[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1989,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Rotterdam
opzettelijk
brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] door een brandende sigaret in aanraking te brengen met motorbenzine, zijnde een brandbare vloeistof, die hij op de voordeur van de woning had gegoten/gegooid,
ten gevolge waarvan brand is ontstaan in genoemde woning (waarbij (een) goed(eren) in genoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor genoemde woning en/of omliggende woningen, in elk geval
gemeen gevaar voor goederen in genoemde woning en/of omliggende woningen
en/of
- levensgevaar voor de bewoner(s) van die woning, zijnde [slachtoffer 1] en/of (haar kinderen zijnde) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]
2.
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk en
met voorbedachten rade van het leven te beroven,
opzettelijk brand heeft gesticht in [slachtoffer 1] haar woning aan de [adres] terwijl [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zich op dat moment in de woning bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk
van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in [slachtoffer 1] haar woning aan de [adres] terwijl [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zich op dat moment in de woning bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij in of omstreeks de periode van 29 juni tot en met 30 juni 2023 te Rotterdam (meermalen) (telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met
brandstichting, door die [slachtoffer 1] (meermalen) dreigend de woorden toe te voegen
- " Vandaag verbrand ik jouw huis (steek ik jouw huis in brand)" en/of
- " Vandaag verlies jij jouw huis" en/of
- " Vandaag neem ik je te grazen" en/of
- " Raak je alles kwijt" en/of
- " Je gaat zien wat ik met jou ga doen, jij blijft de lul (de klootzak)" en/of
- " Zie je, ik ben voor jouw deur. Als ik zo dadelijk voor een tweede keer kom, dan kom ik alles hiervoor exploderen. Als ik zo dadelijk terugkom, [slachtoffer 1] . verbrand ik jouw huis. Beter ga je nu komen! Voordat ik heel jouw huis in brand steek" en/of
- " Jij wilt grappen maken ik maak jou dood"
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest, en dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks30 juni 2023 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] door een brandende sigaret in aanraking te brengen met motorbenzine, zijnde een brandbare vloeistof, die hij op de voordeur van de woning had gegoten/gegooid, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in genoemde woning (waarbij
(een)goed
(eren
)in genoemde woning geheel of gedeeltelijk
is/zijn verbrand), terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor genoemde woning en
/ofomliggende woningen
, in elk geval gemeen gevaar voor goederen in genoemde woning en/of omliggende woningen
- levensgevaar voor de bewoner
(s
)van die woning, zijnde [slachtoffer 1] en
/of (haar kinderen zijnde
)[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] en
/of[slachtoffer 5] te duchten was;
hij op
of omstreeks30 juni 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] en
/of[slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in [slachtoffer 1] haar woning aan de [adres] terwijl [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] en
/of[slachtoffer 5] zich op dat moment in de woning bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 29 juni tot en met 30 juni 2023 te Rotterdam
(meermalen
) (telkens)[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandelingen
/ofmet brandstichting, door die [slachtoffer 1]
(meermalen)dreigend de woorden toe te voegen
- " Vandaag verbrand ik jouw huis (steek ik jouw huis in brand)" en
/of
- " Vandaag verlies jij jouw huis" en
/of
- " Vandaag neem ik je te grazen" en
/of
- " Raak je alles kwijt" en
/of
- " Je gaat zien wat ik met jou ga doen, jij blijft de lul (de klootzak)" en
/of
- " Zie je, ik ben voor jouw deur. Als ik zo dadelijk voor een tweede keer kom, dan kom ik alles hiervoor exploderen. Als ik zo dadelijk terugkom, [slachtoffer 1]
,verbrand ik jouw huis. Beter ga je nu komen! Voordat ik heel jouw huis in brand steek" en
/of
- " Jij wilt grappen maken ik maak jou dood"
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging feit 2
In de nacht van 30 juni 2023, tussen 05.00 en 06.00 uur, heeft er een hevige brand gewoed in de woning van de aangeefster [slachtoffer 1] aan de [adres] te Rotterdam. Op het moment van de brand waren er vijf personen in de woning aanwezig: de aangeefster en haar vier kinderen. Twee kinderen is het gelukt om uit de woning te vluchten. Een ander kind is door de brandweer uit zijn slaapkamer aan de voorzijde van het huis gered. De aangeefster en haar jongste zoon zijn in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning ingesloten geraakt door het vuur. Zij hebben beiden ernstige brandwonden opgelopen en zijn ternauwernood door de brandweer met een ladder uit de woning gered.
Brandonderzoek heeft uitgewezen dat de brand is ontstaan door brandstichting, waarbij gebruik is gemaakt van motorbenzine, die over de voorzijde van de voordeur en/of door de brievenbus was gegoten. Door de brand is ook grote schade aan de woning ontstaan.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij heel boos was en dat hij in zijn woede de voordeur van de woning van de aangeefster in brand heeft gestoken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij benzine had meegenomen naar het huis van de aangeefster om daar brand te stichten, dat hij voordat hij de brand aanstak ongeveer een uur rond het huis van de aangeefster heeft rondgelopen, dat hij toen uit de schuur van de aangeefster nog spiritus heeft gepakt en dat hij vervolgens de benzine samen met de spiritus in een bekertje heeft gedaan en dat mengsel samen met een brandende sigaret tegen de voordeur van de aangeefster heeft gegooid.
