ECLI:NL:GHDHA:2025:2831

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
22-003118-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling wegens huiselijk geweld met mishandeling van ex-partner en vriendin

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere veroordeling van de verdachte voor mishandeling van zijn ex-partner en haar vriendin. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 dagen en een taakstraf van 60 uur. Het hof heeft de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte bevestigd, ondanks dat de voormalige echtgenote van de verdachte geen aangifte wilde doen. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de bedreiging van zijn ex-partner, omdat niet wettig en overtuigend bewezen was dat hij dit feit had begaan. De bewezenverklaring van de mishandeling is wel gehandhaafd. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij sinds 2019 niet opnieuw in aanraking is gekomen met de justitie. Uiteindelijk is de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uur, waarbij het hof geen aanleiding zag voor een (deels) voorwaardelijke straf of een contactverbod. De uitspraak benadrukt de ernst van huiselijk geweld en de impact daarvan op de slachtoffers.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003118-23
Parketnummer: 09-018269-19
Datum uitspraak: 31 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 februari 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1974,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1]. Ter zake van het onder 3 tenlastegelegde is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Zij heeft zich – hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld - in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, zodat die vordering thans niet meer aan de orde is.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 20 januari 2019 te 's-Gravenhage [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan/stompen en/of aan het haar te trekken;
2.
hij op of omstreeks 20 januari 2019 te 's-Gravenhage [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of tegen de borst te slaan;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 4 december 2018 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] te volgen en/of de woorden toe te voegen 'ik steek je neer'.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het openbaar ministerie ter zake van het onder 3 tenlastegelegde niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Zo komt het hof tot een andere beslissing ten aanzien van feit 3 en een andere strafoplegging.
Ontvankelijkheid feit 3
Zowel het openbaar ministerie als de verdediging hebben het hof verzocht het openbaar ministerie – net als in eerste aanleg is gebeurd – niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte ter zake feit 3.
Naar het oordeel van het hof staat de omstandigheid dat de voormalige echtgenote van de verdachte uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij geen aangifte wilde doen en geen vervolging van de verdachte wenste voor de vermeende bedreiging niet in de weg aan een vervolging van de verdachte ter zake van dat feit. Er is geen sprake van een zogeheten klachtdelict en er is ook geen andere omstandigheid die afdoet aan de ontvankelijkheid. Het openbaar ministerie is dus ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.
Vrijspraak feit 3
Naar het oordeel van het hof is echter niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks20 januari 2019 te 's-Gravenhage
[slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen
, althans eenmaal,in/tegen het gezicht, althans het hoofd te slaan
/stompenen
/ofaan het haar te trekken;
2.
hij op
of omstreeks20 januari 2019 te 's-Gravenhage
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door
meermalen, althans eenmaal,in/tegen het gezicht
, althans het hoofd en/of tegen de borstte slaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert telkens op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vorm van huiselijk geweld door mishandeling van [slachtoffer 1] (zijn ex-partner) en haar vriendin, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door aldus te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast zijn de feiten gepleegd op de openbare weg, waardoor ook in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid worden aangewakkerd, in het bijzonder ook waar het gaat om geweld tegen vrouwen.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens belaging in de periode kort na de feiten in deze zaak. Ook die veroordeling betreft zijn ex-partner.
Het hof houdt er tevens rekening mee dat sinds het plegen van de bewezen verklaarde feiten geruime tijd is verstreken en dat verdachte zich - uitgaande van zijn strafblad – sinds 2019 niet opnieuw aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het contact met zijn ex-partner nu goed verloopt. Het hof gaat er daarom van uit dat de spanningen die ten tijde van de feiten bestonden zijn verminderd en dat inmiddels sprake is van een stabiele situatie. Mede in verband daarmee ziet het hof geen aanleiding een (deels) voorwaardelijke straf en/of een contactverbod op te leggen.
Mede gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheid dat de verdachte destijds nog
first offenderwas, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof - en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. A.E. Harteveld, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.G. Ouwens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 december 2025.
Mr. H.C. Plugge, mr. A.E. Harteveld en de griffier zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.