III. Verklaringen [slachtoffer]
Nu het hof de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen niet tot het bewijs zal bezigen, behoeft het door de raadsman gevoerde betrouwbaarheidsverweer geen bespreking. Om diezelfde reden komt het hof evenmin toe aan een beslissing op het verzoek van de verdediging om de recent door [slachtoffer] in Slowakije afgelegde verklaring – die zou bijdragen aan de stelling dat deze getuige onbetrouwbaar is - aan het dossier te doen toevoegen, zoals door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep in voorwaardelijke zin – te weten voor zover het hof de verklaring van [slachtoffer] voor het bewijs zal bezigen - is gedaan.
Feiten 1 en 2: uitvoer/vervoer van cocaïne en criminele organisatie
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd omdat niet kan worden vastgesteld dat hetgeen is uitgevoerd naar Engeland cocaïne heeft bevat. Daartoe heeft de raadsman met betrekking tot het in Engeland deels onderschepte transport aangevoerd dat het Engelse forensische rapport waaruit zou blijken dat het om blokken bevattende “cocaïne-hydrochloride” ging, slechts een schriftelijk bescheid is dat blijkens zijn inhoud niet is bedoeld als wettig bewijsmiddel. Voor de overige twee transporten die volgens het openbaar ministerie zijn geslaagd, geldt dat deze niet zijn onderschept en derhalve niet aan een test zijn onderworpen. Ander bewijs voor het feit dat het om cocaïne zou gaan, is er niet. Daarbij moet ook de Kokosnoot-jurisprudentie worden betrokken. In de Kokosnoot-zaak heeft de Hoge Raad de bewezenverklaring (erop neerkomend dat cocaïne werd ingevoerd) vernietigd.
Inleiding
De verdachte wordt verweten dat hij, verdeeld over drie zendingen, een totaal van 882,5 kilogram cocaïne met anderen naar Engeland heeft uitgevoerd. Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting komt het hof tot de conclusies dat er een transportlijn heeft bestaan vanuit Nederland naar Engeland, dat via die transportlijn in april 2020 twee dummyzendingen naar Engeland zijn verstuurd, dat vervolgens drie zendingen met cocaïne naar Engeland zijn verstuurd en dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij die drie zendingen.
Daartoe overweegt het hof het volgende.
In mei 2020 werd door de politie in Den Haag een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Kiwi gestart.
Uit EncroChat-gesprekken die geanalyseerd zijn binnen het onderzoek Kiwi bleek dat op 29 mei 2020 een partij cocaïne in beslag was genomen in Engeland. Op 22 januari 2021 werd naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel door de Engelse politie het onderzoeksdossier
Operation Belshazzarverstrekt.
Onderzoek Operation Belshazzar
Uit dit onderzoeksdossier komt naar voren dat de Engelse politie op 29 mei 2020 informatie had gekregen dat in [plaats 4] een partij verdovende middelen zou worden overgedragen. In [plaats 4] hebben de politieagenten op straat twee voertuigen aangetroffen (een Audi en een Vauxhall Combo) waarin kartonnen dozen zaten. Tevens is een verdachte, genaamd [medeverdachte 8] , aangehouden. In zijn broekzak werd een mobiele telefoon aangetroffen met een SIM-nummer dat overeenkwam met het SIM-nummer van het EncroChat-account [account 11] .
Bij het bedrijf [bedrijf 1] in [plaats 4] werden op dezelfde dag in een unit in het bedrijfsgebouw dozen met toner cartridges, meerdere papieren van DHL, meerdere labels, barcodes en vrachtlabels aangetroffen. Op de labels stond als verzendadres vermeld: [bedrijf 2] , [medeverdachte 3] , [adres 1] , [plaats 5] , Netherlands.
Op 29 mei 2020 is daarnaast een Citroën bestelauto met kenteken [kenteken] doorzocht bij [adres 2] , [plaats 6] . In een geheime ruimte werden dozen met blokken gevonden.
De dozen in de drie voertuigen zijn door de Engelse politie onderzocht. Daaruit kwam naar voren dat er zogenoemde ‘blokken’ in de dozen zaten. Deze waren in de volgende hoeveelheden aangetroffen:
- 88 blokken in de Vauxhall Combo, gelabeld met ‘P1’;
- 74 blokken in de Audi, gelabeld met ‘DA’;
- 49 blokken in de Citroën, gelabeld met ‘W’.