De verdachte heeft op 29 en 30 juni 2023 via Whatsapp tekst- en spraakberichten naar de aangeefster verstuurd. Op 29 juni 2023, om 16:55 uur, stuurt de verdachte naar de aangeefster “Vandaag verbrand ik jouw huis (steek ik jouw huis in brand)”. Om 16:56 uur stuurt de verdachte “Vandaag verlies jij jouw huis”. Verder stuurt de verdachte “Vandaag ben je verneukt (vandaag neem ik je te grazen)” en “Raak je alles kwijt”. Om 19:23 uur stuurt de verdachte “Zie je, ik ben voor jouw deur. Als ik zo dadelijk voor een tweede keer kom, dan kom ik alles hiervoor exploderen (..) Als ik zo dadelijk terugkom, [slachtoffer 1] , verbrand ik jouw huis. Beter ga je nu komen! Voordat ik heel jouw huis in brand steek.”
Tussen 19:28 uur en 05:45 uur stuurt de verdachte onder meer nog de volgende berichten naar de aangeefster:
19:28 ik zag [naam] iedereen
19:28 begin te komen
19:28 ik ben bij park
19:35 ik meen dit echt
19:35 ik ga dit niet pikken
19:35 kom gewoon naar buiten [slachtoffer 1]
19:41 ga niet liegen
23:50 ik ben bij hertenkamp
23:50 begin hier naar toe te komen
00:09 [slachtoffer 1] , kom nu naar buiten
00:09 ik heb je al gezien binnen
05:45 Zogenaamd vakantie in je ass
De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of de verdachte opzet had op de dood van de aangeefster en haar kinderen.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood van de aangeefster en haar kinderen – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Hiervoor is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dacht dat aangeefster en haar kinderen op het moment van de brandstichting niet in de woning aanwezig waren, maar dat zij op vakantie waren. Die verklaring schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. Uit de berichten die de verdachte naar de aangeefster heeft verstuurd voorafgaand aan en na de brandstichting komt niet het beeld naar voren dat de verdachte dacht dat aangeefster en haar kinderen
nietin de woning waren. Integendeel, uit die berichten leidt het hof af dat de verdachte er terdege rekening mee hield dat de aangeefster wél thuis was. Kort na middernacht schrijft de verdachte haar immers dat zij naar buiten moet komen en dat hij haar heeft gezien. De verdachte heeft verklaard dat dit ‘bluf’ was en dat hij toen niet bij de woning aanwezig was, maar dat acht het hof onaannemelijk. Niet valt immers in te zien waarom de verdachte de aangeefster maant naar buiten te komen, als hij op dat moment zelf niet in de buurt is. Ook heeft de verdachte de aangeefster eerder die avond geschreven dat zij niet moet liegen en na de brandstichting heeft hij het over een ‘zogenaamde’ vakantie, wat er eveneens op duidt dat de verdachte niet geloofde dat de aangeefster op vakantie was. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de vier kinderen van de aangeefster bij haar woonden. Nu de verdachte er kennelijk rekening mee hield dat de aangeefster thuis was en niet op vakantie, geldt datzelfde voor haar kinderen, zeker gelet op het nachtelijke tijdstip.
Bij een dergelijke wijze van brandstichten, met motorbenzine en spiritus bij de voordeur van een woning, bestaat naar algemene ervaringsregels een reële, niet onwaarschijnlijke kans dat de brandstichting leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Het is immers algemeen bekend dat bij een brand vuur en rook zich razendsnel, onvoorspelbaar en vaak oncontroleerbaar kunnen uitbreiden. Door als brandhaard de voordeur te kiezen, wordt bovendien een potentiële vluchtroute afgesloten.
Nu dit van algemene bekendheid is, moet de verdachte dit ook hebben geweten. Door desondanks brand te steken, terwijl de verdachte er rekening mee hield dat de bewoners thuis waren en op een tijdstip waarop het voor de hand lag dat de bewoners lagen te slapen, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan die aanmerkelijke kans. De gedragingen van de verdachte moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan de bewoners van de woning, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan het hof niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Zoals blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten, heeft de verdachte al in de (voor)avond van 29 juni 2023 herhaaldelijk gewag gemaakt van het in brand steken van de woning van de aangeefster. De verdachte is vervolgens - met een fles benzine - naar de woning van de aangeefster gereden, alwaar hij nog ongeveer een uur voor de brandstichting heeft rondgelopen. In de schuur van de aangeefster heeft hij nog spiritus gepakt en uiteindelijk heeft hij met een mengsel van spiritus en benzine brand gesticht. Deze gang van zaken duidt naar het oordeel van het hof niet op handelen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Integendeel, uit deze gang van zaken leidt het hof af dat de verdachte zich op meerdere momenten heeft kunnen beraden op het door hem genomen besluit om brand te stichten, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan algemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op: