De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, wegens zware mishandeling van het slachtoffer door een glas tegen diens gezicht te slaan, wat ernstig en mogelijk blijvend letsel veroorzaakte.
In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring maar vernietigde de strafoplegging en de beslissing over de schadevergoeding, omdat de verdachte een volledige regeling met het slachtoffer had getroffen en de gevorderde schadevergoeding had voldaan. Het slachtoffer gaf aan geen gevangenisstraf te wensen.
Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn spijtbetuiging, het stoppen met alcoholgebruik en het feit dat hij sinds het incident geen justitiecontacten meer had. Gezien het tijdsverloop en de omstandigheden legde het hof een gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest van drie dagen en een taakstraf van 200 uren.
De redelijke termijn was in eerste aanleg met circa 19 maanden overschreden, wat het hof meenam in de strafvermindering. De vordering tot schadevergoeding werd niet meer behandeld vanwege de regeling tussen partijen.
Het arrest werd gewezen door het hof Den Haag op 25 februari 2025, waarbij een lid van het hof het arrest niet kon ondertekenen.