Deze aantallen met de bijbehorende letters komen overeen met de aantallen die genoemd worden in het EncroChat-bericht dat de verdachte op 26 mei 2020 heeft gestuurd aan [medeverdachte 2] en met het chatbericht tussen EncroChat-accounts [account 11] en [account 12] op 28 mei 2020.
Alle 211 blokken bleken volgens het rapport van de forensisch onderzoeker [forensisch onderzoeker] cocaïne-hydrochloride te bevatten.
In dit verband overweegt het hof dat het de stelling van de verdediging, te weten dat uit de in de pleitnota aangehaalde citaten uit het Engelse rapport van de forensisch onderzoeker [forensisch onderzoeker] zou volgen dat de testresultaten niet voor het bewijs in een strafzaak gebruikt zouden mogen worden, niet deelt. De citaten nopen niet tot die conclusie en ook overigens bevat het rapport geen passages die daartoe nopen. Voorts geldt dat dit rapport als schriftelijk bescheid ook naar zijn aard tot het bewijs kan worden gebezigd, als verslag van een deskundige, of als een ander geschrift mits verband houdend met de inhoud van andere bewijsmiddelen, aan welke voorwaarde in de onderhavige zaak is voldaan, met verwijzing naar artikel 344 lid 1 Sv.
Tenslotte overweegt het hof dat het feit dat slechts een deel van de substantie is getest - hetgeen overigens gebruikelijk is – niet in de weg staat aan de bewezenverklaring van uitvoer van genoemd aantal kilo’s van een materiaal bevattende cocaïne.
Op 13 april 2021 hebben vervolgens in het onderzoek Kiwi verschillende doorzoekingen plaatsgevonden. Op het adres van [bedrijf 2] aan de [adres 3] in Den Haag zijn DHL-facturen van de volgende zendingen door [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] [plaats 4] aangetroffen:
- Factuurnummer [factuurnummer 1] , met datum verzending 20/04/20;
- Factuurnummer [factuurnummer 2] , met datum verzending 28/04/20;
- Factuurnummer [factuurnummer 3] , met datum verzending 04/05/20;
- Factuurnummer [factuurnummer 4] , met datum verzending 18/05/20;
- Factuurnummer [factuurnummer 5] , met datum verzending 25/05/20.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en EncroChat-account [account 13] op 6 april 2020 via EncroChat hebben gesproken over een transportlijn ('tp system'), waarbij, naast de verdachte, meerdere personen betrokken zijn geweest. De verdachte stelde voor deze transportlijn te delen met [account 13] en een ander en de kosten te delen. Verder werd gesproken over het regelen (‘handle’) en het inpakken (‘pack it’) aan de ene zijde (‘here’: het hof begrijpt uit de context van de berichten: de Nederlandse zijde) en het distribueren door [account 13] en die ander in Engeland. [account 13] stelde daarbij een verdeling van de winst voor.
Op basis van een EncroChat-gesprek tussen [account 2] en [account 11] trekt het hof de conclusie dat er, onder andere door de verdachte, via DHL vanuit [bedrijf 2] aan de [adres 1] in Den Haag, twee dummyzendingen naar [plaats 4] , Engeland zijn verstuurd: één dummyzending op 20 april 2020 en een andere dummyzending op 28 april 2020. Daarbij werd ook gesproken over het regelen van stashauto’s. Op de dag van de tweede dummyzending heeft de verdachte bericht dat er ‘volgende week’ ‘voor het echt’ wordt gegaan. Deze gang van zaken duidt op de voorbereiding van een transportlijn van illegale goederen, bijvoorbeeld verdovende middelen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat vervolgens op 4, 18 en 25 mei 2020 op dezelfde wijze transporten zijn verzonden: pallets met lading die via DHL vanuit Nederland werden verzonden en enkele dagen later in [plaats 4] werden afgeleverd (respectievelijk op 12, 22 en 29 mei 2020):
- Op 4 mei 2020 is een transport waarbij het, zo leidt het hof uit de bewijsmiddelen af, wat de hoeveelheid betreft om 192,5 kg ging, naar [plaats 4] verzonden.
- Op 18 mei 2020 werd een tweede transport verzonden, dat op 22 mei 2020 aankwam in [plaats 4] . Dit transport had, zo volgt uit de bewijsmiddelen, een inhoud van 343 kg.
