ECLI:NL:GHDHA:2025:2594

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
BK-24/993
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aftrek specifieke zorgkosten door belastingplichtige met een licht verstandelijke beperking

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een belastingplichtige met een licht verstandelijke beperking tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De belastingplichtige had in zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2020 specifieke zorgkosten opgevoerd ter hoogte van € 2.909. De Inspecteur van de Belastingdienst heeft deze kosten niet geaccepteerd, omdat de belastingplichtige niet voldoende bewijs had geleverd om de kosten aannemelijk te maken. De Rechtbank heeft het beroep van de belastingplichtige ongegrond verklaard, waarbij werd opgemerkt dat de belastingplichtige, ondanks zijn handicap, de verplichting heeft om bewijs te leveren voor de door hem opgevoerde zorgkosten. In hoger beroep heeft de belastingplichtige gesteld dat de bewijsmaatstaven die aan hem zijn opgelegd, leiden tot indirecte discriminatie en in strijd zijn met het VN-verdrag Handicap. Het Gerechtshof heeft geoordeeld dat de belastingplichtige niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast en dat er geen sprake is van discriminatie. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/993

Uitspraak van 18 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 oktober 2024, nummer SGR 23/7638.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.026 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 65 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 12 augustus 2025. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen en hebben niet om uitstel van de zitting gevraagd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. De Inspecteur heeft ter zitting toegezegd met de gemachtigde van belanghebbende in contact te treden om binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende te bezien of tot een akkoord gekomen kan worden over hetgeen partijen verdeeld houdt. Het Hof heeft naar aanleiding van deze toezegging het onderzoek ter zitting geschorst en de Inspecteur een termijn van acht weken gegeven om met de gemachtigde van belanghebbende in contact te treden om te bezien of onderling tot een akkoord kan worden gekomen.
1.6.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 14 augustus 2025 aan partijen is verzonden.
1.7.
De Inspecteur heeft het Hof op 21 augustus 2025 bericht over de uitkomst van zijn contact met de gemachtigde van belanghebbende.
1.8.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 26 augustus 2025 een nader stuk ingediend.
1.9.
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. Zowel de Inspecteur als de gemachtigde van belanghebbende hebben het Hof telefonisch medegedeeld af te zien van een nadere zitting.
1.10.
Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft een licht verstandelijke beperking. Belanghebbende heeft geen bewindvoerder.
2.2.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.271.
2.3.
Voor het jaar 2020 heeft belanghebbende in zijn aangifte IB/PVV een bedrag van
€ 2.909 aan specifieke zorgkosten aangegeven. De specifieke zorgkosten zijn in de aangifte als volgt gespecificeerd:
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit € 1.150
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed € 850
Reiskosten ziekenbezoek
€ 375
Totaal voor verhoging € 2.375
Verhoging specifieke zorgkosten
€ 800
Totaal specifieke zorgkosten € 3.175
Drempel €
266
Totaal aftrekbare specifieke zorgkosten € 2.909
2.4.
De Inspecteur heeft met dagtekening 7 oktober 2022 een vragenbrief aan belanghebbende gestuurd. Naar aanleiding van de vragenbrief heeft tussen belanghebbende en de Inspecteur e-mailcorrespondentie plaatsgevonden.
2.5.
Bij brief van 15 november 2022 heeft de Inspecteur aangekondigd af te wijken van de aangifte IB/PVV 2020 van belanghebbende. In de brief is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:
“(…)

Persoonsgebonden aftrek

Algemeen:
In 2020 zijn er met u afspraken gemaakt in een persoonlijk gesprek met collega [naam] van kantoor [plaats]. Deze afspraken zijn vastgelegd in een brief de datum 13 maart 2020. Hierin is onder meer vastgelegd dat u vanaf kalenderjaar 2019 alle kosten aannemelijk zult maken, al dan niet met hulp van anderen. Deze brief is ondertekend retour gestuurd en daarmee bent u akkoord gegaan met deze afspraak.
