Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1023

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
BK-25/539
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing afwaardering cryptotokens in vennootschapsbelasting 2019

De BV had een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) 2019 ontvangen waarbij een afwaardering van €250.000 op cryptotokens niet werd toegestaan. De BV stelde dat de investering zakelijk was en door de BV was gedaan, terwijl de Inspecteur stelde dat de overeenkomst door de DGA privé was gesloten.

De Rechtbank wees het beroep van de BV af en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel. Uit de stukken bleek dat de Token Agreement en de bevestiging van de investering op naam van de DGA stonden, niet op naam van de BV. De betaling vanaf de rekening van de BV was onvoldoende bewijs dat de BV de investering had gedaan.

Het Hof oordeelde dat de BV de bewijslast had om aan te tonen dat de investering zakelijk was, maar dat zij dit niet had gedaan. Ook de verwerking in de jaarrekening en het onderzoeksrapport konden dit niet veranderen. De afwaardering werd daarom terecht niet toegelaten ten laste van het resultaat van de BV. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De afwaardering van de cryptotokens ten laste van de BV is terecht niet toegestaan omdat de tokenovereenkomst door de DGA privé is gesloten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/539
Uitspraak van 19 maart 2026
in het geding tussen:
de curator van [X] B.V.te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: B.F.M. de Koning)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 juni 2025, nummer SGR 24/3882.
Procesverloop
1.1. De Inspecteur heeft aan [B.V.] (de BV) over het jaar 2019 een aanslag in de vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 12.071 belastingrente in rekening gebracht.
1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het tegen de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen en de aanslag Vpb 2019 gehandhaafd.
1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 371 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1. De BV is op […] 2013 opgericht. Enig aandeelhouder van de BV is [B.V. 1] (Holding BV). Alle aandelen in Holding BV worden gehouden door [A] (DGA). DGA is enig bestuurder van de BV.
2.2. Op 29 augustus 2018 heeft DGA een overeenkomst (de Token Agreement) gesloten met [LLC] , waarmee ook het bedrijf [naam bedrijf] zal worden aangeduid), gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten, ter verwerving van [Tokens] tokens (de Tokens). [LLC] werd hierbij vertegenwoordigd door de heren [B] en [C] . DGA heeft een “Token Receipt” ontvangen waarin zijn investering in de Tokens wordt bevestigd. In de Token Agreement zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

“The agreement

The Buyer [DGA] and seller [LLC] represented by [B] and [C] is subject to conditions as described hereunder:
1. The Buyer is purchasing [Tokens] for the amount of 250.000 euro.
(…)
4. The buyer will receive from the seller 422,675,00 [Tokens].
(…)
7. After the crowd sale the tokens will be distributed to an compatible ERC20 wallet. [LLC] will then place the tokens on a secure cold wallet / ledger for you to be accessed.

The [Token]

The [Token] give you right to our premium mining service and in return, grants you the rights to a percentage of our total mined bitcoins (“gross mining revenue”) each month. As long as you are the owner of the tokens, our smart contract will transfer a portion of the gross mining revenue in Ether to your wallet each month.