- Op 25 mei 2020 werd een derde transport met, zo volgt eveneens uit de bewijsmiddelen, 345 kg verzonden, welk transport deels – zoals hierboven beschreven - door de Engelse politie op 29 mei 2020 werd onderschept en waarvan werd vastgesteld dat het daarbij om cocaïne ging.
Het hof ziet aanleiding om aan te nemen dat het bij de twee niet onderschepte transporten in mei 2020 eveneens als bij het onderschepte transport om cocaïne ging. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het navolgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de handelwijze van de drie transporten in mei 2020 telkens overeenkomt, dat de EncroChat-gesprekken op elkaar aansluiten, dat van de drie transporten vergelijkbare bescheiden zijn aangetroffen bij [bedrijf 2] , dat na het eerste niet onderschepte transport van 4 mei 2020 werd gecommuniceerd over (verdeling van) grote geldbedragen en dat foto’s van grote geldbedragen werden gestuurd.
Verder blijkt uit het dossier dat de verdachte op
16 april 2020 een foto van een blok cocaïne met de opdruk ‘BSB’ heeft doorgestuurd aan [account 13] , waarbij hij de opmerking schreef “We pay for this piecea 25750”. [account 13] antwoordde hierop met “We should start sending soon” en “The tp will go Monday? Dummies obviously”, waarop de verdachte reageerde met “Yes. And i think the week after max 2 weeks we start real one”. Het hof begrijpt hieruit, in samenhang met de bewijsmiddelen die zien op het onderschepte transport, dat het bij “real one”, juist in tegenstelling tot “dummy’s”, om cocaïne gaat.
Ook komen de afkortingen op de dozen die zijn aangetroffen in het onderschepte transport niet alleen terug in een EncroChat-bericht d.d. 26 mei 2020 van de verdachte over personen die ‘bits’ leveren en in een bericht van de ontvanger aan de Engelse kant van 28 mei 2020, maar ook in een bericht in het kader van een eerder transport, waarin de verdachte op 3 mei 2020 schrijft: "for the delivery and packing its important the bits are marked good so we will have p1 and p2 on boxes written so we know what is for who (…) Willy is W”. Dat met ‘bits’ overigens blokken cocaïne wordt bedoeld, volgt onder meer uit een EncroChat-bericht van 26 mei 2020 tussen de verdachte en [medeverdachte 2] waarin gesproken wordt over ‘50 bits (w on bits)’, ‘75 bits (da on bits)’ en ‘Prada – 117 bits (P1 – 88)’ in combinatie met het aantreffen van dozen met daarop de letters ‘W’, ‘DA’ en ‘P1’ op 29 mei 2020 in Engeland, in welke dozen nagenoeg de hoeveelheid cocaïne is aangetroffen die te herleiden is naar dit chatbericht en het EncroChat-bericht tussen [medeverdachte 8] en [account 12] .
Daarnaast bevat het dossier een EncroChat-gesprek van 31 mei 2020. In dit gesprek tussen [account 3] en EncroChat-account [account 1] ( [medeverdachte 2] ) werd gesproken over het onderschepte transport in Engeland. [account 3] schreef hier dat “dit word overgedragen aan de speciale dienst van de engelse”. [account 1] antwoordde: “ja ja en nee ze kunne nooit bewijzen dat in die andere zendingen wat heeft gezeten” en “Laten we wek voor de zekerheid allemaal andere telneme”.
Daar komt bij dat op camerabeelden van een [bedrijf 1] in [plaats 4] niet alleen op 29 mei 2020, maar ook op 5, 12 en 22 mei 2020 veel activiteiten bij een unit te zien waren, in het bijzonder een man, van wie wordt aangenomen dat het [medeverdachte 8] is, die dozen naar buiten bracht en in een stationwagen laadde. Het SIM-nummer van een bij hem aangetroffen telefoon komt overeen met het SIM-nummer van EncroChat-gebruiker [account 11] , met wie de verdachte meerdere gesprekken over bovengenoemde transporten heeft gevoerd. [medeverdachte 8] is op 29 mei 2020 als bestuurder van een van de genoemde voertuigen met daarin cocaïne aangehouden, terwijl hij kwam uit de richting van de genoemde unit.
Bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, duiden er naar het oordeel van het hof op dat ook op 4 en 18 mei 2020 transporten met blokken cocaïne zijn verzonden.
Het hof merkt in dit verband op dat een aantal medeverdachten bij onherroepelijke arresten van het hof van 20 november 2024 eveneens veroordeeld zijn voor de uitvoer van hiervoor genoemde partijen cocaïne, te weten [medeverdachte 1] (22-003085-22), [medeverdachte 3] (22-003116-22) en [medeverdachte 4] (22-002981-22).
Ten slotte overweegt het hof in dit verband dat de vergelijking met het Kokosnoot-arrest (HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1300), waarop door de verdediging een beroep is gedaan, naar het oordeel van het hof niet opgaat. De feiten in de zaak tegen de verdachte zijn met de feiten die speelden in het Kokosnoot-arrest niet te vergelijken. Het verweer wordt verworpen.
Voorts met betrekking tot feit 1: uitvoer/vervoer van cocaïne
Naar het oordeel van het hof kan de verdachte als medepleger worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het medeplegen van de verdachte bij feit 1 het volgende af.
Er zijn in totaal twee dummyzendingen zonder en drie zendingen met cocaïne naar [plaats 4] verstuurd via de transportlijn in de tenlastegelegde periode. De verdachte heeft daarbij een initiërende en leidende rol gespeeld. Hij heeft bijvoorbeeld op 6 april 2020, na overleg met ‘T’ en ‘D’, contact met [account 13] opgenomen over het (her)starten van een transportlijn naar Engeland. In dat gesprek wordt een plan uiteengezet voor, wat later blijkt, het vervoeren van cocaïne. Ook wordt de verdachte bijvoorbeeld door [medeverdachte 9] gevraagd of anderen hun transportlijn mogen gebruiken, waarop hij instemmend reageert. Hij stemt met [medeverdachte 9] het gebruik van het e-mailadres van [bedrijf 2] af en hij stuurt [medeverdachte 4] aan in het gereedmaken van de eerste dummyzending. Uit gesprekken van 6 april 2020 en 3 mei 2020 blijkt dat [medeverdachte 7] (mede) door de verdachte wordt aangestuurd in zijn rol in de transporten, evenals [medeverdachte 6] , over wie [medeverdachte 2] en de verdachte op 16 mei 2020 bespreken dat hij (‘ [medeverdachte 6] ': [medeverdachte 6] dus) geld moet ophalen. De verdachte wordt ook steeds geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot het transport en is samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] betrokken bij de financiële afhandeling. Hij is de schakel tussen de Engelse kant en de Nederlandse kant. Als een transport onderweg is, is het in vier van de vijf gevallen de verdachte die van [medeverdachte 8] de DHL-code krijgt toegestuurd en het is geregeld de verdachte die (onder andere met de term 'happy days’) bij [medeverdachte 2] aankondigt dat de zending in Engeland is aangekomen. Het is ook de verdachte die als eerste aan de Nederlandse kant op de hoogte lijkt te zijn van het feit dat de derde zending met cocaïne in [plaats 4] (deels) is onderschept. Tekenend voor de positie van de verdachte bij het organiseren van de zendingen cocaïne acht het hof ook de verdeling van de winst. Uit het gesprek van 6 april 2020 tussen de verdachte en [account 13] volgt dat vier van de vijf betrokkenen die meedelen in de winst ieder één zesde deel krijgen. De verdachte heeft als enige recht op het dubbele, één derde, omdat hij kennelijk een belangrijke positie inneemt aan zowel de Nederlandse kant als de Engelse kant van de lijn.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachte gold met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als het brein achter de transporten en was betrokken bij de (her)start van de lijn, het nemen van belangrijke beslissingen, het aansturen van anderen, het onderhouden van contact met de Engelse tak van de transportlijn en het regelen van de financiële afhandeling van de zendingen. De verdachte heeft daarmee een intellectuele bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Het tenlastegelegde medeplegen is daarmee bewezen. Voor het vaststellen van de pleegperiode volgt het hof de tenlastelegging. De EncroChat-berichten die gaan over de transportlijn dateren immers van die periode.
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van in totaal 880,5 kilogram cocaïne naar Engeland en, in het verlengde daarvan, het medeplegen van het vervoeren van deze hoeveelheid cocaïne.
Voorts met betrekking tot feit 2: criminele organisatie
Door de verdediging is voorts verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 2 omdat niet gesproken kan worden van een samenwerkingsverband met enige duurzaamheid en structuur, er geen sprake is van het oogmerk om misdrijven te plegen en evenmin blijkt van een leidinggevende rol van de verdachte.
Onder feit 2 is bewezenverklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie - waaraan ook anderen (in het onderzoek Kiwi) hebben deelgenomen - die tot doel had om strafbare feiten te plegen zoals bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet (hierna: OW). Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 11b OW, welk artikel een zogenoemde lex specialis vormt van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie met betrekking tot de vereisten voor bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie, overweegt het hof het volgende.
Duurzaam samenwerkingsverband en oogmerk
Zoals in het voorgaande onder feit 1 is overwogen acht het hof bewezen dat de verdachte, samen met diverse anderen in het onderzoek Kiwi, zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen uitvoeren van cocaïne vanuit Nederland naar Engeland en in dat kader ook aan het vervoeren van die cocaïne.
Hieruit kan reeds worden afgeleid dat sprake was van een samenwerking tussen de verdachte en anderen. Deze samenwerking was ook intensief. Uit de EncroChat-berichten blijkt dat veelvuldig overleg plaatsvond tussen de verdachte en andere personen, waarbij de verdachte deze anderen aanstuurde en een bepalende rol had. Er was sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling, waarbij de verdachte, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , de opdrachten gaf en anderen deze uitvoerden.
De samenwerking was ook duurzaam en bestendig. De bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden gedurende twee maanden, te weten van 27 maart 2020 tot en met 29 mei
2020, waarbij sprake was van nauwe afstemming van de planmatige activiteiten, binnen (nagenoeg) steeds dezelfde verdachtengroep. Er was ook sprake van een structuur en een bepaalde hiërarchie en rolverdeling binnen de organisatie, waarover hierna meer.
Wanneer deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien is het hof, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen, van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, met als oogmerk het plegen van misdrijven strafbaar gesteld in artikel 10 jo artikel 2 OW.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat van de criminele organisatie - in elk geval - deel hebben uitgemaakt: de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . Het hof wijst in dit verband ook op de onherroepelijke veroordelingen voor deelname aan deze criminele organisatie in de zaken van een aantal medeverdachten, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , een leidende en coördinerende rol had binnen de criminele organisatie. Het hof verwijst in dit verband allereerst naar de overwegingen in dit arrest terzake medeplegen. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende. In het EncroChat-bericht van de verdachte aan [account 13] van 6 april 2020 geeft de verdachte aan dat hij met ‘T and D’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) een ‘tp system’ (het hof begrijpt: een transport system) heeft dat hij al 7 jaar in gebruik heeft. Voorts bespreken de verdachte en [medeverdachte 2] de financiële afhandeling van de eerste twee echte transporten, waarbij wordt vermeld wie hoeveel moet betalen, hoeveel pallets ze willen transporteren, wat de prijzen voor het transport zijn, wat ze betalen aan de overige leden van de organisatie voor hun werkzaamheden en hoe de uiteindelijke winst verdeeld wordt.
Hieruit volgt dat de verdachte mede de beslissingen nam en bepaalde wie wat in de organisatie moest regelen.
De verdachte was daarnaast degene die contact had met de Engelse tak van de transportlijn. Hij heeft met hen het delen van de transportlijn besproken en onderhandeld over de kosten en de winst. Daarnaast werd hij steeds op de hoogte gehouden van het verloop van het transport (door middel van het ontvangen van een DHL-code) en de aankomst van de drugstransporten. Verder deelde de verdachte als enige Nederlander ook mee in de winst aan Engelse zijde: hiervoor ontving hij ook l/3de van de aan de Engelse kant vallende winst. De drie Nederlandse leiders kregen ieder l/3de deel van de winst aan Nederlandse zijde. De verdachte had dus het grootste aandeel in de totale winst, zijnde 1/3de deel.
De verdachte was óók degene die – aan de Nederlandse zijde - als eerste ervan op de hoogte raakte dat in Engeland een deel van het transport was onderschept. Hij informeerde daarop meteen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en ondernam actie. De verdachte hield zich daarnaast, samen met [medeverdachte 2] , bezig met het regelen van cryptotelefoons en stashauto’s. De verdachte maakte, net als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , gebruik van PGP-telefoons en EncroChat om met leden van de organisatie te communiceren.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte, qua hiërarchie in de criminele organisatie, een essentiële, leidende rol vervulde.
De verweren van de verdediging met betrekking tot het bewezenverklaarde onder 2 - deelname aan een criminele organisatie - worden verworpen.
Feit 3 subsidiair: voorbereiding moord
Uit de zich in het dossier bevindende EncroChat-berichten, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte [slachtoffer] verantwoordelijk hield voor het onderscheppen van het cocaïnetransport in Engeland. In de berichten wordt, samengevat, besproken dat [slachtoffer] ‘geregeld’ moest worden, dat ‘iemand hem komt doen’, dat hiervoor een vuurwapen en een mes nodig waren en dat hij dan ‘
gone’zou zijn en ‘niet meer komt’. Gelet op met name deze bewoordingen staat naar het oordeel van het hof vast dat het de bedoeling was om [slachtoffer] om het leven te brengen. De verdachte zou hiervoor een gestolen motorscooter of elektrische mountainbike, een vuurwapen en een mes regelen. Daarnaast heeft de verdachte aan [account 14] gevraagd om een foto van [slachtoffer] en zijn adres- en contactgegevens. Na ontvangst hiervan heeft de verdachte deze foto en gegevens alsmede het type auto van [slachtoffer] naar een onbekend gebleven persoon ( [account 13] ) doorgestuurd, die het vervolgens zou delen met de uitvoerder van de moord ( [alias persoon 1] of [alias persoon 2] ). In de berichten komt verder naar voren dat [account 13] aan [alias persoon 1] “5k” zou geven voor de uit te voeren moord. Het is een feit van algemene bekendheid dat “k” voor het getal 1.000 staat. Gezien de context van de hierop betrekking hebbende EncroChat-berichten is het hof – anders dan de raadsman – van oordeel dat het niet anders kan dan dat het hier om een geldbedrag van € 5.000,- gaat.
Gelet op de inhoud van genoemde berichten en het veelvuldige contact tussen de verdachte en [account 13] was naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen beiden. [slachtoffer] is uiteindelijk niet om het leven gebracht, waardoor het enkel bij voorbereidende handelingen is gebleven.
Voor zover de raadsman heeft bepleit dat bedoelde voorbereiding niet uit de bewijsmiddelen volgt, wordt dat verweer, met verwijzing naar bovenstaande in samenhang met de bewijsmiddelenbijlage, in al zijn onderdelen verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.
Kwalificatie- en strafuitsluitingsgrond
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is voor genoemde feiten dus strafbaar.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman subsidiair een beroep gedaan op vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b Sr, zodat de verdachte ter zake van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Artikel 46b Sr luidt dat voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.
Zoals hiervoor reeds is overwogen acht het hof bewezen dat de verdachte in de periode van 7 juni 2020 tot en met 12 juni 2020 samen met anderen een moordaanslag op [slachtoffer] heeft voorbereid in feitelijke zin. Vast staat dat het grondmisdrijf (moord) niet is voltooid. Uit het dossier – dat ten aanzien van dit feit uitsluitend bestaat uit verschillende EncroChat-berichten - volgt niet op grond van welke omstandighe(i)d(en) het initiële plan is afgeblazen. In het dossier bevinden zich immers geen EncroChat-berichten van na 12 juni 2020, de datum waarop het bedrijf EncroChat middels een pushbericht aan alle gebruikers kenbaar heeft gemaakt dat de servers mogelijk gehackt waren, met het advies om het toestel zo spoedig mogelijk uit te zetten en weg te gooien, terwijl de moord nadien, als reeds vastgesteld, niet is volbracht. De verdachte en zijn mededaders communiceerden - zoals blijkt uit de EncroChat-berichten - ook op andere wijze via Sky en/of Wickr. Blijkens het dossier is geen onderzoek verricht naar (de inhoud van) die berichtgeving. Nu niet is gebleken dat het grondmisdrijf uitsluitend wegens externe, van de wil van de verdachte onafhankelijke, omstandigheden niet is voltooid en niet kan worden uitgesloten dat de verdachte vrijwillig is teruggetreden, is het hof van oordeel dat het feit niet als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd en de verdachte om die reden in zoverre straffeloos dient te blijven. De verdachte zal ten aanzien van feit 3 subsidiair dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het driemaal op grote schaal exporteren van cocaïne naar Engeland, met een totaal gewicht van 880,5 kilo. Dit deed hij samen met anderen, binnen een georganiseerd crimineel verband.
