In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 4 november 2024, waarin de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde. De Inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2021 een voorlopige aanslag IB/PVV opgelegd, die resulteerde in een voorlopige teruggaaf van € 2.165. Belanghebbende verzocht meerdere keren om uitstel voor het doen van aangifte, wat door de Inspecteur deels werd toegewezen. Uiteindelijk werd een definitieve aanslag opgelegd, waarbij ook een verzuimboete en belastingrente in rekening werd gebracht. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beslissingen, maar de Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De Rechtbank oordeelde dat de belastingrente terecht was berekend en dat de dwangsombeschikking niet correct was afgegeven. In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof de uitspraak van de Rechtbank, waarbij het Hof oordeelde dat de belastingrente correct was vastgesteld volgens de geldende wet- en regelgeving. Het Hof concludeerde dat belanghebbende geen verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag had ingediend en dat de Inspecteur zich aan de wettelijke bepalingen had gehouden. De uitspraak van het Hof werd op 30 september 2025 openbaar gemaakt.