When can I expect to my pay outs

Following our roadmap we will start mining in January 2019. Every last day of the month, starting in January 2019, our smart contract will distribute Ether to our token holders. As long as you are the owner of the token, our smart contract will send out a portion of the mining revenue to your ERC-20 compatible wallet each month.”
2.3.
In de brochure van [LLC] staat, voor zover hier van belang, over hun business model:
“Up until now the preference in the token industry has been for a net output share. [LLC] has decided to implement an industry-first gross revenue share. This structure is transparent, straightforward and the token holders are not left with uncertainty regarding hidden costs. From every mined Bitcoin, 45% will be divided among all token holders. The token holders are exempt from all entrepreneurial risk. [LLC] bears these risks.
(…)
When can I expect to receive a passive Income?
As shown in our roadmap [pagina nummers] we will start mining in January 2019. Every last day of the month, starting in January 2019, our smart contract will distribute Ether to our token holders.”
2.4.
Op 13 september 2018 is vanaf een bankrekening van de BV een bedrag van € 250.000 overgeboekt naar [LLC] .
2.5.
Op 16 december 2019 is de jaarrekening over het jaar 2018 van de BV ondertekend. Op de balans per 31 december 2018 is onder de rubriek “Financiële vaste activa”, subonderdeel “Overige effecten”, een bedrag van € 250.000 aan Tokens opgenomen. De toelichting op deze balanspost luidt:
“De [Tokens] kunnen op drie manieren in de balans verwerkt worden. Dit kan als immateriële activa, voorraad of andere belegging. Er is gekozen deze als andere belegging te verwerken daar het een belegging voor de lange termijn is. De [Tokens] zijn gewaardeerd tegen aanschafwaarde.”
De onafhankelijke accountant heeft zich bij zijn controleverklaring van 18 december 2019 onthouden van het geven van een oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening.
2.6.
Op 13 mei 2020 heeft de administratie van de BV een e-mail van [C] ontvangen. In deze e-mail is, voor zover hier relevant, het volgende opgenomen:
“We acknowledge the receipt of the 250.000 EURO investment made in 2018 to purchase [Tokens] from [LLC] .
As portrayed earlier the project [LLC] has failed to launch and rendered the investment of 250.000 EURO valueless.
The worth of the [Tokens] end of 2019 is 0 due to the fact the underlying properties failed to launch and the tokens is not tradeable on any stock / token exchange.”
2.7.
Op 10 juli 2020 heeft DGA opdracht gegeven om een particulier onderzoek in te stellen naar de betrokken personen bij [LLC] . In het rapport van onderzoeksbureau [naam onderzoeksbureau] van 30 november 2020 is het volgende opgenomen:
“Op vrijdag 10 juli 2020 heeft [DGA], CEO van [de BV] te [woonplaats 1] , verzocht om een particulier onderzoek in te stellen naar de eigenaren en het personeel wat deel uitmaakt of heeft uitgemaakt van het crypto mining bedrijf [LLC] (…) wat destijds gevestigd was in de Verenigde Arabische Emiraten. Dit onderzoek hebben wij, rapporteurs, uitgevoerd in onze hoedanigheid als bevoegd particulier onderzoeker bij [naam onderzoeksbureau] te [woonplaats 2] .
(…)
Advies
Gezien de opstelling en gedraging van [C] en de bevindingen uit dit onderzoek, zijn er volgens ons rapporteurs voldoende gronden aanwezig om aangifte te doen van een strafbaar feit, zoals vermeld in de artikelen 140, 321 en artikel 326 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Tevens bestaat tot de mogelijkheden om via een advocaat een juridische procedure te starten om de geleden financiële schade te verhalen op subjecten [C] , [B] en [ [D] , zie hieronder in 2.9].”
2.8.
De BV heeft op 11 november 2020 aangifte Vpb over het jaar 2019 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 3.306.548. Bij het bepalen van het belastbare bedrag is onder de rubriek “Financiële baten en lasten”, subonderdeel “Waardeverandering van effecten”, een bedrag van € 250.000 in aftrek gebracht als gevolg van een volledige afwaardering van de Tokens.
2.9.
Op 17 december 2020 heeft DGA een verzoek tot conservatoir beslag op vermogensbestanddelen van [C] , [B] en [D] ingediend bij de voorzieningenrechter. Volgend op vragen van de voorzieningenrechter van 21 december 2020, is een cessie-akte overgelegd van 17 december 2020. Bij deze akte draagt de BV een vordering wegens onrechtmatige daad op (bestuurders van of gelieerde natuurlijke personen aan) [LLC] in het kader van de gerechtelijke procedure tot verhaal van de schade over aan DGA.
2.10.
Op 17 februari 2021 heeft een medewerker van het onderzoeksbureau [naam onderzoeksbureau] namens DGA aangifte gedaan bij de politie. In het proces-verbaal van de aangifte is DGA aangemerkt als slachtoffer (het proces-verbaal). In het proces-verbaal is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Namens [DGA] verklaar ik het volgende:
