar aangenomen wat de getuigen hebben verklaard.
5.15
Voor zover [appellant] zijn bezwaren baseert op de familie- en/of vriendschapsbanden tussen de getuigen , verwerpt het hof dit betoog op de hiervoor onder 5.9 weergeven gronden.
5.16
Het hof stelt vast dat de kantonrechter bij haar oordeel over de bewijslevering van de Arvira-bestelling mede heeft betrokken dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot contra-enquête. Bij haar oordeel over de Enterprise (ii)-bestelling heeft de kantonrechter meegewogen dat [appellant] de inhoud van de afgelegde verklaringen niet nader heeft betwist, bijvoorbeeld in de conclusie na enquête.
[appellant] wenst in hoger beroep [geïntimeerde 1], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (nogmaals) als getuige te horen omdat de rechtbank ten onrechte voor waar zou hebben aangenomen wat de getuigen hebben verklaard. Hij wenst dus de onjuistheid van de getuigenverklaringen aan te tonen door alsnog tegenbewijs te leveren door het horen van dezelfde getuigen. Voor wat betreft [geïntimeerde 1] en [betrokkene 1] strandt dit aanbod op de hiervoor onder 5.10 aangegeven gronden. Dit geldt niet voor [betrokkene 2] die een schriftelijke verklaring heeft afgelegd over -uitsluitend- de Arvira-bestelling. [appellant] heeft aan deze getuige nog geen vragen (in contra-enquête) kunnen stellen. Hij zal dus in de gelegenheid worden gesteld [betrokkene 2] als getuige te horen voor het leveren van tegenbewijs.
5.17
Over de Enterprise (ii)-bestelling stelt [appellant] dat, anders dan de vennoten hebben gesteld, de opbrengsten van de niet verkochte mango’s niet aan hem zijn toegekomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat, onder meer op grond van de getuigenverklaringen, is komen vast te staan dat de mango’s die onderdeel vormden van de Enterprise (ii)- bestelling voor [appellant] bestemd waren en heeft hem daarom veroordeeld in de kosten van vervoer en import. [appellant] heeft niet uitgelegd waarom deze veroordeling aangetast zou kunnen worden omdat de opbrengsten van de mango’s niet aan hem toe zouden zijn gekomen. Grief 3 faalt om die reden. Het oordeel van de kantonrechter over de Enterprise (ii)-bestelling blijft dus in stand. .
Slot
5.18
Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen getuigen te horen als hiervoor overwogen onder rov 5.13 en 5.16. Daarbij dient [appellant] voor ogen te houden dat het door hem te entameren getuigenverhoor beperkt is tot de genoemde getuigen en het in rov 5.13 en 5.16 per getuige beschreven onderwerp. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.Beslissing

Het hof:
laat [appellant] toe tot het horen van de twee onder 5.13 en 5.16 genoemde getuigen over de onderwerpen vermeld in deze rechtsoverwegingen;
bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.T. Nijhuis, op woensdag 24 juni 2026 om 9.30 uur;
bepaalt dat, indien één van de partijen verhinderd is op genoemde datum, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nieuw tijdstip voor het getuigenverhoor zal doen vaststellen, op voorwaarde dat de verhinderde partij binnen veertien dagen na deze uitspraak bij de griffie van het hof melding maakt van zijn verhindering, en de verhinderdata van beide partijen in de maanden juli tot en met oktober 2026 opgeeft;
deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en hoger beroep, inclusief producties, zodat het niet nodig is deze voor getuigenverhoor over te leggen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.T. Nijhuis, C.J. Verduyn en A.F.J.A. Leijten en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.