ECLI:NL:GHDHA:2025:2586

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
200.325.346/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over afrekening factoringovereenkomst tussen ECP Factoring B.V. en Webzendbureau.nl B.V. en Webzendbureau.nl Alblasserdam

In deze zaak heeft ECP Factoring B.V. (ECP) een vordering ingesteld tegen Webzendbureau.nl B.V. (WB) en Webzendbureau.nl Alblasserdam (WB Alblasserdam) over de afrekening van een factoringovereenkomst. ECP heeft aan WB c.s. factoringdiensten verleend en er is een geschil ontstaan over de financiële afwikkeling daarvan. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 25 november 2025 geoordeeld dat WB c.s. de door ECP gepresenteerde afrekening niet voldoende gemotiveerd heeft bestreden. Het hof heeft de vordering van ECP tot voldoening van het uit de afrekening blijkende saldo toegewezen en de tegenvorderingen van WB c.s. afgewezen.

De procedure in hoger beroep begon met een dagvaarding op 17 januari 2023, waarin ECP in hoger beroep ging tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2022. De rechtbank had de vorderingen van ECP afgewezen en WB c.s. in de kosten veroordeeld. In het hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat ECP de afrekening in de vorm van een Excelbestand aan WB c.s. ter beschikking heeft gesteld, en dat WB c.s. niet voldoende onderbouwde verweren heeft gevoerd tegen de vordering van ECP.

Het hof heeft de vordering van ECP toegewezen en WB c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 92.626,85, vermeerderd met wettelijke handelsrente en proceskosten. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover de vordering van ECP was afgewezen en de proceskosten in conventie zijn toegewezen aan ECP. De beslissing is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.346/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/613837 / HA ZA 21-173
Arrest van 25 november 2025
in de zaak van
ECP Factoring B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.P.J. Kik, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.Webzendbureau.nl B.V.,

gevestigd in Dordrecht,
2.
Webzendbureau.nl Alblasserdam,
gevestigd in Dordrecht,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.T.A.J. Vijftigschild, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna ECP, WB en WB Alblasserdam, en laatstgenoemden gezamenlijk ook WB c.s.

1.De zaak in het kort

ECP heeft aan WB c.s. factoringdiensten verleend. Partijen strijden over de financiële afwikkeling daarvan. Het hof oordeelt dat WB c.s. de door ECP gepresenteerde afrekening niet voldoende gemotiveerd heeft bestreden. Het wijst daarom de vordering van ECP tot voldoening van het uit die afrekening blijkende saldo toe, en de tegenvorderingen van WB c.s. af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 17 januari 2023, waarmee ECP in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2022;
  • het herstelexploot van 24 maart 2023;
  • het arrest van dit hof van 23 mei 2023, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 september 2023;
  • de memorie van grieven van ECP;
  • de memorie van antwoord tevens grieven in incidenteel appel van WB c.s., met producties 1-10;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van ECP, met producties 17-28;
2.2
Op 9 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
ECP is een voormalig factoringbedrijf. Eind 2019 is zij in financiële moeilijkheden geraakt. Zij heeft uiteindelijk haar activiteiten gestaakt en is bezig met de afwikkeling van haar portefeuille. Alle factoring gerelateerde diensten, zoals debiteuren- en klantenbeheer, werden voorheen uitgevoerd door ECP Nederland B.V. (hierna: ECP Nederland). ECP Nederland en meerdere andere ECP entiteiten zijn inmiddels gefailleerd.
3.2
ECP en WB hebben in januari 2018 een factoringovereenkomst gesloten. In februari 2019 heeft ECP een nieuwe factoringsovereenkomst afgesloten, ditmaal met WB c.s. (hierna: de overeenkomst). Onder meer doordat (in strijd met de overeenkomst) WB haar debiteuren deels aan zichzelf had laten betalen of aan een pandhouder, [pandhouder] , was er bij WB c.s. een negatief saldo (betalingsverplichting) ontstaan.
3.3
Op 22 januari 2020 hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt: WB c.s. zou de laatste aan ECP gezonden batch facturen crediteren en geen verdere facturen meer aan ECP toesturen. De factoringrelatie werd toen feitelijk beëindigd.
3.4
Bij e-mail van 9 oktober 2020 heeft ECP WB c.s. gesommeerd tot betaling binnen vijf dagen van € 92.624,85, volgens haar het door WB c.s. verschuldigde saldo onder de overeenkomst. Ook heeft zij met deze e-mail de nog openstaande gefactorde facturen terug overgedragen aan WB c.s. (zgn. retrocessie).

