Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
1 maart 2024. De man heeft een grief gericht tegen (een deel van) beide periodes.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak gaat het om een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake de vaststelling van kinderalimentatie voor een minderjarige waarvan de ouders nooit hebben samengewoond. De rechtbank had de maximale tabelbehoefte verdubbeld, wat de man betwistte. Het hof overweegt dat de behoefte niet zomaar kan worden verdubbeld zonder nadere motivering, zeker omdat partijen niet als gezin samenwoonden. De behoefte wordt daarom vastgesteld op basis van het inkomen van de man, die een hoog netto besteedbaar inkomen heeft.
Het hof beoordeelt ook de draagkracht van de man over twee perioden. De man stelde dat zijn inkomen lager was vanwege het niet verlengen van zijn voetbalcontract en zijn gezondheid, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde netto inkomens en verdeelt de draagkracht van de man gelijk over zijn drie kinderen. De vrouw volgt een opleiding en verzorgt het kind, waardoor haar draagkracht minimaal wordt vastgesteld.
De gezamenlijke draagkracht is lager dan de behoefte in de tweede periode, waardoor geen draagkrachtvergelijking plaatsvindt en de man wordt verplicht €864 per maand te betalen vanaf 1 maart 2024. De bestreden beschikking wordt vernietigd voor de periode tot 1 maart 2024 en opnieuw vastgesteld op €713 per maand. Proceskosten worden gecompenseerd en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €713 per maand tot 1 maart 2024 en €864 per maand daarna, met vernietiging en bekrachtiging van delen van de bestreden beschikking.