Specifieke zorgkosten: vervoerskosten
In de aangifte is als specifieke zorgkosten een bedrag meegeteld van € 1.150. Voor deze uitgaven mag u de werkelijke reiskosten meetellen. U hebt de hoogte van deze reiskosten niet aannemelijk gemaakt. Ik kan daarom ook niet bepalen of u voor aftrek hiervan in aanmerking komt. Dit betekent dat het meegetelde bedrag voor uitgaven voor vervoer € 1.150 te hoog is.
Specifieke zorgkosten: kleding en beddengoed
In de aangifte is als specifieke zorgkosten een bedrag meegeteld van € 850 voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed. Voor deze uitgaven mag u een vast bedrag als specifieke zorgkosten meetellen van € 300. Als u kunt aantonen dat de extra uitgaven hoger waren dan € 600, mag u een vast bedrag van € 750 meetellen. In uw reactie hebt u echter niet aangetoond dat de extra uitgaven hoger waren dan € 600. Daarom mag u alleen het vaste bedrag van € 300 meetellen. Dit betekent dat het meegetelde bedrag voor extra uitgaven voor
kleding en beddengoed € 550 te hoog is.
Specifieke zorgkosten: reiskosten ziekenbezoek
In de aangifte hebt u als specifieke zorgkosten een bedrag meegeteld van € 375 voor reiskosten voor ziekenbezoek. Deze reiskosten mag u alleen meetellen als u aan de volgende voorwaarden voldoet:
- U en de zieke voerden bij het begin van de ziekte een gezamenlijke huishouding.
- U en uw fiscale partner bezochten in 2020 de zieke regelmatig.
- De zieke werd langer dan een maand verpleegd.
- De enkelereisafstand tussen uw woning of verblijfplaats en de plaats waar de
verpleging plaatsvond was meer dan tien kilometer.
- Als u per taxi of met het openbaar vervoer reisde: u beschikt over de taxibonnen
of de vervoersbewijzen van de gemaakte reizen.
Ik heb van u geen informatie ontvangen over deze reiskosten. Hierdoor kan ik niet
beoordelen of u voor aftrek hiervan in aanmerking komt. Dit betekent dat het
meegetelde bedrag voor reiskosten voor € 375 te hoog is.
(…)”
2.6.
De Inspecteur heeft met dagtekening 23 december 2022 de aanslag opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur een bedrag van € 300 aan kosten voor extra kleding en beddengoed als specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Het resterende bedrag na aftrek van de drempel bedraagt € 154.
2.7.
Na schorsing van het onderzoek ter zitting van het Hof van 12 augustus 2025 heeft de Inspecteur op 13 augustus 2025 een e-mail aan de gemachtigde van belanghebbende gestuurd waarin, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende is vermeld:
“(…)
Op 12 augustus 2025 heeft de zitting plaatsgevonden in het hoger beroep van uw zoon tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020. Mijn collega de heer […] en ik waren aanwezig namens de inspecteur. Bij het voorbereiden van de zitting heb ik mij gerealiseerd dat wij al eerder contact hadden met elkaar. Op dat moment was ik werkzaam als klachtbehandelaar, inmiddels ben ik inhoudelijk betrokken bij procedures voor Rechtbank en Gerechtshof. De procedures waar ik bij betrokken ben, beperken zich niet slechts tot zaken uit mijn eigen team. Tijdens de zitting hebben we het dossier van uw zoon besproken met de raadsheren van het gerechtshof. Ter zitting zijn we tot de conclusie gekomen dat in de behandeling van aangifte en bezwaar er geen ruimte is gevonden om meer informatie te delen over de aard en de omvang van de in aftrek gebrachte kosten. Wij gaan graag met u in gesprek om samen met u te inventariseren welke kosten voor vervoer door uw zoon in 2020 zijn gemaakt. Wellicht kunnen we daarin een aanknopingspunt vinden om de (fiscaal-juridisch noodzakelijke) aannemelijkheid van de kosten vast te stellen, anders dan door het verstrekken van bonnen.