4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep

4.1
In eerste aanleg heeft ECP hoofdelijke veroordeling gevorderd van WB c.s. tot betaling van € 92.624,85 (het hiervoor in 3.4 genoemde saldo), vermeerderd met rente en kosten. WB c.s. heeft tegenvorderingen ingesteld, strekkende tot veroordeling van ECP tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat, wegens tekortkomingen, , en – bij eisvermeerdering – € 494.976,16, vermeerderd met rente en kosten.
4.2
De rechtbank heeft de eisvermeerdering geweigerd en de overige vorderingen over en weer afgewezen, met veroordeling van ECP in de kosten in conventie en WB c.s. in de kosten in reconventie.
4.3
In het principaal hoger beroep vordert ECP vernietiging van het vonnis van de rechtbank voor zover haar vordering daarmee is afgewezen, en alsnog toewijzing van die vordering. WB c.s. concludeert in het principaal hoger beroep tot bekrachtiging; in het incidenteel hoger beroep vordert zij vernietiging van het vonnis en veroordeling van ECP tot betaling van € 200.958,88 en € 295.405,-, vermeerderd met rente en kosten. ECP concludeert in het incidenteel hoger beroep tot afwijzing van deze vorderingen.

5.Beoordeling in hoger beroep

De vordering van ECP (principaal hoger beroep)
Grondslag van de vordering
5.1
De afrekening van ECP waarop zij haar vordering baseert, ziet er verkort weergegeven als volgt uit.
5.2
ECP stelt dat zij deze afrekening in de vorm van een Excelbestand, met – achter afzonderlijke tabbladen – alle daarbij behorende specificaties, aan WB c.s. ter beschikking heeft gesteld. Op de mondelinge behandeling in het hoger beroep heeft WB c.s. erkend dit bestand met specificaties te hebben ontvangen.
Verweer: ontbrekende toelichting en/of stukken
5.3
WB c.s. heeft in eerste aanleg gesteld het volgende te missen: facturen, bankafschriften G-rekening, dispuut deel, mindering voor dubbele kosten, inzicht van de ECP-kosten, reeds ingehouden kosten ECP, en correcties op betalingen die wel opgenomen zijn, maar niet zijn ontvangen door WB c.s. (de hoogte van dat bedrag is nadrukkelijk betwist). Niet duidelijk is in hoeverre dit volgens WB c.s. zelf reeds is ondervangen door de door haar erkende specificaties. WB c.s. heeft verder gesteld geen beschikking te hebben over gewaarmerkte afschriften van de factor-bankrekening, de zogenaamde CDA (client dedicated account). Het hof oordeelt hierover als volgt.
5.4
Facturen. WB c.s. maakt niet duidelijk over welke facturen dit gaat. Over eigen (aan ECP gefactorde) facturen aan eigen debiteuren, dient zij zelf te beschikken. WB c.s. heeft verder niet in het algemeen gesteld dat ECP de door haar aan WB c.s. in rekening gebrachte bedragen niet aan haar factureerde; WB c.s. heeft in deze procedure ook verschillende aan haar gerichte facturen van ECP in het geding gebracht. Het had daarom op de weg van WB c.s. gelegen om, indien zij specifieke facturen was kwijtgeraakt of om andere reden miste, dat te specificeren c.q. gespecificeerd bij ECP op te vragen. Dat dit vergeefs is gedaan, is niet gebleken.
5.5
Bankafschriften G-
rekening.De G-rekening stond op eigen naam van WB c.s. en WB c.s. dient daarover dus zelf te beschikken.
5.6
Dispuut deel. WB c.s. maakt niet duidelijk welke concrete informatie zij nog mist, en wat de relevantie is voor de vordering van ECP. WB c.s. heeft wel aangevoerd dat ECP (en/of ECP Nederland) niet goed omging met, en niet helder met WB c.s. communiceerde over, disputen, d.w.z. betwistingen van facturen van WB c.s. door haar debiteuren, en dat WB c.s. hierdoor schade heeft geleden. Deze schadeclaim komt hierna (5.24) aan de orde.
5.7
Mindering voor dubbele kosten, inzicht in de ECP-kosten, reeds ingehouden kosten ECP.Naar het hof begrijpt heeft ECP WB c.s. wel inzicht verschaft in de door haar in rekening gebrachte kosten (factorloon), onder meer door middel van de specificaties bij haar berekening (en onderliggende facturen), maar meent WB c.s. dat die kosten al zijn ingehouden en dus niet (nog een keer) betaald hoeven te worden. Ook betwist zij de verschuldigdheid van sommige van de opgevoerde kosten. Deze onderwerpen zullen hierna (5.12-5.13) aan de orde komen.
