ECLI:NL:GHDHA:2025:2812

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
BK-25/152
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geheimhoudingsbeslissing inzake belastingaanslag en verzoek om beperkte kennisneming

In deze zaak heeft de Inspecteur van de Belastingdienst een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd aan belanghebbende voor het jaar 2017. Na een uitspraak op bezwaar van de Inspecteur, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag. De Rechtbank heeft de aanslag vernietigd en de belastingrente verminderd. Belanghebbende heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag. Tijdens de procedure heeft de Inspecteur een geheimhoudingsverzoek ingediend op basis van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor bepaalde stukken, waaronder informatieverzoeken aan de Amerikaanse belastingdienst (IRS). De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft het verzoek om beperkte kennisneming toegewezen, waarbij de privacy van medewerkers van de IRS als gewichtige reden werd aangevoerd. Het Hof heeft de geheimhoudingsbeslissing van de Rechtbank bevestigd, met uitzondering van een specifieke zin die niet geheim gehouden hoeft te worden. De beslissing benadrukt het belang van een eerlijke procesvoering en de noodzaak om persoonsgegevens te beschermen. De geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat de redenen voor geheimhouding zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de stukken. De beslissing is openbaar uitgesproken op 26 november 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
enkelvoudige geheimhoudingskamer
nummer BK-25/152

Beslissing van 26 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: R.J. de Jong)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (de aanslag).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Op 19 februari 2024 heeft de Inspecteur een geheimhoudingsverzoek ingediend met drie bijlagen, waarvan een tweetal (de bijlagen 24 en 25) weggelakte delen bevat. De Inspecteur heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 Awb verzocht om de ongeschoonde delen niet aan belanghebbende over te leggen. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 26 april 2024 het verzoek om beperkte kennisneming toegewezen.
1.5.
De Rechtbank heeft op 13 februari 2025 in de hoofdzaak uitspraak gedaan. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2017 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 141.167 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 31.228.698 en vermindert de berekende belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 778;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 222;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.344,40 (€ 1.294 en € 50,40);
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 176,35;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.”
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 2 oktober 2025 een verzoek om beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan. Hierbij heeft de Inspecteur het verzoek voor de bijlagen 24 en 25 herhaald, en aanvullend een verzoek gedaan voor de nieuwe bijlage 40.
1.7.
Belanghebbende is bij bericht van 6 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld op het verzoek van de Inspecteur te reageren en aan te geven of behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling van het verzoek van de Inspecteur. Belanghebbende heeft bij bericht van 14 november 2025 op het verzoek van de Inspecteur gereageerd en daarbij niet verzocht om een mondelinge behandeling.
1.8.
De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen.