(…)”
2.8.
Belanghebbende heeft op 17 augustus 2025 als volgt gereageerd op het onder 2.7 vermelde bericht:
“(…)
Hierdoor bevestig ik de ontvangst van uw e-mail van hierna d.d. 13 augustus 2025.
Tevens heb ik kennisgenomen van de brief van de griffier, de heer […] , d.d. 14 augustus 2025, alsmede van het proces-verbaal van de zitting bij het Gerechtshof Den Haag op 12 augustus 2025.
De voorzitter van het Gerechtshof heeft terecht opgemerkt dat voor de aftrek van specifieke zorgkosten het wettelijke vereiste geldt dat deze “aannemelijk” moeten worden gemaakt.
Uit meerdere openbare bronnen blijkt dat “iets aannemelijk maken” inhoudt dat men voldoende omstandigheden, aanwijzingen of argumenten aandraagt die het waarschijnlijk maken dat “iets” waar is. Het hoeft geen onomstotelijk bewijs te zijn, zoals bij een strikte juridische bewijslast, maar voldoende om en ander persoon redelijkerwijs te overtuigen van de geloofwaardigheid.
Indien u het dossier van [belanghebbende] zorgvuldig doorneemt, treft u daarin ondermeer vertrouwelijke medische informatie aan, waaronder een verslag van de psycholoog, de psychiater en informatie over zijn psychoses en medicatie (zoals Risperdal). Mijn e-mail met bijlagen van 20 april 2024 aan uw collega […] biedt u daartoe meer dan voldoende overtuiging. Wanneer ik als vader van [belanghebbende] aangeef dat [belanghebbende] de opgevoerde kosten, zoals reiskosten, daadwerkelijk heeft gemaakt, kunt u dat als geloofwaardig en aannemelijk
beschouwen.
Dit geldt niet alleen voor het jaar 2020, maar eveneens voor de voorgaande en opvolgende jaren. Bonnetjes of losse aantekeningen zijn er niet, maar de feiten en omstandigheden maken de noodzaak en realiteit van deze kosten voldoende aannemelijk.
Tevens wijs ik erop dat zowel de Belastingdienst als de Rechtspraak erkennen dat verstandelijk gehandicapten vaak structureel met extra kosten worden geconfronteerd, zoals:
* extra wasbeurten van kleding en beddengoed;
* meerkosten voor kleding en beddengoed wegens vervuiling en gebrekkige persoonlijke verzorging;
* noodzakelijke hulpmiddelen voor bereikbaarheid, zoals een mobiele telefoon en de bijbehorende gebruikskosten.
Ook voor het aankopen van extra / ander kleding en beddengoed is het maken van reiskosten noodzakelijk.
Het merendeel van deze extra kosten zijn niet in de aangifte van 2020, de voorgaande en opvolgende jaren opgevoerd.
Zoals ik reeds in eerdere berichten heb aangegeven: “Uit een wasmachine komen geen bonnetjes”. Ook geen “kladjes”.
De noodzaak en het structurele karakter van ook deze kosten acht ik hiermee meer dan voldoende aannemelijk gemaakt.
Uw uitnodiging voor een gesprek, bijvoorbeeld bij de Belastingdienst in [plaats] of [plaats] , waardeer ik op zichzelf.
Echter, aangezien ik niets kan toevoegen aan hetgeen reeds aannemelijk is gemaakt, zou zo’n gesprek niet zinvol zijn en slechts tijd kosten voor alle betrokkenen.
Ik zou in 5 minuten weer buiten staan.
Indien u mijn weergaven en onderbouwingen vertrouwt en de aangifte Inkomstenbelasting over 2020 en de daaropvolgende jaren volgt, kan dit dossier worden afgerond en wordt verdere tijd- en geldverspilling voorkomen. "Goed vertrouwen is het halve werk.
(…)"

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“3. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de last rust aannemelijk te maken dat recht op de door hem gevraagde aftrek voor specifieke zorgkosten ten bedrage van in totaal € 2.909 bestaat. De wet maakt hierop geen uitzondering voor mensen met een (verstandelijke) handicap. Dit betekent dat eiser, ondanks zijn handicap en de moeilijkheden die dit met zich meebrengt, met bewijs moet komen waaruit blijkt dat hij recht heeft op aftrek van door hem gemaakte specifieke zorgkosten. Dit heeft eiser niet gedaan, waardoor eiser geen recht heeft op de door hem gevraagde aftrek van € 2.909.
4. De rechtbank merkt nog op dat eiser, al dan niet via zijn vader, er ook van op de hoogte was dat hij, ondanks zijn handicap, bewijs/bonnetjes moest bewaren om in aanmerking te kunnen komen voor de aftrek specifieke zorgkosten. Uit een door verweerder overgelegde brief van 13 maart 2020 blijkt dat er op 11 maart 2020 een gesprek is geweest met de vader van eiser en de belastingdienst. Er is toen overeengekomen dat voor de jaren 2016 tot en met 2018 een deel van de zorgkosten in aftrek zou worden toegelaten onder de voorwaarde dat eiser, al dan niet met hulp van zijn vader, vanaf 2019 alle zorgkosten aannemelijk zou maken. Dit compromis is op 14 maart 2020 ondertekend door de vader van eiser. Het had dan op de weg van de vader van eiser gelegen om zijn zoon te helpen met het bewaren van de bewijsstukken. Hij wist immers dat eiser door zijn verstandelijke handicap niet in staat was om zonder hulp bonnetjes te bewaren. Dat de vader, naar hij stelt, na 14 maart 2020 heeft gebeld met een medewerker van de belastingdienst en daarbij heeft aangegeven het niet eens te zijn met de gemaakte afspraken, doet daaraan niet af. Nog daargelaten dat de vader hiervoor geen bewijs heeft overgelegd, volgt daaruit niet dat eiser geen bewijs hoeft te leveren van de door hem gestelde specifieke zorgkosten in de jaren na 2019.
5. Eiser heeft ook geklaagd over de begrijpelijkheid van de brieven van verweerder. De rechtbank is van oordeel dat de brieven van verweerder voldoende duidelijk en begrijpelijk zijn. De plicht voor overheidsorganisaties om begrijpelijke taal te gebruiken, gaat niet zover dat de brieven ook begrijpelijk moeten zijn voor mensen met een beperkt verstandelijk vermogen. Voor zover eiser bedoelt te stellen dat het beroep gegrond moet worden verklaard omdat de brieven van verweerder voor hem niet duidelijk zijn, volgt de rechtbank hem daarin niet.
6. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente te hoog is vastgesteld.
7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.
(…)”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten van
€ 2.909. Voorts is in geschil of belanghebbende wordt gediscrimineerd en of de Inspecteur het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN-verdrag Handicap) heeft geschonden.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag overeenkomstig de aangifte.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Aftrek specifieke zorgkosten
5.1.
Om kosten als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking te kunnen nemen moet worden voldaan aan wettelijke vereisten. Zo vereist artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) dat uitgaven voor specifieke zorgkosten op belanghebbende hebben gedrukt. Verder kunnen alleen de uitgaven in aanmerking worden genomen die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 Wet IB 2001 en niet uitgesloten zijn in artikel 6.18 Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en ook verder aan alle daarin gestelde wettelijke voorwaarden is voldaan. Daarbij geldt dat op belanghebbende in het algemeen de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat hij terecht de uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek heeft gebracht.
5.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd belanghebbendes uitgaven die in het jaar 2020 zijn gedaan voor vervoer van en naar een arts of ziekenhuis wegens ziekte of invaliditeit als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onderdeel b, Wet IB 2001 niet aannemelijk gemaakt. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, met de enkele verklaring van zijn gemachtigde dat de betreffende kosten zijn gemaakt, niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Hetzelfde geldt voor de aftrek voor reiskosten wegens ziekenbezoek als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onderdeel i, Wet IB 2001. Voor de aftrek van uitgaven voor extra kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17, lid 1, onderdeel h, Wet IB 2001 boven een bedrag van € 600 geldt de verzwaarde bewijslast van ‘doen blijken’ (artikel 38 Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001), waaraan belanghebbende evenmin heeft voldaan.
