Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant],
[appellante],
1.[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
wonend in Zoetermeer,
[geïntimeerde 3],
Het hof noemt geïntimeerde 1 [geïntimeerde 1]. Geïntimeerden 2 en 3 samen worden
[geïntimeerde 2&3] genoemd.
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaardingen van 15 februari 2024, waarmee [appellanten] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 15 november 2023;
- de memorie van grieven van [appellanten] van 16 april 2024, met zeven bijlagen.
3.Feitelijke achtergrond
“Ik kreeg net het bericht dat alle werkzaamheden, voortvloeiend uit de gesloten overeenkomst van 19 oktober 2020, tot tevredenheid van de huurders zijn uitgevoerd. Dus wilt u de familie vragen om voor 1 december a.s. de ingehouden bedragen over te maken.Naar de heer [geïntimeerde 1]; september 2019 tot en met juli 2021; 23 maanden x € 100,-= € 2.300,- en naar de familie [x]; augustus 2021 tot en met oktober 2021;3 maanden x € 100,- = € 300,-.Vanaf 1 november 2021 wordt, behoudens de huurverhoging ingaande 1 augustus 2022, € 1.100,- per maand overgemaakt.“
4.Procedure bij de rechtbank
€ 1.355,- en € 1.465,- per maand.
voor zover dit aanbod niet een wijziging inhoudt van de huurprijs. Strikte toepassing van dit artikel zou betekenen dat de vordering op dit punt moet worden afgewezen omdat [geïntimeerde 2&3] slechts een aanbod hebben gedaan tot wijziging van de huurprijs. De kantonrechter acht deze uitkomst in het onderhavige geval echter onevenredig en onbillijk en zal hierna toelichten waarom van dit artikel moet worden afgeweken.
5.Het geschil in hoger beroep
grief 1klaagt [appellanten] over de toegestane huurverhoging op straffe van beëindiging van de huurovereenkomst. Dit is volgens [appellanten] in strijd met de huurovereenkomst en met de wet. In de huurovereenkomst is bovendien geen huurverhogingsclausule opgenomen, omdat [geïntimeerde 1] de woning aan [appellanten] zou verkopen, maar dit is om onduidelijke redenen niet gebeurd.
Grief 2bevat klachten over de veroordeling om de ingehouden huurbedragen terug te betalen. De drie niet herstelde gebreken die de kantonrechter noemt, maakten onderdeel uit van de lijst van de te herstellen gebreken. Niet alleen is niet duidelijk waarom deze niet zijn hersteld, maar bovendien gaat de kantonrechter niet in op andere niet herstelde gebreken op de lijst, aldus nog steeds [appellanten].
6.Beoordeling in hoger beroepGrief 1
“2.1 Tijdens de descente op 13 oktober 2023 hebben [appellanten] aan de kantonrechter de door haar gestelde gebreken in het gehuurde laten zien, op grond waarvan zij een deel van de huur - het gevorderde bedrag van € 2.300,00 aan [geïntimeerde 1] en € 300,00 aan [geïntimeerde 2&3] - hebben opgeschort. Concreet gaat het om de volgende punten:- niet werkende schakelaars in de woonkamer;- een koelkastdeur die niet dicht kan;- een niet goed functionerende kraan in de keuken.”
[appellanten] heeft niet uitgelegd waarom hij de andere, volgens hem (toen) nog niet herstelde gebreken niet aan de kantonrechter heeft laten zien, hoewel dat toch voor de hand liggend zou zijn geweest. Daarom passeert het hof de betreffende stellingen van [appellanten] als onvoldoende onderbouwd. Hier komt bij dat de brief van 20 november 2017 waarnaar in de schikking wordt verwezen niet is overgelegd in deze procedure. Dit betekent dat het hof zal uitgaan van de waarnemingen van de kantonrechter omtrent de resterende drie geringe gebreken.
7.Beslissing
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 15 november 2023, voor zover het gaat om de beslissingen in 3.1 en 3.2 van het dictum, en om de proceskostenveroordeling;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- wijst af ongedaanmakingsvordering B;
- verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in zijn nieuwe vorderingen in hoger beroep (C, D, E en F)
- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep.