In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 31 oktober 2025 een beslissing genomen op een geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur van de Belastingdienst in verband met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2010, 2011, 2014 tot en met 2016 en 2018. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslagen, de boeten en de rentebeschikkingen, waarop de Inspecteur had gereageerd met een uitspraak op bezwaar. De belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag, die op 10 september 2024 uitspraak deed. De rechtbank verklaarde de beroepen in de meeste zaken ongegrond, maar vernietigde enkele uitspraken op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2018 en de boetebeschikkingen voor de jaren 2010 tot en met 2018.
Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof. De Inspecteur heeft een verzoek om beperkte kennisneming ingediend, waarbij hij zich beroept op geheimhouding van bepaalde stukken op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Hof heeft de geheimhoudingskamer ingeschakeld om dit verzoek te beoordelen. De geheimhoudingskamer heeft vastgesteld dat de privacy van medewerkers van de Belastingdienst en derden zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de stukken. Het Hof heeft daarom besloten dat de geheimhouding gerechtvaardigd is en heeft het verzoek van de Inspecteur volledig toegewezen.
De beslissing is openbaar uitgesproken en partijen zijn op de hoogte gesteld van de uitkomst. De belanghebbende is verzocht om binnen twee weken aan te geven of hij instemt met de beperkte kennisneming, zodat de zetel die de hoofdzaak behandelt, uitspraak kan doen op basis van de geheime stukken.