5.3.
De Inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende zijn – nadat het Hof de behandeling ter zitting heeft geschorst – niet tot overeenstemming gekomen over de wijze waarop de specifieke zorgkosten aannemelijk gemaakt kunnen worden zodat ten tijde van het sluiten van het onderzoek de gemachtigde van belanghebbende niet heeft voldaan aan de op belanghebbende rustende bewijslast. De Inspecteur heeft de aftrek van specifieke zorgkosten dan ook terecht beperkt.
(Indirecte) discriminatie, schending VN-verdrag Handicap
5.4.
De gemachtigde van belanghebbende stelt dat de brieven van de Inspecteur voor belanghebbende onbegrijpelijk zijn, gezien zijn licht verstandelijke beperking. De gemachtigde van belanghebbende stelt dat daarmee sprake is van (indirecte) discriminatie omdat de groep van verstandelijk gehandicapte belastingplichtigen wordt achtergesteld puur en alleen vanwege hun persoonlijke omstandigheden. Tevens is volgens de gemachtigde van belanghebbende sprake van schending van het VN-verdrag Handicap.
5.5.
Het verbod tot discriminatoir handelen komt in het fiscale recht tot uiting in het gelijkheidsbeginsel. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is sprake als gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. Van belanghebbende wordt bewijs naar de maatstaf van ‘aannemelijk maken’ gevraagd ter onderbouwing van de door hem in zijn aangifte opgevoerde specifieke zorgkosten. Voor uitgaven voor extra kleding en beddengoed geldt een verzwaarde bewijslast van ‘doen blijken’. Deze maatstaven worden voor alle belastingplichtigen gehanteerd. De gemachtigde van belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan aannemelijk geoordeeld kan worden dat hiervan bij andere belastingplichtigen, bijvoorbeeld bij belastingplichtigen met een licht verstandelijke beperking zoals belanghebbende, wordt afgeweken. Van ongelijke behandeling is in die zin geen sprake.
5.6.
De gemachtigde van belanghebbende stelt echter (tevens) dat sprake is van indirecte discriminatie. Het Hof begrijpt deze stelling aldus dat de gemachtigde van belanghebbende van mening is dat de toepassing van bewijsmaatstaven die gelden voor belastingplichtigen zonder een verstandelijke beperking op belastingplichtigen met een verstandelijke beperking, zoals belanghebbende, leidt tot (indirecte) discriminatie. Het Hof gaat hierin niet mee.
5.7.
Het is niet uitgesloten dat toepassing van de bewijsmaatstaven ‘aannemelijk maken’ en ‘doen blijken’(uitgaven voor extra kleding en beddengoed) onder omstandigheden kunnen leiden tot (indirecte) discriminatie. Deze bewijsmaatstaven zijn echter geen objectieve standaarden waaraan ongeacht de persoonlijke omstandigheden van het geval invulling dient te worden gegeven. In deze bewijsmaatstaven zit in beginsel voldoende ruimte om rekening te houden met persoonlijke omstandigheden, waaronder de aanwezigheid van een licht verstandelijke beperking, zoals bij belanghebbende het geval is.
5.8.