5.8
Correcties op betalingen die wel opgenomen zijn, maar niet zijn ontvangen door WB c.s. (de hoogte van dat bedrag is nadrukkelijk betwist).Kennelijk gaat het hier niet om ontbrekende informatie, maar om een betwisting. WB c.s. geeft echter geen toelichting, met name stelt zij niet welke gespecificeerde betalingen zij dan niet zou hebben ontvangen.
5.9
Gewaarmerkte afschriften CDA.Partijen hebben op enig moment afgesproken dat zij gezamenlijk aan de bank (ABN AMRO) zouden vragen om gewaarmerkte afschriften van de CDA. Na uitgebreide correspondentie en telefoongesprekken heeft de bank uiteindelijk rechtstreeks aan mr. Vijftigschild ongewaarmerkte afschriften toegezonden. Met het aanvoeren van deze omstandigheid heeft WB c.s. echter geen voldoende gemotiveerde betwisting gegeven van de vordering van ECP of de onderbouwing daarvan, om de navolgende redenen:
  • ECP heeft meegewerkt aan het verzoek aan de bank om gewaarmerkte afschriften; dat de bank daaraan niet heeft meegewerkt kan op zichzelf niet aan ECP worden tegengeworpen.
  • De afschriften zijn rechtstreeks aan mr. Vijftigschild toegezonden door de bank; WB c.s. maakt niet duidelijk welke extra waarborg het waarmerken van de afschriften haar zou verschaffen.
  • WB c.s. voert niet aan dat de verstrekte afschriften niet doorlopend genummerd zijn of anderszins niet op elkaar aansluiten of dat hierop mutaties voorkomen die niet aansluiten op haar eigen administratie en/of op de door ECP verstrekte specificaties en stukken.
Verweer: factuurbedragen WB c.s. ten onrechte niet in aanmerking genomen
5.1
WB c.s. meent dat ECP in haar afrekening ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de factuurbedragen, d.w.z. de som van de aan haar gefactorde factuurbedragen van WB c.s. Dit verwijt is onterecht. ECP heeft een valide berekening gemaakt op basis van ontvangsten, uitbetalingen en verschuldigde kosten. De door WB c.s. voorgestane berekeningsmethodiek waarin ook rekening wordt gehouden met de factuurbedragen en het verweer van ECP daartegen, komen hierna (5.16-5.19) aan de orde.
Verweer: onjuist ingevoerde bedragen
5.11
Volgens WB c.s. heeft ECP onjuiste bedragen ingevoerd bij de berekening van haar ontvangsten over de periode 8 februari-31 december 2019. Zij stelt dat zij de ECP kosten eruit heeft gehaald en het G-gedeelte van Ziezzo heeft toegevoegd (omdat WB c.s. dat had moeten ontvangen) en dat hieruit blijkt dat ECP in de desbetreffende periode € 22.450,- meer heeft ontvangen dan zij verantwoordt. Het hoe en waarom van deze mutaties maakt WB c.s. echter niet duidelijk. Een post ontvangsten is een zuiver feitelijke post van daadwerkelijk ontvangen bedragen; wat WB c.s. klaarblijkelijk wil doen is hierop mutaties doorvoeren die met daadwerkelijke ontvangsten van ECP niets te maken hebben. Zie wat betreft het in rekening brengen van kosten: hierna, 5.12.
Verweer: kosten reeds ingehouden
5.12
WB c.s. voert aan dat ECP in haar afrekening ten onrechte haar kosten (c.q. beloning) opvoert, omdat zij deze reeds heeft ingehouden bij de uitbetalingen aan WB c.s. Dit verweer miskent dat als ECP slechts het saldo zou berekenen van haar ontvangsten en uitbetalingen, niet tot uitdrukking zou komen dat zij tegenover WB c.s. ook aanspraak heeft op beloning (‘kosten’). Die post moet dus juist wel worden opgenomen ter bepaling van wat partijen met elkaar hebben af te rekenen.
Verweer: kosten niet verschuldigd
5.13