Oordeel van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank

2. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“1. Bij de beoordeling van het 8:29-verzoek heeft als uitgangspunt te gelden dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb aan eiser en aan de rechter dienen te worden overgelegd. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of mede te delen dat uitsluitend de bestuursrechter kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij.
2. Bij het geheimhouden of beperkt kennisnemen van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
3. Het 8:29-verzoek ziet op delen van de volgende stukken:
- bijlage 24: een informatieverzoek met dagtekening 4 oktober 2023 (het informatieverzoek) van de belastingdienst aan de belastingautoriteiten van de Verenigde Staten (Internal Revenue Service, de IRS);
- bijlage 25: de reactie van de IRS op het informatieverzoek met begeleidende brief.
4. De geheimhoudingskamer heeft kennis genomen van de weggelakte passages in de hierboven genoemde stukken. Deze stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van eiser bij kennisneming tegenover de redenen van verweerder om die stukken niet met eiser te delen.
5. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat liet 8:29-verzoek resulteert in schending van artikel 6 van het EVRM, ofwel tot schending van het recht op een eerlijk proces, volgt de geheimhoudingskamer hem daarin niet. Artikel 6 van het EVRM bevat minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar deze normen zijn niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast. Het eerste lid van artikel 8:29 van de Awb betreffende het achterhouden of geheim houden van inlichtingen of stukken, houdt een beperking in van het beginsel van de openbaarheid en dat van de “equality of arms”. Het artikel bepaalt evenwel, dat deze beperking slechts om “gewichtige redenen” kan worden aangebracht, terwijl het derde lid de toetsing daarvan aan de rechter opdraagt. Acht de rechter de beperking gerechtvaardigd, dan is ingevolge artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de beperkingsmogelijkheid op deze wijze met zodanige waarborgen is omkleed, dat het recht op een eerlijke procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt.
6. De geheimhoudingskamer acht niet aannemelijk dat reeds ingevolge de Wet open overheid (Woo) de verplichting bestaat om de inhoud van de weggelakte delen van bijlage 24 en 25 te verstrekken. De enkele omstandigheid dat de in artikel 5.1, tweede lid onder d. van de Woo opgenomen uitzondering niet ziet op buitenslandse organen is daartoe onvoldoende.
Persoonsgegevens medewerkers IRS
7. In het informatieverzoek en de begeleidende brief bij de reactie van de IRS zijn namen en contactgegevens van medewerkers van de IRS weggelakt. Verweerder beroept zich op de privacy van deze personen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming rechtvaardigt. De geheimhoudingskamer acht het belang van de privacy van genoemde personen groter dan het belang dat eiser heeft bij kennisname van de namen en contactgegevens. Daarbij weegt de geheimhoudingskamer mee dat het verzoek en de reactie daarop ook zonder kennisname van namen en contactgegevens zijn te volgen. De geheimhoudingskamers wijst het 8:29 verzoek toe voor zover het ziet op het informatieverzoek en de begeleidende brief bij de reactie op het informatieverzoek.
Eerste alinea van het antwoord op vraag 2 uit het informatieverzoek
9. Vraag 2 uit het informatieverzoek luidt: “Is [naam eiser] known to the IRS as a US tax resident? In bijlage 25 is de eerste alinea van het door de IRS gegeven antwoord op deze vraag weggelakt. Verweerder beroept zich op het onderzoeksbelang van de Verenigde Staten.
10. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is daarmee sprake van een gewichtige reden die beperkte kennisneming rechtvaardigt. De weggelakte alinea bevat informatie over de werkwijze van de IRS en het inzicht dat de IRS heeft. De geheimhoudingskamer acht het controlestrategische belang dat ermee is gediend om de weggelakte informatie niet met eiser te delen groter dan het belang dat eiser heeft bij kennisname. Daarbij weegt de geheimhoudingskamer mee dat de weggelakte alinea geen andere bevindingen bevat dan de daarop volgende alinea’s en dat van die alinea’s niets is weggelakt. De geheimhoudingskamer wijst het 8:29-verzoek toe voor zover het betrekking heeft op de eerste alinea van het antwoord op vraag 2 uit het informatieverzoek.
Beoordeling
11. Zoals hiervoor is overwogen wijst de geheimhoudingskamer het 8:29-verzoek toe. Eiser wordt niet nader in de gelegenheid gesteld om toestemming te geven voor beperkte kennisneming. Eiser heeft in zijn reactie van 4 maart 2024 namelijk reeds medegedeeld dat hij bij toewijzing van het 8:29-verzoek geen toestemming verleent voor beperkte kennisneming van de weggelakte delen. De geheimhoudingskamer zal de ongeschoonde versies van de bijlagen 24 en 25 aan verweerder retour sturen zonder dan de behandeld(e) rechter(s) van deze stukken kennis kan/kunnen nemen.”

