Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2021, met name over de hoogte van de belastingrente en de dwangsombeschikking. Na meerdere verzoeken om uitstel en herinneringen heeft belanghebbende uiteindelijk aangifte gedaan, waarna de definitieve aanslag met belastingrente en een verzuimboete werd opgelegd.
De Rechtbank had het beroep van belanghebbende deels gegrond verklaard, met name over de dwangsombeschikking, maar de belastingrente werd als terecht beoordeeld. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de belastingrente onterecht was berekend, onder meer omdat eerdere verzoeken tot stopzetting van voorlopige teruggaven niet waren gehonoreerd en het rentepercentage van 4% niet in verhouding stond tot andere rentepercentages.
Het Hof oordeelde dat de belastingrente correct was vastgesteld volgens de wettelijke bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Belanghebbende had geen verzoek tot wijziging of stopzetting van de voorlopige aanslag 2021 ingediend, ondanks de mogelijkheid daartoe. Het rentepercentage van 4% is wettelijk vastgesteld en valt binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.