WB c.s. heeft kritiek op de in de afrekening opgenomen post € 473,-, omdat volgens haar de onderbouwing en de daarbij behorende stukken niet kloppen. Zij heeft de desbetreffende stukken echter niet overgelegd (of althans niet benoemd, in het kader van haar kritiek, over welk overgelegde stuk zij het heeft), zonder welke haar kritiek niet is te duiden. Het hof passeert daarom dit verweer. Ook heeft WB c.s. kritiek op in rekening gebrachte kosten voor spoedbetalingen. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Het hof onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank op dit punt en maakt deze tot de zijne. De kritiek van WB c.s. op de post van € 2.369,- in de (uitgebreide) afrekening van ECP miskent dat dit geen kostenpost betreft.
Verweer: dubbel ingehouden of minder uitbetaalde bedragen
5.14
Volgens WB c.s. heeft ECP bepaalde bedragen dubbel ingehouden of minder uitbetaald. De uitleg die zij hierbij heeft gegeven is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, voor het hof niet navolgbaar. (Zie verder over deze gestelde post hierna, 5.18 (sub j).)
De grieven van ECP
5.15
Met haar grieven komt ECP op tegen de afwijzing van haar vorderingen door de rechtbank. Uit het voorgaande volgt dat deze grieven terecht zijn voorgesteld en dat de vorderingen toewijsbaar zijn. Hierbij valt nog op te merken dat de observatie van de rechtbank dat ECP de retrocessies (hiervoor, 3.4) niet in haar berekening heeft betrokken, op zichzelf juist is, maar die berekening niet onjuist maakt. In de gekozen berekeningsmethodiek van ontvangsten, uitbetalingen en verschuldigde kosten (beloning), horen die retrocessies niet thuis. Zie verder hierna, 5.16-5.19.
De tegenvorderingen van WB c.s. (incidenteel hoger beroep)
De vordering van € 200.958,88
5.16
WB c.s. stelt dat ECP haar € 200.958,88 dient te betalen op basis van de volgende berekening.
5.17
ECP betwist de genoemde post dubbel ingehouden of minder uitbetaald (hierna, 5.18 (sub j)). Over de omvang van de overige posten zijn partijen het op enkele centen na eens. ECP voert echter terecht aan dat de berekening van WB c.s. niet valide is. Het is mogelijk om een afrekening tussen partijen te maken die begint met het totaalbedrag van de gefactorde facturen. In de eerste plaats moet dan van het oorspronkelijke totale factuurbedrag, het bedrag van de retrocessies c.q. niet geïncasseerde facturen (hiervoor, 3.4) worden afgetrokken. Als vervolgens wordt afgetrokken het bedrag van de uitbetalingen door ECP aan WB c.s., of op haar verzoek aan derden, of aan [pandhouder] , zoals WB c.s. doet, wat op zichzelf een valide berekening kan opleveren, dan moet vervolgens niet ook worden afgetrokken wat ECP op de gefactorde facturen heeft ontvangen (zoals WB c.s. ten onrechte doet), maar wat op de gefactorde facturen door de debiteuren aan WB c.s. is betaald (op de G-rekening of rechtstreeks): het restant laat zien wat ECP zelf in geld heeft ontvangen op de factoring, dan wel daarop heeft toegelegd. Voor de afrekening tussen partijen moet vervolgens daarbij nog worden opgeteld het factorloon waarop ECP aanspraak heeft. Met inachtneming van deze uitgangspunten heeft ECP de volgende tegenberekening opgesteld. Hierin zijn de retrocessies nog niet verwerkt, en wel is toegevoegd een post correctie PTC (
paid to client), d.w.z. nader gebleken ontvangsten door WB c.s. op gefactorde facturen.
5.18
Tegenover deze tegenberekening is de eigen berekening van WB c.s. ontoereikend. Ter toelichting dient nog het navolgende:
ad a.Over het totaalbedrag van de gefactorde facturen, afgezien van de retrocessies, zijn partijen het eens.
ad c, d, e en k.Dit betreffen betalingen door de debiteuren van de gefactorde facturen aan WB c.s., rechtstreeks of op haar G-rekening. ECP heeft al deze posten van specificaties voorzien. Op de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft WB c.s. aangevoerd dat het hier om ‘niet onderbouwde staatjes’ gaat, maar daarmee miskent WB c.s. dat als zij ter onderbouwing van de door haar gestelde vordering een afrekening wil presenteren die uitgaat van het totaalbedrag van gefactureerde/gefactorde facturen, en aftrek van de uitbetalingen door ECP aan WB c.s. of op haar verzoek aan derden of aan [pandhouder] , op haar de stelplicht en bewijslast rusten wat betreft de vervolgens noodzakelijke aftrekpost (hiervoor, 5.17) van