ECLI:NL:GHDHA:2025:366

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
22-003708-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling voor mishandeling met mes

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, namelijk poging zware mishandeling, omdat het hof onvoldoende bewijs vond voor het opzet tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, mishandeling door steken/snijden met een mes, heeft begaan. Dit is onderbouwd met verklaringen van getuigen, proces-verbaal van snijwonden bij het slachtoffer, het aantreffen van een mes nabij de plaats delict en forensisch DNA-onderzoek dat bloed van het slachtoffer en DNA van verdachte op het mes aantoonde.

Hoewel de verdediging het slachtoffer niet heeft kunnen ondervragen vanwege diens onvindbaarheid, oordeelt het hof dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen en het ontbreken van deze ondervraging niet leidt tot schending van artikel 6 EVRM Pro.

De strafmotivering benadrukt de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de maatschappij, en het recidivekarakter van verdachte. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 dagen waarvan 16 voorwaardelijk en een taakstraf van 80 uur.

Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en het hof spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde, verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen en legt de genoemde straf op.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van poging zware mishandeling en veroordeeld tot 20 dagen gevangenisstraf (waarvan 16 voorwaardelijk) en 80 uur taakstraf voor mishandeling met een mes.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003708-23
Parketnummer: 10-236111-23
Datum uitspraak: 6 maart 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 november 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1981,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 september 2023 te Vlaardingen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug en/of de hand heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 september 2023 te Vlaardingen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand te steken en/of te snijden.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van
40 dagen, waarvan 36 dagen voorwaardelijk.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde
Het hof constateert dat de feitelijke toedracht onduidelijk is gebleven, waardoor niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel was en zo ja, of verdachte die heeft aanvaard. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte van de primair tenlastegelegde poging zware mishandeling zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks14 september 2023 te Vlaardingen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een mes
, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand te steken en/of te snijden.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Beperking ondervragingsrecht en art. 6 EVRM Pro
Vaststaat dat de verdediging eerder heeft verzocht om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) als getuige te horen en dat het hof dat verzoek heeft toegewezen. De raadsheer-commissaris heeft in het (afsluit) proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2024 vermeld dat de feitelijke woon- of verblijfplaats van [slachtoffer] niet kan worden getraceerd, waardoor hij niet kan worden opgeroepen voor het getuigenverhoor en dat onaannemelijk is dat hij binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord als getuige. De verdediging heeft dus geen mogelijkheid gehad om [slachtoffer] te ondervragen.
Nu de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om [slachtoffer] als getuige te ondervragen, dient te worden beoordeeld of het proces desondanks als geheel eerlijk is verlopen. Allereerst stelt het hof vast dat er een geldige reden is waarom [slachtoffer] niet als getuige kon worden ondervraagd. De raadsheer-commissaris heeft na (uitvoerig) onderzoek geconcludeerd dat het adres van de getuige niet kan worden achterhaald waardoor het onaannemelijk moet worden geacht dat deze getuige binnen een redelijke termijn gehoord zou kunnen worden. Vervolgens is van belang dat de belastende verklaring van [slachtoffer] steun vindt in andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Het hof benoemt daarbij met name de verklaring van de getuige [getuige] (zowel bij de politie als de raadsheer-commissaris), het proces-verbaal van bevindingen omtrent de door de verbalisanten waargenomen snijverwonding in de vingers van [slachtoffer] en het aantreffen van een mes in de onmiddellijke omgeving van de plaats waar het conflict tussen [slachtoffer] en de verdachte is geëindigd. Ten slotte vindt de belastende verklaring van [slachtoffer] ook steun in het – pas in de fase van het hoger beroep beschikbare – rapport van 15 december 2023 met betrekking tot de resultaten van forensisch DNA-onderzoek waaruit -samengevat - naar voren komt dat op het lemmet van het hiervoor genoemde door de verbalisanten aangetroffen mes bloed van [slachtoffer] is aangetroffen en op het heft van het mes DNA van de verdachte. Het hof is van oordeel gelet op het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer] niet van doorslaggevende betekenis is voor de bewezenverklaring.
Daarbij overweegt het hof dat de verdediging ter zitting van 20 februari 2025 geen nieuw verzoek gedaan om te pogen deze getuige opnieuw te doen horen. De verdediging heeft evenmin verzocht om andere onderzoekshandelingen ter compensatie van de beperking van haar verdedigingsrechten.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het feit dat de verdediging [slachtoffer] niet als getuige heeft kunnen ondervragen – ondanks het ontbreken van compenserende factoren – onverlet laat dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van Pro het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer in de hand te snijden/steken. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Bovendien worden daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
6 februari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden weer een dergelijk feit te plegen.
Het hof is gelet op het bovenstaande en de ernst van het bewezenverklaarde feit van oordeel dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf passend en geboden is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
20 (twintig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
16 (zestien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door J. Candido, als voorzitter, en mr. L.A. Pit en mr. H.M.D. de Jong, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. van Eekeres.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 maart 2025.