ECLI:NL:GHDHA:2025:2822

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
200.362.193/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissement en bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 22 december 2025 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2025 bekrachtigd, waarbij de appellant in staat van faillissement was verklaard. De appellant, vertegenwoordigd door mr. M.Z.D. Nasrullah, had hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De rechtbank had vastgesteld dat er summierlijk bewijs was van het vorderingsrecht van de geïntimeerde, [naam] B.V., en dat de appellant in de toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen. De rechtbank baseerde haar oordeel op een opeisbare vordering van de geïntimeerde van € 48.603,59 en een terugbetalingsverplichting uit hoofde van een ontbonden koopovereenkomst. De appellant betwistte de opeisbaarheid van de vordering en stelde dat er geen pluraliteit van schuldeisers was. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025 werd duidelijk dat de curator, mr. P.A. de Lange, de betwisting van de appellant niet steunde en bevestigde dat er meerdere concurrente vorderingen waren ingediend door andere schuldeisers. Het hof oordeelde dat er voldoende bewijs was voor de toestand van de appellant en dat de vorderingen van de geïntimeerde voldoende basis vormden voor het faillissementsverzoek. Het hof concludeerde dat het bestreden vonnis moest worden bekrachtigd, wat betekent dat de appellant in zijn faillissement blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.362.193/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/25/433 F
Arrest van 22 december 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. M.Z.D. Nasrullah, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[naam] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. C.M. Borman, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.Procesverloop

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2025 is [appellant] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. C.G.E. Prenger, tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. P.A. de Lange, advocaat te Barendrecht, als curator. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 december 2025, is [appellant] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Na het verzoekschrift (met bijgevoegd de stukken uit de procedure bij de rechtbank) zijn bij het hof binnengekomen: een brief (met bijlagen) van [geïntimeerde] van 12 december 2025; de reactie van de curator (met bijlagen) van 12 december 2025, een toegestuurd KvK-uittreksel betreffende [geïntimeerde] en een nadere toelichting van [appellant] (met bijlagen) van 15 december 2025.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 december 2025.
Verschenen zijn:
  • [appellant] , bijgestaan door mr. Nasrullah;
  • [directeur] (directeur), bijgestaan door mr. Borman en accountant [accountant] ;
  • mr. De Lange (curator), vergezeld van zijn kantoorgenoot mr. R. van Dongen.
Mr. Borman heeft het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen.

