Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door mr. F. Pool, waarnemend voor mr. J. Brouwer;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] ;
- de vader.
Gerechtshof Den Haag
Het hof bevestigt de beslissing van de kinderrechter om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen tot 31 augustus 2025. De minderjarige heeft een licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen, waardoor hij intensieve 24-uurszorg nodig heeft die zijn ouders niet kunnen bieden vanwege hun eigen beperkingen.
De ouders en moeder voeren aan dat onvoldoende hulpverlening is ingezet en dat met voldoende begeleiding de minderjarige weer thuis zou kunnen wonen. De gecertificeerde instelling betoogt dat eerdere hulpverlening in de thuissituatie tevergeefs was en dat een gezinsopname geen kans van slagen heeft. De minderjarige verblijft sinds april 2023 op een crisisopvangplek die niet passend is, maar een geschikte plek binnen de reguliere jeugdzorg is nog niet gevonden.
Het hof concludeert dat het niet in het belang van de minderjarige is om terug te keren naar huis en benadrukt de schrijnende situatie van langdurig verblijf op een crisisplek. Het doet een dringend beroep op de gemeente om verantwoordelijkheid te nemen en een passende plek te vinden. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 31 augustus 2025.