5.2.In dit geval is de termijn voor het maken van bezwaar ingegaan op 19 januari 2021 en geëindigd op 2 maart 2021. Verweerder had het bezwaar vóór deze datum moeten ontvangen, dus uiterlijk op 1 maart 2021, dan wel, indien eiser het stuk uiterlijk op 1 maart 2021 ter post had bezorgd. op 9 maart 2021 (één week na afloop van de bewaartermijn: rekening houdend met het feit, dat PostNL op maandag niet bezorgt).
6. Tot de stukken behoren brieven van verweerder van 6 mei 2021 en 10 juni 2021 waarin eiser de gelegenheid krijgt om aan te geven waarom het bezwaar buiten de termijn is ingesteld. De rechtbank constateert dat eiser verzuimherstel is geboden op straffe van niet-ontvankelijkheid. Zowel in bezwaar als in beroep is hierop geen antwoord van eiser gekomen.
7. Op 15 mei 2021 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder een mailbericht gestuurd en onder meer gevraagd om een afschrift van de envelop waarin hij het bezwaar in die zaak aan verweerder heeft verzonden. Op de zitting heeft eiser aangevuld dat hij altijd binnen 24 uur bezwaar maakt. Wanneer verweerder stelt dat het bezwaar te laat is, moet verweerder door middel van de stempel op de envelop aantonen dat dit zo is. Volgens eiser had verweerder de envelop moeten bewaren, te meer in het geval dat de dagtekening van het poststuk niet overeenkomt met de stempel op de envelop. Eiser verwijst daarbij naar jurisprudentie. Verweerder heeft verklaard de envelop niet te hebben bewaard.
8. Het bezwaarschrift heeft als dagtekening 25 februari 2021. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zijn bezwaren iedere dag ter post bezorgt, dat wil zeggen dat hij op 25 februari 2021 het bezwaar ter post heeft bezorgd. In dat geval zou het bezwaarschrift dan uiterlijk op 4 maart 2021 door verweerder moeten zijn ontvangen. Gelet op de datumstempel van verweerder op het bezwaarschrift, gaat de rechtbank echter uit van de ontvangstdatum van 24 maart 2021. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van de datumstempel te twijfelen. Eiser heeft afgezien van zijn verklaring ter zitting op niets kunnen wijzen, dat bevestigt, dat het bezwaar op 25 februari ter post is bezorgd. De rechtbank gaat er vanuit dat het stuk kort na ontvangst door verweerder is voorzien van een datumstempel. Voor de hand liggende alternatieve verklaringen voor de discrepantie tussen dagtekening (25 februari 2021) en datumstempel (24 maart 2021) zijn, dat het bezwaar weken na de verzending door PostNL bij verweerder is bezorgd of dat verweerder het bezwaar weken heeft laten liggen totdat de datumstempel is aangebracht. De rechtbank acht die verklaringen minder aannemelijk dan een onjuistheid in de dagtekening van het bezwaar. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat het haar ambtshalve bekend is dat de gemachtigde van eiser in een groot aantal zaken met vergelijkbare discrepanties tussen dagtekening en datumstempel kampt en dat naar het oordeel van de rechtbank van verweerder niet kan worden gevergd de enveloppen van deze gemachtigde te bewaren omdat het — zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd — niet goed mogelijk is, althans alleen tegen hoge kosten uitvoerbaar om hetzij de enveloppen van deze gemachtigde te selecteren en te bewaren hetzij in eerste instantie alle enveloppen te bewaren (en vervolgens in ieder geval die van deze gemachtigde te behouden). De jurisprudentieverwijzingen van eiser maken dit ook niet anders, nu deze betrekking hebben op situaties die niet vergelijkbaar zijn met onderhavige zaak.
9. Nu het bezwaarschrift op 24 maart 2021 door verweerder is ontvangen, is dit niet binnen een week na afloop van de bezwaartermijn en dus niet tijdig. Redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten zijn niet gebleken. Verweerder heeft liet bezwaar van eiser daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt hierdoor niet meer toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep.
(…)”