2.Beoordeling van het hoger beroep

2.1
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [geïntimeerde] en van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Daarbij heeft de rechtbank -samengevat- het volgende overwogen.
2.2
De rechtbank stelt vast dat uit het verstekvonnis van 2 februari 2025 van de rechtbank Rotterdam volgt dat er een opeisbare vordering van [geïntimeerde] is van € 48.603.59. Daarnaast is summierlijk gebleken dat [geïntimeerde] een vordering heeft uit hoofde van een terugbetalingsverplichting wegens ontbinding van een tussen partijen gesloten koopovereenkomst (betreffende de verkoop door [appellant] aan [geïntimeerde] van een perceel grond met bijbehorende woningen aan de [adres] ). Uit de overgelegde stukken blijkt dat [appellant] door [geïntimeerde] meermaals is gesommeerd om de leveringsverplichting uit hoofde van die koopovereenkomst (die stamt uit 2022) na te komen. Toen levering ook na het vonnis van februari 2025 uitbleef, is de koopovereenkomst door [geïntimeerde] in oktober 2025 ontbonden. De stelling van [appellant] dat het mede aan [geïntimeerde] te wijten is dat levering niet heeft plaatsgevonden, is niet onderbouwd. [geïntimeerde] heeft deze stelling bovendien gemotiveerd betwist, welke betwisting steun vindt in de gedingstukken. De rechtbank stelt vast dat summierlijk is gebleken dat er sprake is van een vordering van [geïntimeerde] van € 205.905,67 (tot 6 oktober 2025). Ten aanzien van de pluraliteit van schuldeisers overweegt de rechtbank dat het bestaan van de diverse door [geïntimeerde] naar voren gebrachte vorderingen niet door [appellant] wordt betwist. Uit het verstekvonnis van 12 februari 2025 is gebleken dat drie andere partijen een bedrag van € 418.791,36 van [appellant] te vorderen hebben. Het bestaan van steunvorderingen is daarmee voldoende summierlijk gebleken. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de onderhavige kwestie al heel lang speelt en dat al die tijd geen oplossing is bereikt, ook niet met het Openbaar Ministerie. Tijdens de zitting bij de rechtbank is aan de orde gesteld of het mogelijk is om zekerheid te stellen voor de vordering van [geïntimeerde] . Dat bleek niet het geval. Ook is niet gebleken dat de vordering binnen afzienbare tijd kan worden betaald.
2.3
[appellant] is het niet eens met het vonnis van de rechtbank. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerde] geen opeisbare vordering op hem heeft en dat er geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Volgens [appellant] is de vordering van [geïntimeerde] niet opeisbaar omdat tussen hen op 1 maart 2025 is overeengekomen dat [adres] (de onroerende zaken waar de koopovereenkomst betrekking op heeft) tegen finale kwijting zouden worden geleverd. Dat levering nog niet heeft plaatsgevonden kan hem niet worden tegengeworpen, omdat op [adres] beslag rust van het Openbaar Ministerie en hij eerst na ontvangst van een taxatierapport toestemming kon vragen voor levering, aldus [appellant] , die verder aanvoert dat er geen fatale leveringstermijn is afgesproken en dat [geïntimeerde] het faillissementsverzoek te voorbarig en in strijd met de gemaakte afspraken heeft ingediend. Dit geldt volgens hem ook voor de als steunvorderingen gepresenteerde vorderingen van [betrokkene] en diens vennootschappen, met wie/waarmee hij naar zijn zeggen eveneens afspraken over levering tegen finale kwijting heeft gemaakt. [appellant] benadrukt dat hij met vrijwel alle schuldeisers regelingen heeft getroffen en/of daartoe vergevorderde afspraken heeft gemaakt en dat een faillissement deze regelingen doorkruist. Volgens [appellant] is er dan ook geen sprake van een situatie waarin hij heeft opgehouden te betalen en had het faillissementsverzoek moeten worden afgewezen.
2.4
[geïntimeerde] heeft ter zitting van het hof in de eerste plaats aandacht ervoor gevraagd dat het faillissementsverzoek niet alleen is gebaseerd op de vordering uit hoofde van een terugbetalingsverplichting wegens ontbinding van de koopovereenkomst, maar ook op een opeisbare vordering uit hoofde van gemiste rentetermijnen en boetebedragen die inmiddels meer dan € 50.000,- bedraagt. Voor toewijzing van het faillissementsverzoek was alleen al deze vordering voldoende, omdat [appellant] , behalve die vordering, vorderingen van meerdere schuldeisers onbetaald laat. Hiermee is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring. Ook de vordering uit hoofde van de terugbetalingsverplichting handhaaft [geïntimeerde] onverkort. Dat de ontbinding van de koopovereenkomst, die plaatsvond in oktober 2025, zou zijn teruggedraaid, of strijdig zijn met een eerdere overeenkomst/afspraak van
1 maart 2025 als door [appellant] gesteld wordt door haar betwist. In dat verband heeft zij onder meer erop gewezen dat het vonnis van februari 2025 op 23 april 2025 aan [appellant] is betekend en dat [appellant] ook nadien tot nakoming is aangemaand, maar zonder resultaat.
2.5
De curator heeft het hof meegedeeld dat hij het niet eens is met de betwisting door [appellant] van de opeisbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] . [appellant] beroept zich voor die betwisting op een overeenkomst van 1 maart 2025, maar degene die deze overeenkomst/afspraak namens [geïntimeerde] zou hebben ondertekend ( [betrokkene] ) was daartoe niet bevoegd, zodat van een overeenkomst met [geïntimeerde] geen sprake is. Ook is er, anders dan [appellant] meent, sprake van pluraliteit van schuldeisers. Dit gelet op de reeds ingediende vorderingen, waarvan een deel berust op rechterlijke uitspraken. Al negen andere crediteuren hebben (concurrente) vorderingen ingediend en naar verwachting komen daar nog de (zowel preferente als concurrente) vorderingen van [geïntimeerde] bij. Het is de curator niet gebleken dat met alle schuldeisers een regeling is getroffen. Tot slot heeft de curator erop gewezen dat geen zekerheid voor de faillissementskosten is gesteld.
2.6
Gelet op wat er over en weer is aangevoerd en door de curator naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat [appellant] verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. Ook in hoger beroep is summierlijk gebleken van het vorderingsrecht van [geïntimeerde] , zowel voor zover dat is gebaseerd op het verstekvonnis van 2 februari 2025, als op de terugbetalingsverplichting uit hoofde van de ontbinding van de koopovereenkomst in oktober 2025. De betwisting door [appellant] van (de opeisbaarheid van) beide vorderingen is onvoldoende gemotiveerd. Dat geldt ook voor zover hij zich voor die betwisting beroept op de door hem gestelde overeenkomst/afspraak van 1 maart 2025. Voor zover die overeenkomst/afspraak al geldig namens [geïntimeerde] zou zijn gesloten/gemaakt, blijkt uit de inhoud ervan niet dat [geïntimeerde] (al dan niet voorwaardelijk) afstand heeft gedaan van haar recht op betaling van het in het verstekvonnis aan haar toegewezen bedrag. En hetzelfde geldt voor haar recht om bij niet nakoming van de leveringsverplichting de koopovereenkomst te ontbinden en terugbetaling te vorderen van het reeds betaalde bedrag. Uit [appellant] betoog volgt niet dat hij de overeenkomst/afspraak redelijkerwijs wel in die zin mocht opvatten. Wat die ontbinding betreft wordt nog toegevoegd dat uit [appellant] betoog evenmin volgt dat hij niet in verzuim verkeerde ten aanzien van zijn leveringsverplichting. Ook blijkt daar niet uit dat niet-nakomen van die verplichting niet voor zijn risico komt, althans hem niet is aan te rekenen. Bestaan en opeisbaarheid van beide vorderingen staan dan ook voldoende vast. Beide vorderingen vormen een voldoende zelfstandige basis voor het faillissementsverzoek.
2.7
Verder is gebleken dat er inmiddels door negen andere crediteuren concurrente vorderingen ter verificatie zijn ingediend voor een totaalbedrag van € 4.240.555,04, terwijl het saldo van de boedelrekening € 0,00 bedraagt. Een gemotiveerde betwisting van het bestaan van die vorderingen ontbreekt; een deel ervan is bovendien gebaseerd op rechterlijke uitspraken. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers en dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat [appellant] met een aantal schuldeisers een betalingsregeling is overeengekomen, maakt – voor zover al juist – dit oordeel niet anders. Uit de eigen stellingen van [appellant] blijkt namelijk al dat in ieder geval niet met
alleschuldeisers een betalingsregeling tot stand is gekomen. Ook is niet gebleken van een dekking voor de faillissementskosten.
2.8
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2025.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, H.J. van Harten en mr. G.B. Plomp en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter, getekend door de oudste raadsheer.