de door haarzelf ontvangen debiteurenbetalingen (rechtstreeks of op haar G-rekening). Verder miskent WB c.s. met haar stelling dat de staatjes niet onderbouwd zijn, dat de desbetreffende specificaties (onder meer) alle factuurnummers, debiteurennamen en bedragen noemen, welke gegevens de onderbouwing zíjn van de desbetreffende posten. WB c.s. had die onderbouwingen kunnen verifiëren aan de hand van haar eigen administratie (eigen bankrekening en G-rekening) maar dit heeft zij klaarblijkelijk niet gedaan, of althans hiervan blijkt niet. Ten aanzien van post c heeft WB c.s. op de mondelinge behandeling nog wel aangevoerd dat het bedrag niet klopt omdat er sprake zou zijn van een onweersproken creditfactuur van € 19,9 (klaarblijkelijk bedoelt WB c.s. het duizendvoud hiervan). Een voetnoot hierbij (pleitnota rn 12, voetnoot 12) vermeldt ‘Zie onderstaand’, maar na het desbetreffende randnummer respectievelijk de desbetreffende voetnoot is in de pleitnota geen vindplaats of (coherent) betoog te vinden dat het gestelde verklaart. In tweede termijn heeft WB c.s., na hierop te zijn gewezen door ECP, hiervoor niet alsnog een verklaring gegeven.
ad f.Deze post heeft WB c.s. gedeeltelijk maar vergeefs betwist (hiervoor, 5.13). Overigens is de door WB c.s. bekritiseerde post van € 473,28 (hiervoor, 5.13) in deze tegenberekening niet meegenomen.
ad g, h en i.Over deze posten zijn partijen het op enkele centen na eens.
ad j.ECP betwist deze post. Ter toelichting heeft zij als productie 26 bij de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep een reactie overgelegd op de gestelde post zoals zij die begrijpt, met grotendeels gespecificeerde weerleggingen en voor het overige enkele vraagtekens, waarop het hof het antwoord ook niet ziet (hiervoor, 5.14) en WB c.s. zelf evenmin (alsnog) een uitleg heeft gegeven.
5.19
Het voorgaande betekent dat de vordering van WB c.s. van € 200.958,88 niet toewijsbaar is.
De vordering van € 295.405,-
5.2
WB c.s. stelt dat EPC geld heeft achtergehouden. ECP heeft volgens WB c.s. gesteld dat WB c.s. op de G-rekening € 1.026.935,- heeft ontvangen. Dit bedrag is volgens haar echter niet juist omdat zij op haar G-rekening slechts € 731.530,- heeft ontvangen, aldus WB c.s. Het verschil tussen die bedragen is € 295.305,-, en dat moet ECP volgens WB c.s. aan haar betalen.
5.21
Met deze stellingname miskent WB c.s. dat ECP helemaal niet het standpunt heeft ingenomen dat WB c.s. op haar G-rekening € 1.026.935,- (dan wel het eerder door WB c.s. genoemde bedrag van € 1.060.612,-) heeft ontvangen. De vordering van WB c.s. mist daarom reeds feitelijke grondslag. In haar memorie van antwoord in incidenteel appel heeft ECP toegelicht dat het totaal van de door WB c.s. van debiteuren ontvangen betalingen € 1.060.612,- bedraagt (posten d en e in de hiervoor in 5.17 weergegeven tegenberekening), afgezien van de post correctie nagekomen PTC (post k in die berekening). Al deze posten heeft ECP van specificaties voorzien, en deze heeft WB c.s. niet of niet voldoende gemotiveerd betwist (hiervoor, 5.18).
5.22
Het voorgaande betekent dat ook de vordering van WB c.s. van € 295.035,- niet toewijsbaar is.
De grieven van WB c.s.
5.23
Grieven II en IV van WB c.s. strekken tot toewijzing van haar hiervoor besproken vorderingen van € 200.958,88 en € 295.405,-. Deze grieven treffen geen doel.
5.24
Met grief I bestrijdt WB c.s. het oordeel van de rechtbank dat de door WB c.s. gestelde schade, in het contract tussen partijen van vergoeding is uitgesloten. WB c.s. heeft bij deze grief geen belang, omdat zij in het hoger beroep niet concludeert dat haar in eerste aanleg afgewezen schadevergoedingsvordering alsnog moet worden toegewezen. Overigens is de grief ook ongegrond. WB c.s. heeft geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de door haar gevorderde schade, gevolgschade is (in de zin van artikel 22.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden). Hiervoor is ECP niet aansprakelijk, tenzij deze schade het gevolg is van opzet of grove schuld van de directie of tot de bedrijfsleiding behorend personeel van ECP. De klachten van WB c.s. komen er samengevat op neer dat ECP (en/of ECP Nederland) slordig debiteurenbeheer voerde, niet (goed) bereikbaar was, onduidelijk communiceerde en niet aan haar zorgplicht voldeed. Deze aantijgingen zijn echter onvoldoende toegelicht voor de conclusie dat sprake was van opzet of grove schuld van de directie of tot de bedrijfsleiding behorend personeel van ECP. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat WB c.s. niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij mogelijk schade heeft geleden door de beëindiging van de factoringrelatie in januari 2020 (hiervoor, 3.3), welke beëindiging WB c.s. aanmerkt als onrechtmatige opzegging door ECP. Die gestelde (onrechtmatige) opzegging weggedacht, zou ECP gerechtigd zijn geweest om niet op verder te cederen facturen uit te betalen totdat het saldo tussen partijen niet meer negatief was. De mogelijkheid dat WB c.s. in dat (niet-onrechtmatige) hypothetische scenario minder (of geen) financieel nadeel zou hebben gehad dan de schade die zij nu stelt feitelijk te hebben geleden door de beëindiging, oordeelt het hof niet aannemelijk.
5.25
Met grief III bestrijdt WB c.s. het oordeel van de rechtbank dat WB c.s. niet duidelijk heeft gemaakt waarom ECP verantwoordelijk zou zijn voor de incasso van de facturen van WB c.s. (lees: en daarmee aansprakelijk zou zijn voor schade ten gevolge van de gestelde tekortkomingen daarin). Bij deze grief heeft WB c.s. geen belang, gegeven het falen van grief I.
Conclusie en proceskosten
5.26
De conclusie is dat het principaal hoger beroep slaagt en het incidenteel hoger beroep faalt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover de vordering van ECP daarin is afgewezen en ECP is veroordeeld in de proceskosten in conventie, en de vordering van ECP alsnog toewijzen (zoals hierna gespecificeerd) met hoofdelijke veroordeling van WB c.s. in de proceskosten in eerste aanleg in conventie, en die van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep.
5.27
De vordering van ECP strekt mede tot voldoening door WB c.s. van de wettelijke handelsrente vanaf de eerste dag van verzuim, althans vanaf de dag van dagvaarding. Daargelaten dat verzuim als zodanig geen rechtsfeit is dat maatgevend is voor de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente, heeft ECP ook niet gesteld wanneer het verzuim is ingetreden. De wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding (11 februari 2021), zoals subsidiair gevorderd. ECP heeft ook vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd, maar heeft van die kosten geen opgave gedaan. In zoverre zal het hof de vordering afwijzen.
5.28
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van ECP als volgt:

6.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2022 voor zover de vordering van ECP daarmee is afgewezen en ECP is veroordeeld in de proceskosten in conventie;
  • in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt WB c.s. hoofdelijk tot betaling aan ECP van € 92.626,85, vermeerderd met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) vanaf 11 februari 2021, en vermeerderd met de proceskosten in conventie in eerste aanleg ten bedrage van € 4.946,81, deze vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest;
  • bekrachtigt het vonnis voor het overige;
  • veroordeelt WB c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van ECP begroot op € 9.056,02, vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest;
  • bepaalt dat als WB c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, WB c.s. de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, steeds vermeerderd met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf 14 dagen na de datum van betekening;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. P. Volker en mr. R.W. Polak en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.