ECLI:NL:GHDHA:2025:2819

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
BK-24/939 tot en met BK-24/945
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op geheimhoudingsverzoek in belastingzaken met betrekking tot navorderingsaanslagen en boetes

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 31 oktober 2025 een beslissing genomen op een geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur van de Belastingdienst in verband met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2010, 2011, 2014 tot en met 2016 en 2018. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslagen, de boeten en de rentebeschikkingen, waarop de Inspecteur had gereageerd met een uitspraak op bezwaar. De belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag, die op 10 september 2024 uitspraak deed. De rechtbank verklaarde de beroepen in de meeste zaken ongegrond, maar vernietigde enkele uitspraken op bezwaar met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2018 en de boetebeschikkingen voor de jaren 2010 tot en met 2018.

Tegen deze uitspraak heeft de belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof. De Inspecteur heeft een verzoek om beperkte kennisneming ingediend, waarbij hij zich beroept op geheimhouding van bepaalde stukken op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Hof heeft de geheimhoudingskamer ingeschakeld om dit verzoek te beoordelen. De geheimhoudingskamer heeft vastgesteld dat de privacy van medewerkers van de Belastingdienst en derden zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de stukken. Het Hof heeft daarom besloten dat de geheimhouding gerechtvaardigd is en heeft het verzoek van de Inspecteur volledig toegewezen.

De beslissing is openbaar uitgesproken en partijen zijn op de hoogte gesteld van de uitkomst. De belanghebbende is verzocht om binnen twee weken aan te geven of hij instemt met de beperkte kennisneming, zodat de zetel die de hoofdzaak behandelt, uitspraak kan doen op basis van de geheime stukken.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
enkelvoudige geheimhoudingskamer
nummers BK-24/939 tot en met BK-24/945

Beslissing van 31 oktober 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2010, 2011, 2014 tot en met 2016 en 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de navorderingsaanslagen). Bij iedere navorderingsaanslag is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is een boete opgelegd. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag IB/PVV opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft in afzonderlijke geschriften bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen, de aanslag, de boeten en de rentebeschikkingen. Bij in één geschrift vervatte uitspraak op de bezwaarschriften heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen, de aanslag, de boeten en de rentebeschikkingen gehandhaafd (de uitspraken op bezwaar).
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De Rechtbank heeft op 10 september 2024 in de hoofdzaak uitspraak gedaan. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
  • verklaart de beroepen in de zaken met de nummers SGR 23/5061 t/m SGR 23/5065 en SGR 23/5067 ongegrond;
  • verklaart het beroep in de zaak met nummer SGR 23/5066 gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover betrekking hebbende op de aanslag IB/PVV 2018, de rentebeschikking voor het jaar 2018 en de boetebeschikkingen voor de jaren 2010, 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.481 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.050 en vermindert de rentebeschikking 2018 dienovereenkomstig;
  • vermindert de boetebeschikkingen voor de jaren 2010, 2011, 2014, 2015, 2016 en 2018 tot de bedragen genoemd in r.o. 22;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar; en
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 25 september 2025 een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan (het verzoek). De griffier van het Hof heeft de Inspecteur bij bericht van 29 september 2025 erop gewezen dat zijn verzoek niet in behandeling kon worden genomen en hem verzocht het verzoek in gewijzigde vorm in te dienen. Het Hof heeft de stukken op 10 oktober 2025 ontvangen.
1.6.
Belanghebbende is bij bericht van 10 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken op het verzoek van de Inspecteur te reageren en aan te geven of behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling van het verzoek van de Inspecteur. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
1.7.
De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen.

Overwegingen

2.1.
Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, te overleggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken ongeschoond te verstrekken rechtvaardigen.
2.2.
In de stukken waarop het verzoek zich richt zijn namen van medewerkers van de Belastingdienst en van derden weggelakt. De Inspecteur beroept zich op de privacy van deze personen. Het Hof is het met de Inspecteur eens. Het belang dat deze personen hebben bij het niet bekend worden van hun identiteit, weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming daarvan. Hetzelfde geldt voor de weggelakte gegevens en opmerkingen over cases van andere belastingplichtigen, zoals burgerservicenummers, inkomstengegevens en casusbeschrijvingen.
2.3.
De Inspecteur heeft voorts een beroep op beperkte kennisneming gedaan voor de stukken, passages en zinnen die zijn aangeduid met de codes C1, C2 en C3. De Inspecteur beroept zich in zoverre op controlestrategische overwegingen, en specifiek op het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie (C1), het belang van de Belastingdienst bij een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3).
2.4.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept voor de stukken, passages en zinnen die zijn aangeduid met de codes C1, C2 en C3. In deze teksten staan keuzes voor de vervolgstappen in bepaalde scenario’s en de selectiecriteria die bij het maken van die keuzes een rol spelen. Kennis hiervan kan tot gevolg hebben dat betrokken belastingplichtigen hun aangiftegedrag en hun reacties daarop afstemmen om de heffing van belasting te frustreren. Bij de informatie die in de documenten over de interne werkwijze, benodigde capaciteit en planning is opgenomen, heeft belanghebbende in het geheel geen belang. Het Hof zal het verzoek van de Inspecteur daarom volledig toewijzen.
2.5.
Belanghebbende heeft de zetel van het Hof die de hoofdzaak zal behandelen nog geen toestemming gegeven, als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb, om mede op de grondslag van stukken waarvan de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak te doen.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • bepaalt dat de door de Inspecteur verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd is;
  • verzoekt belanghebbende binnen twee weken mee te delen of hij erin toestemt dat de zetel die in de hoofdzaak beslist mede op grondslag van de namen en de stukken, passages en zinnen waarvoor de geheimhoudingskamer heeft beslist dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak zal doen.
Deze beslissing is gedaan door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen A. van Dongen
De beslissing is op 31 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, AWR slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.