Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1216

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
22-002974-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel na vuistslag tegen oog

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, nadat hij op 17 mei 2024 tijdens een evenement in Heenvliet het slachtoffer met een vuistslag tegen het oog sloeg, waardoor het slachtoffer een breuk van de oogkas, kneuzing van de oogbol en permanente pupilbeschadiging opliep.

Het hof sprak de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde, maar achtte het subsidiair tenlastegelegde bewezen. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen, omdat de verdachte de klap niet in een situatie van noodzakelijke verdediging gaf en de situatie al aan het bedaren was.

De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 50 uur. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: €1.162 materiële schade en €5.000 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf respectievelijk 12 november 2024 en 17 mei 2024. De overige schadevorderingen werden afgewezen en kunnen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 50 uur taakstraf voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel; beroep op noodweer en noodweerexces verworpen; gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002974-25
Parketnummer: 10-300299-24
Datum uitspraak: 24 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 22 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplek] op [geboortedatum] 2003,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 17 mei 2024 te Heenvliet, gemeente Nissewaard aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de oogkas en/of een kneuzing aan de oogbol en/of permanente beschadiging aan het pupil, heeft toegebracht door [het slachtoffer] met de vuist in/op/tegen het oog en/of het gezicht te slaan, ten gevolge waarvan [het slachtoffer] op de grond terecht is gekomen;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 mei 2024 te Heenvliet, gemeente Nissewaard [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] met de vuist in/op/tegen het oog en/of het gezicht te slaan, ten gevolge waarvan [het slachtoffer] op de grond terecht is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de oogkas en/of een kneuzing aan de oogbol en/of permanente beschadiging aan het pupil ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Vrijspraak

Met de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks17 mei 2024 te Heenvliet, gemeente Nissewaard
,[het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] met de vuist
in/op/tegen het oog
en/of het gezichtte slaan, ten gevolge waarvan [het slachtoffer] op de grond terecht is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van de oogkas en
/ofeen kneuzing aan de oogbol en
/ofpermanente beschadiging aan
depupil ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Noodweerverweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt, hetgeen tot vrijspraak van de verdachte zou moeten leiden, nu er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waarbij de verdachte zich genoodzaakt zag zichzelf en zijn vriend te verdedigen. Hiertoe is aangevoerd dat de aangever en de vriend van de verdachte “neus aan neus” stonden, dat er werd geduwd en getrokken en dat de aangever als eerste sloeg. In die context bevond cliënt zich midden in een escalerende geweldssituatie. Hij heeft verklaard dat hij zelf een klap voelde en dat hij vervolgens één klap heeft gegeven. Subsidiair is door de raadsvrouw betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, bij een geslaagd beroep op noodweerexces.
Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden.
De verdachte en de aangever waren op 17 mei 2024 ieder met hun eigen vriendengroep aanwezig op [een evenement] in Heenvliet. Op enig moment is de verdachte met een paar anderen van zijn groep in de richting van de aangever en zijn groepje gelopen. Aanleiding daarvoor was dat er vanuit de groep van de aangever met drank gegooid zou zijn over personen uit de groep van de verdachte. Uit verschillende verklaringen blijkt dat er, toen de groep van de aangever gepasseerd werd, een opstootje ontstond, waarbij de aangever en [een vriend van verdachte] ‘neus aan neus’ tegenover elkaar kwamen te staan, elkaar beethielden en waarbij over en weer werd geduwd en getrokken. Een van de vrienden van de aangever probeerde de aangever en [een vriend van verdachte] uit elkaar te halen, door de aangever weg te trekken. Vervolgens is de verdachte, die achter [die vriend] stond, opgesprongen om - over [die vriend] heen - de aangever met kracht een vuistslag te geven op diens linkeroog, ten gevolge waarvan de aangever op de grond is gevallen. Medisch onderzoek aan het linkeroog van de aangever wees uit dat sprake was van een breuk in de oogkasbodem en een kneuzing van de oogbol. Zijn pupil bleek permanent beschadigd. Het hof merkt dit letsel gelet op de aard, de gevolgen en het gebrek van (volledig) herstel ervan aan als zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt vast dat de verdachte met zijn groep de groep van de aangever bewust heeft opgezocht. Gelet op het vorenstaande is het hof verder van oordeel dat de verdachte de klap niet heeft gegeven in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Immers, dat de verdachte zelf werd geslagen is niet aannemelijk geworden. De verklaring van de verdachte vindt op dit punt onvoldoende steun in de overige inhoud van het dossier. Ook is onvoldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zich in een situatie bevond waarin hij [die vriend] moest verdedigen tegen een aanranding, of het dreigend gevaar daarvoor. Weliswaar stond zijn vriend “neus aan neus” en werd er geduwd en getrokken, maar werd toen de verdachte uithaalde, geprobeerd partijen uit elkaar te halen. Een noodzaak tot verdedigen bestond daarom op dat moment niet. Dit blijkt ook uit uitlatingen van [die vriend] zelf, die bij de rechter-commissaris onder meer heeft verklaard dat het geen echt gevecht aan het worden was, en het voor zijn gevoel al gesust was.
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Ook het beroep op noodweerexces wordt dus verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft het slachtoffer mishandeld door met de vuist tegen het oog van het slachtoffer te slaan. Het slachtoffer heeft hierdoor nodeloos pijn geleden en heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Door zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien vond de mishandeling plaats op een openbaar feest in bijzijn van omstanders, bij wie gevoelens van angst en onveiligheid kunnen worden aangewakkerd door zulk geweld. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van een reclasseringsadvies d.d. 15 september 2025, waaruit onder meer niet blijkt van contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.662,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.662,00, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 1.162,00 materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal voor dit deel derhalve worden toegewezen.
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over deze schade toewijzen met ingang van:
  • 12 november 2024 voor wat betreft € 241,00 (reiskosten);
  • 27 juli 2025 voor wat betreft € 151,00 (kosten medische inlichtingen);
  • 28 augustus 2025 voor wat betreft € 770,00 (eigen bijdrage zorgkosten),
tot aan de dag der algehele voldoening. Vast is komen te staan dat de schade vanaf die data is ontstaan.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde partij onder meer een vergoeding toekomt voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Het hof stelt op basis van het dossier en de gegeven onderbouwing door de benadeelde partij vast dat sprake is van lichamelijk letsel, zodat de grond voor immateriële schadevergoeding daarmee is gegeven
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft voor de hoogte van dit bedrag mede acht geslagen op de zogenoemde ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeld-bedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, die bij blijvende aantasting van het zicht in één oog, waaronder blijvende gevoeligheid voor fel licht waarbij het niet noodzakelijk is om voortdurend een donkere bril te dragen, een bandbreedte van bedragen tussen de € 6.000,00 tot € 14.000,00 noemt.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.162,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [het slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil -, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Vordering van [de benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 6.162,00 (zesduizend honderdtweeënzestig euro) bestaande uit € 1.162,00 (duizend honderdtweeënzestig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [het slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.162,00 (zesduizend honderdtweeënzestig euro) bestaande uit € 1.162,00 (duizend honderdtweeënzestig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
  • 12 november 2024 over een bedrag van € 241,00 ter zake van reiskosten
  • 27 juli 2025 over een bedrag van € 151,00 ter zake van kosten medische inlichtingen
  • 28 augustus 2025 over een bedrag van € 770,00 ter zake van eigen bijdrage zorgkosten
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 mei 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, als voorzitter, mr. N.M. Boersma en mr. M. Bakker, leden, in bijzijn van griffiers mr. I.L. Vollering en mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2026.
Mr. M. Bakker is buiten staat dit adres mede te ondertekenen.