Het Hof stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende op 14 maart 2020 een compromis heeft ondertekend over de aftrek van specifieke zorgkosten van belanghebbende in de jaren 2016, 2017 en 2018 (zie 2.5). Onderdeel van het compromis is dat vanaf het kalenderjaar 2019 alle kosten door belanghebbende, al dan niet met hulp van de gemachtigde van belanghebbende, aannemelijk gemaakt zullen worden. De gemachtigde van belanghebbende was er dus in ieder geval vanaf 13 maart 2020 van op de hoogte dat de specifieke zorgkosten voor het kalenderjaar 2020 door belanghebbende aannemelijk gemaakt moesten worden. Daarbij merkt het Hof op dat in het compromis geen melding gemaakt wordt van de verzwaarde bewijslast voor extra uitgaven voor kleding en beddengoed, zodat het Hof ervan uitgaat dat op basis van het compromis voor alle specifieke zorgkosten de bewijsmaatstaf ‘aannemelijk maken’ geldt. Desalniettemin heeft belanghebbende voor het jaar 2020 in zijn aangifte IB/PVV aftrek voor specifieke zorgkosten opgevoerd zonder daarvoor een begin van bewijs te hebben, ook niet voor zover die kosten zien op de periode na 13 maart 2020. Gelet op de licht verstandelijke beperking van belanghebbende en gelet op het feit dat de gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat de uitgaven naar eer en geweten zijn geschat, acht het Hof het aannemelijk dat die aangifte is opgesteld door of met hulp of medeweten van de gemachtigde van belanghebbende. Onder deze omstandigheden kan de Inspecteur niet verweten worden de bewijsmaatstaf ‘aannemelijk maken’ (indirect) discriminatoir te hebben toegepast door een deel van de specifieke zorgkosten niet in aftrek toe te laten. Dat was mogelijk anders geweest als de gemachtigde van belanghebbende bewijs had overgelegd dat, met inachtneming van de licht verstandelijke beperking van belanghebbende, van belanghebbende verwacht mocht worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan bewijs van bezoek aan artsen op grond waarvan taxivervoer – ook zonder taxibonnetjes - aannemelijk geacht zou kunnen worden, en de Inspecteur desondanks had volhard in zijn standpunt. De gemachtigde van belanghebbende heeft dit echter niet gedaan en hij heeft in die zin de Inspecteur niet de kans gegeven de bewijsstandaard ‘aannemelijk maken’ toe te passen op een wijze die past bij belanghebbendes persoonlijke omstandigheden. Daarmee faalt zijn beroep namens belanghebbende op (indirecte) discriminatie. Dit oordeel wordt niet anders door de stelling van de gemachtigde van belanghebbende dat hij na 14 maart 2020 met de Inspecteur heeft gebeld met de mededeling dat belanghebbende niet akkoord was met het compromis, omdat van dat telefoongesprek geen enkel bewijs wordt overgelegd.
5.9.
Belanghebbende stelt dat de toepassing van de bewijsmaatstaf ‘aannemelijk maken’ op het recht om specifieke zorgkosten in aftrek te mogen brengen strijdig is met het VN-verdrag Handicap. Het Hof begrijpt die stelling aldus dat belanghebbende zich beroept op strijdigheid met artikel 5, lid 1 van dat verdrag dan wel artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
Artikel 5, lid 1 van het VN-verdrag Handicap luidt als volgt:
“1. De Staten die Partij zijn, erkennen dat eenieder gelijk is voor de wet en zonder aanziens des persoons recht heeft op dezelfde bescherming door, en hetzelfde voordeel van de wet.
(…)”
Artikel 26 van het IVBPR luidt als volgt:
“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.”
Het beroep van belanghebbende op deze verdragsbepalingen strandt om dezelfde redenen genoemd in 5.8.
5.10.
In het licht van het vorenstaande hecht het Hof eraan nog op te merken dat het betreurt dat de gemachtigde geen gebruik heeft gemaakt van de door het Hof geboden gelegenheid om nader in overleg te treden met de Inspecteur en evenmin gebruik heeft willen maken van een door het Hof geboden gelegenheid om nadien ter zitting de zaak alsnog te bespreken. Daarmee heeft de gemachtigde naar de overtuiging van het Hof een kans laten lopen de zaak op constructieve wijze tot een voor partijen bevredigende oplossing te brengen.
Belastingrente
5.11.
De gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de beschikking belastingrente in hoger beroep geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze onjuist is berekend.
Slotsom
5.12.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.