Ik ben CEO van [de BV] te [woonplaats 1] . [De BV] is een bedrijf voor metaal benodigdheden. (…)
Medio 2018 werd ik benaderd door een bedrijf, (…) [LLC] . [LLC] was een bedrijf wat zich zou gaan specialiseren in Crypto Currency middels mining apparatuur. Ik werd benaderd door 2 mannen, de heer [C] en de heer [B] . Beiden waren bezig met geld op te halen voor het investeren in hun Crypto mining onderneming. (…) Ik kreeg een uitgebreide brochure overhandigd die grote winsten in het vooruitzicht stelde bij een investering in het bedrijf. (…) Er werd mij een mooi rendement voorgespiegeld voor mijn inleg. (…) Ik zou als CEO een investering doen van 250.000,00 euro. (…)
Echter bleek al vrij snel dat nadat ik het voornoemde bedrag had overgemaakt er niets
met de toegezegde aankoop van de Crypto mining apparatuur was gedaan. Na mijn
investering zou ik een Crypto mining apparaat ontvangen. Kennelijk is niet aan deze
contractuele verplichting voldaan. Zoals eerder toegezegd werden ook de voortgang en
de resultaten niet getoond. (…)
Uit het onderzoek, wat ik heb laten uitvoeren, is onomstotelijk vast komen te staan dat [B] en [C] , met de door mij ingebrachte 250,000,- euro nooit een crypto mining bedrijf hebben opgezet in Nederland.
De heren [B] en [C] hebben bewust mijn vertrouwen misbruikt.
Ik had vertrouwen in het Crypto Currency concept om de volgende redenen: De aanlokkelijke misleidende brochure, op zeer overtuigende wijze zich voordoen als een solide organisatie met meerdere experts in dienst als medewerkers, reclame campagne en de toezegging op de kostbare mining apparaat als onderpand op mijn geldelijke inleg om mijn beoogde rendementen te behalen.”
2.11.
De BV is met ingang van […] 2022 in staat van faillissement verklaard.
2.12.
Naar aanleiding van de aangifte Vpb 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meerdere malen om nadere informatie verzocht over de afwaardering van de Tokens, op welke verzoeken is gereageerd. Met dagtekening 2 september 2023 is aan de BV een aanslag Vpb 2019 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548. Daarbij heeft de Inspecteur de afwaardering van de Tokens voor een bedrag van € 250.000 ten laste van het resultaat van de BV niet toegestaan.
2.13.
Per brief van 6 november 2023 heeft belanghebbende bevestigd dat haar advocaat, onder overlegging van een toestemmingsverklaring van de curator, gemachtigd is proceshandelingen, waaronder het aanwenden van rechtsmiddelen, te verrichten tegen de aanslag Vpb 2019.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“15. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding tot de onderhavige afwaardering door eiseres. De onder overweging 2. genoemde Token-agreement is door A. in privé gesloten. Dat A. bij het sluiten van deze overeenkomst als bestuurder van eiseres of in opdracht van eiseres heeft gehandeld volgt niet uit de overeenkomst noch uit andere stukken rond de tijd van de gedane investering. Civielrechtelijk is de investering door A. gedaan. Dat de betaling is gedaan vanaf een rekening van eiseres, maakt dit niet anders. De betaling door eiseres kwalificeert zoals verweerder terecht stelt als een verkapte winstuitdeling aan A. De verwerking onder “effecten” in de jaarrekening 2018 van eiseres leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de tekst van de Token Agreement en de verklaring van A. bij de politie moet het begin 2019, dan wel ruim vóór het opmaken van de jaarrekening op 16 december 2019, al duidelijk zijn geweest dat de investering waardeloos was. De rechtbank gaat aan deze boekhoudkundige verwerking dan ook voorbij. Wat eiseres verder heeft aangevoerd is van (veel) latere datum dan de datum van de gedane investering en leidt evenmin tot een ander oordeel. De afwaardering van de investering is bij de aanslagoplegging dan ook terecht niet in aanmerking genomen en de aanslag Vpb voor het jaar 2019 is niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
16. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de aanslag Vpb 2019 naar het juiste bedrag is opgelegd. In het bijzonder is in geschil of de BV een bedrag van € 250.000 ten laste van haar resultaat kan brengen in het jaar 2019 in verband met een afwaardering van de Tokens.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag Vpb 2019 tot een naar een belastbaar bedrag van € 3.306.548. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Belanghebbende stelt dat niet DGA, maar de BV – om zakelijke redenen – in de Tokens heeft geïnvesteerd. Om die reden dient de afwaardering van de Tokens ten bedrage van € 250.000 ten laste van het resultaat van de BV in het jaar 2019 te komen.
5.2.
De Inspecteur stelt dat de Token Agreement civielrechtelijk door DGA in privé is aangegaan en dat derhalve geen aanleiding bestaat voor een afwaardering van de Tokens ten laste van het resultaat van de BV.
5.3.
Het is aan belanghebbende op wie de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat het bedrag van € 250.000 ten laste van het resultaat van de BV in het jaar 2019 dient te komen.
5.4.
Blijkens het proces-verbaal werd DGA medio 2018 benaderd door de bestuurders van [LLC] . Hij kreeg een uitgebreide brochure overhandigd die grote winsten in het vooruitzicht stelde bij een investering in het bedrijf. Op 29 augustus 2018 heeft DGA de Token Agreement gesloten met [LLC] . Uit de Token Agreement blijkt op geen enkele wijze dat DGA de overeenkomst in hoedanigheid van bestuurder van de BV heeft gesloten. Ook de “Token Receipt” waarin de investering wordt bevestigd, staat op naam van DGA en niet op naam van de BV. Belanghebbende heeft ook geen andere stukken overgelegd uit 2018, zoals e-mailcorrespondentie tussen DGA en de bestuurders van [LLC] , of tussen DGA en andere betrokkenen bij de BV (zoals haar boekhouder), waaruit blijkt dat DGA namens de BV heeft geïnvesteerd in de Tokens. De stelling van belanghebbende dat die stukken niet meer voorhanden zouden zijn geweest gelet op het faillissement van de BV kan het Hof niet volgen. De Inspecteur heeft reeds op 20 augustus 2021 om een uitgebreide onderbouwing van de afwaardering van € 250.000 verzocht. Na ontvangst van een eerste reactie hierop, is op 29 oktober 2021 om een nadere onderbouwing verzocht. In zijn brief van 1 februari 2022, nog steeds ruim voor de datum van faillissement, heeft de Inspecteur zelfs expliciet verzocht om “
kopieën van stukken dan wel een nadere onderbouwing waaruit kan worden opgemaakt dat de investering in de tokens door [DGA] zijn gedaan in zijn hoedanigheid van CEO van [de BV]”. Dat de BV, hoewel zij op dat moment nog over haar eigen administratie kon beschikken, heeft nagelaten dergelijke stukken te verstrekken -die kennelijk wel voorhanden waren en waarmee de stelling van belanghebbende zou kunnen worden onderbouwd- komt derhalve voor haar rekening. Het Hof leidt uit het voorgaande af dat de DGA in privé in de Tokens heeft geïnvesteerd.
5.5.
Hetgeen belanghebbende hier tegenin brengt, doet hier niet aan af. Het Hof overweegt daartoe als volgt. Het feit dat het investeringsbedrag van € 250.000 is overgeboekt vanaf een bankrekening van de BV maakt duidelijk op welke manier betaald is, maar vormt op zichzelf geen bewijs van een investering door de BV. Het is immers niet ongebruikelijk dat een directeur-grootaandeelhouder significante privébetalingen vanaf een bankrekening van de vennootschap doet. De stelling van belanghebbende dat de BV in de Tokens heeft geïnvesteerd om zo handelstransacties in cryptovaluta te kunnen faciliteren, heeft zij niet onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur had dit wel op haar weg gelegen. Uit de brochure van [LLC] , de Token Agreement alsmede het proces-verbaal en de jaarrekening over 2018 van de BV lijkt veeleer het doel van de investering in de Tokens te zijn om een passief rendement te genereren met een belegging voor de lange termijn. Het feit dat de investering in de Tokens is verwerkt in de jaarrekening 2018 van de BV doet ook niet af aan het hiervoor gegeven oordeel. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de juistheid van de verwerking in de jaarrekening door de Inspecteur, had het op de weg van belanghebbende gelegen daarover meer concrete met bewijsstukken onderbouwde informatie te verstrekken. Dit geldt te meer nu de onafhankelijke accountant zich heeft onthouden van het geven van een oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening. Het Hof gaat daarom voorbij aan de verwerking van de Tokens in de jaarrekening van de BV.
5.6.
Uit het onderzoeksrapport uit 2020 en het proces-verbaal blijkt tot slot dat DGA zich telkens opstelt in hoedanigheid van bestuurder van de BV. Dit acht het Hof echter een uitvloeisel van het standpunt van DGA dat de BV in de Tokens heeft geïnvesteerd en kan dus op zichzelf niet tot leiden tot een feitelijke omstandigheid dat als bewijs kan dienen dat de investering door de BV is gedaan. Hetzelfde geldt voor het feit dat de DGA eind 2020 op verzoek een cessie-akte heeft overgelegd aan de voorzieningenrechter waarin de BV een vordering wegens onrechtmatige daad op (bestuurders van of gelieerde natuurlijke personen aan) [LLC] in het kader van de gerechtelijke procedure tot verhaal van de schade overdraagt aan DGA. Naar het oordeel van het Hof heeft DGA in privé in de Tokens geïnvesteerd.
5.7.
Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat de aanslag Vpb 2019 naar het juiste bedrag is opgelegd.
Belastingrente
5.8.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, T.A. de Hek en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon P.C. van den Brink
De beslissing is op 19 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.