Overwegingen

3.1.
Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, te overleggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming enkel toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken ongeschoond te verstrekken rechtvaardigen.
3.2.
In hoger beroep heeft de Inspecteur het bij de Rechtbank ingediende verzoek voor de bijlagen 24 en 25 herhaald en daarnaast een nieuw verzoek ingediend voor bijlage 40. In alle bijlagen zijn namen, adres- en contactgegevens alsmede handtekeningen weggelakt van medewerkers van de IRS, de Amerikaanse belastingdienst. De Inspecteur beroept zich op de privacy van deze personen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het hem niet duidelijk is hoe de bekendmaking van de gegevens de privacy van deze personen kan schaden. Deze ambtenaren zijn vanuit hun publieke functie betrokken en zij opereren in het algemeen belang, als vertegenwoordiger van de overheid. Het Hof sluit zich op dit punt aan bij de geheimhoudingskamer van de Rechtbank. Het belang dat deze personen hebben bij het niet bekend worden van hun identiteit, weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming daarvan. Voor een goed begrip van de inhoud en de bewijskracht van de stukken is bekendmaking van de weggelakte gegevens niet nodig. Het weglakken roept ook geen twijfels op aan de authenticiteit van de stukken. Dat de desbetreffende personen een publieke taak en/of functie hebben, betekent niet dat zij geen recht op privacy zouden hebben. Verspreiding van persoonsgegevens zonder redelijk doel maakt een onevenredige inbreuk op de levenssfeer van iedere persoon. Aangezien de stukken zonder deze gegevens voor de onderhavige procedure even bruikbaar zijn als met, slaat de balans door naar de bescherming van de privacy van de betrokken ambtenaren.
3.3.
De Inspecteur heeft voorts een beroep op beperkte kennisneming gedaan voor de eerste alinea van het antwoord op de tweede vraag in bijlage 25. Het Hof beschouwt de eerste twee zinnen van deze alinea als een beschrijving van de organisatie van de IRS. In deze zinnen staat geen informatie die van belang is voor de beslechting van het geschil, zodat het door de Inspecteur gestelde belang van de IRS zwaarder weegt. Dit geldt echter niet voor de conclusie die wordt getrokken in de derde en laatste zin van deze alinea. Deze conclusie is de samenvatting van de antwoorden op de overige vragen. Het Hof ziet niet in wat, getoetst aan de beginselen van behoorlijke rechtspleging en de van de Inspecteur te verwachten neutrale en ambtelijke houding, het belang van de Inspecteur kan zijn bij het geheimhouden van deze conclusie.
3.4.
In bijlage 40 is, behalve de persoonsgegevens van Amerikaanse ambtenaren, ook een zin onleesbaar gemaakt op pagina 5. Het Hof kan zich voorstellen dat de Inspecteur deze zin vanuit strategisch oogpunt niet aan belanghebbende bekend wil maken en wijst het verzoek ook voor deze zin toe. Het Hof wijst de Inspecteur met nadruk op de verplichting die is neergelegd in artikel 8:42 Awb. Informatie die de Inspecteur verkrijgt en die van belang kan zijn voor de beslechting van de onderhavige procedure, moet met belanghebbende worden gedeeld, voor zover de Inspecteur geen geslaagd beroep op artikel 8:29 Awb heeft gedaan.
3.5.
Het Hof wijst het verzoek van de Inspecteur grotendeels toe. Het verzoek wordt afgewezen voor zover het betrekking heeft op de derde zin in de eerste alinea van het antwoord op de tweede vraag in bijlage 25.
3.6.
Belanghebbende heeft in zijn reactie van 14 november 2025 de zetel van het Hof die de hoofdzaak zal behandelen nog geen toestemming gegeven om mede op de grondslag van stukken waarvan de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, uitspraak te doen, als bedoeld in artikel 8:29, lid 5, Awb.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • bepaalt dat de door de Inspecteur verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd is, met uitzondering van de derde zin in de eerste alinea van het antwoord op de tweede vraag in bijlage 25;
  • verzoekt de Inspecteur binnen twee weken mee te delen welke gevolgen hij aan deze beslissing verbindt;
  • verzoekt belanghebbende binnen twee weken mee te delen of hij erin toestemt dat de zetel die in de hoofdzaak beslist mede op grondslag van de namen, adresgegevens, contactgegevens en de delen waarvoor de geheimhoudingskamer heeft beslist dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is (twee zinnen in bijlage 25 en één zin in bijlage 40), uitspraak zal doen.
Deze beslissing is gedaan door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd A. van Dongen
De beslissing is op 26 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, AWR slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.