De verdachte behoorde samen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tot de bovenlaag van de criminele organisatie. De verdachte had, samen met hen, een leidende en coördinerende rol. Zo nam hij mede belangrijke beslissingen betreffende de organisatie, beheerde hij mede de financiën met betrekking tot de transporten en onderhield hij contact met de Engelse tak van de transportlijn. De verdachte regelde daarnaast, samen met [medeverdachte 2] , cryptotelefoons en stashauto’s. Voorts heeft de verdachte samen met anderen voorbereidingen getroffen om [slachtoffer] , die verantwoordelijk werd gehouden voor het onderscheppen van het cocaïnetransport in Engeland, om het leven te laten brengen. Hoewel die voorbereidingshandelingen als zodanig niet strafbaar zijn en deze de verdachte niet worden aangerekend, met verwijzing naar het hiervoor overwogene ten aanzien van feit 3, komt uit de bewijsmiddelen een “hard” beeld naar voren van de verdachte en diens wijze van opereren binnen het criminele samenwerkingsverband.
De verdachte heeft voorts met zijn handelen een belangrijke bijdrage geleverd aan de (instandhouding van) de handel in cocaïne, een verslavende en voor de gezondheid schadelijke stof. Er gaat buitengewoon veel geld om in de drugshandel, waardoor de (financiële) belangen van daders vaak groot zijn. Boven- en onderwereld raken zo ook steeds meer met elkaar vermengd. Daarnaast gaat de drugshandel veelal gepaard met aanpalende, soms gewelddadige, criminaliteit. Handelingen die mede tot doel hebben harddrugs op de markt te brengen, dienen daarom streng te worden bestraft.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
29 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.
In het bijzonder gelet op de ernst van de feiten en de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Enerzijds dient dit als vergelding. Anderzijds heeft het opleggen van zware straffen tot doel om de verdachte zelf en ook anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.
Het hof heeft gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Het hof houdt in strafverzwarende zin rekening met de leidinggevende rol die de verdachte binnen de criminele organisatie en bij de uitvoer van de cocaïne had.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.
Het hof zal in strafmatigende zin rekening houden met de detentieomstandigheden van de verdachte gedurende de tijd die hij in Dubai in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof is – met de rechtbank - van oordeel dat van het openbaar ministerie in deze zaak meer had kunnen worden verwacht om de uitlevering van de verdachte naar Nederland, met welke uitlevering hij van meet af aan had ingestemd, te bespoedigen. De verdachte heeft in eerste aanleg en in hoger beroep uitvoerig toegelicht hoe erbarmelijk de detentieomstandigheden in Dubai waren. In die detentieomstandigheden ziet het hof aanleiding om de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf te verminderen met vier maanden.
Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 16 maanden. De termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, nu tussen de datum van aanhouding van de verdachte op
11 oktober 2021 en de datum van het eindvonnis op 12 juni 2023 meer dan 16 maanden zijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt vier maanden.
De termijn van berechting in hoger beroep is eveneens overschreden, nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 17 juni 2024 en de datum van dit eindarrest meer dan 16 maanden zijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim één maand.
In de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof, tegen de achtergrond van de duur van de procedure als geheel, aanleiding om de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf te verminderen met twee maanden.
Het voorgaande maakt dat het hof in plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, een gevangenisstraf van de duur van acht jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal opleggen.
Bij de uitvoering van de op te leggen gevangenisstraf dient de tijd die de verdachte in Dubai in uitleveringsdetentie en in Nederland in detentie heeft doorgebracht geheel in mindering te worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de inbeslaggenomen telefoon de bewaring ten behoeve van de rechthebbende zal worden gelast.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoon zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu onvoldoende kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder
3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Verklaart het onder
3 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar, en
ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest, waaronder begrepen de tijd die door de verdachte in Dubai in uitleveringsdetentie, is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: [omschrijving telefoontoestel] , [nummer 2] , Zwart, merk: Apple).
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge, als voorzitter, mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. C.H.M. Royakkers, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 november 2025.