ECLI:NL:GHDHA:2025:2345

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.341.731/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over betaling van facturen voor liftinstallatiewerkzaamheden tussen L-Max Europe SE en Schindler Liften B.V.

In deze zaak heeft L-Max Europe SE (hierna: L-Max) hoger beroep ingesteld tegen Schindler Liften B.V. (hierna: Schindler) over de betaling van facturen voor liftinstallatiewerkzaamheden. L-Max heeft in het verleden werkzaamheden uitgevoerd voor Schindler en vordert betaling van een totaalbedrag van € 482.956,-. De rechtbank heeft Schindler veroordeeld tot betaling van € 168.669,-, maar de overige vorderingen zijn afgewezen. L-Max heeft in hoger beroep de vernietiging van het vonnis van de rechtbank gevorderd en volledige toewijzing van haar vordering.

Het hof heeft de procedure in hoger beroep beoordeeld en vastgesteld dat de partijen in verschillende landen zijn gevestigd, waardoor de internationale bevoegdheid van de rechtbank terecht is aangenomen. Het hof heeft ook vastgesteld dat de raamovereenkomst tussen partijen van toepassing is, waarin de voorwaarden voor betaling zijn vastgelegd. Het hof heeft de bewijsopdracht aan L-Max gegeven voor de facturen die niet zijn toegewezen, en heeft de verweren van Schindler, zoals verjaring en vorderingsgerechtigdheid, verworpen. Het hof heeft de feiten en omstandigheden rondom de uitvoering van de werkzaamheden en de bijbehorende facturen beoordeeld en geconcludeerd dat L-Max bewijs moet leveren van de aanvang en voltooiing van de werkzaamheden voor bepaalde facturen. De zaak is aangehouden voor getuigenverhoren om het bewijs te leveren.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.341.731/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/645596 / 23-316
Arrest van 18 november 2025
in de zaak van
L-Max Europe SE,
gevestigd in Praag, Tsjechië,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. C.P.R. Vrakking, kantoorhoudend in Blaricum,
tegen
Schindler Liften B.V.,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.P.E. D’haene, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna L-Max en Schindler.

1.De zaak in het kort

L-Max heeft (lift)installatiewerkzaamheden uitgevoerd voor Schindler, en vordert ter zake betaling van haar facturen. Over een aantal facturen neemt het hof met dit arrest eindbeslissingen. Ten aanzien van de overige facturen geeft het hof L-Max een bewijsopdracht.

2.Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 29 april 2024, waarmee L-Max in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 februari 2024;
  • het arrest van dit hof van 11 juni 2024, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 juli 2024;
  • de memorie van grieven van L-Max, met producties 61-73;
  • de memorie van antwoord tevens grieven in incidenteel appel van Schindler, met producties 4-6;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van L-Max.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
L-Max is een Europese naamloze vennootschap die zich bezighoudt met het installeren en repareren van technische installaties, waaronder liften. De heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is en was in de voor deze zaak relevante periode enig bestuurder en enig aandeelhouder van L-Max.
3.2
Schindler is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het installeren en onderhouden van liften.
3.3
[bestuurder] en Schindler hebben op 21 september 2010 een raamovereenkomst (hierna: de raamovereenkomst) gesloten op grond waarvan [bestuurder] in onderaanneming liften kon plaatsen en onderhouden op verzoek van Schindler. [bestuurder] voerde destijds een handelsonderneming naar Slowaaks recht. De raamovereenkomst, die (de handelsonderneming van) [bestuurder] als
the Sub-contractoraanduidt, bepaalt voor zover van belang het volgende:
Article 1: Object of the contract
The Sub-contractor undertakes to provide Schindler with certain sub-contracted services.
The object of each specific agreement, hereinafter referred to as “the task”, will be described in the separate purchase order (PO) which will be drawn up for each project and sent by Schindler to the Sub-contractor. (…)
Article 12: Price
By way of consideration to the service provided, Schindler shall pay the sub-contractor a price fixed when each task is requested. This price shall be stated on each purchase order.
The price, which shall become final on acceptance of the purchase order, shall be fixed and unalterable. It may only be changed by a written agreement between parties. It shall be payable as follows:
-
40% at start of each site
-
60% on provisional acceptance, against submission of an invoice validated by the Schindler chief erector after verification of completion of the works.
Invoices shall be payable at thirty (30) days.
(…)
Article 19: Reception
The more diligent party shall request acceptance of the works. (…)
Acceptance of the works performed by the Sub-contractor shall take place on their completion, in the presence of the chief erector.
If minor defects or failings are detected during provisional acceptance, the corresponding details must be mentioned in the provisional acceptance report, together with the date by which they must be remedied. (…)
If major defects or failings are detected during provisional acceptance, it will be refused. Schindler will draw up a report stating the reasons for refusal.”
3.4
[bestuurder] heeft eind november 2016 een veertigtal facturen (hierna ook: de facturen) ten bedrage van in totaal € 482.956,- (zie hierna, 4.2) naar Schindler gestuurd.
3.5
L-Max en [bestuurder] hebben op 1 december 2016 een koopovereenkomst gesloten met als doel de handelsonderneming van [bestuurder] over te dragen aan L-Max.
3.6
Bij brief van 3 januari 2017 aan [bestuurder] heeft de heer L. [naam] , general counsel (hierna: [naam] ), namens Schindler tegen de facturen geprotesteerd en deze retour gezonden.
3.7
Bij brief van 30 januari 2017 heeft de toenmalige advocaat van [bestuurder] een brief gestuurd aan de Belgische Schindler-entiteit ter attentie van [naam] , mede in reactie op diens brief van 3 januari 2017 (namens Schindler), en daarbij aangemaand tot betaling.
3.8
Bij brief van 8 november 2021 heeft de toenmalige advocaat van L-Max Schindler wederom aangemaand tot betaling van de facturen.

4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in hoger beroep

4.1
L-Max heeft Schindler gedagvaard en gevorderd haar te veroordelen tot betaling van € 482.956,- (de totaalsom van de facturen), vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vordering legde L-Max kort gezegd de stelling ten grondslag dat Schindler deze factuurbedragen verschuldigd is in verband met door [bestuurder] voor Schindler verrichte werkzaamheden, en dat [bestuurder] zijn aanspraken ter zake aan L-Max heeft overgedragen in het kader van de bedrijfsoverdracht (hiervoor, 3.5).
4.2
De rechtbank heeft Schindler veroordeeld tot betaling van € 168.669,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2016, en € 2.462,- voor kosten van buitengerechtelijke incasso, met veroordeling van Schindler in de proceskosten, en de vordering voor het overige afgewezen. De toegewezen hoofdsom, ter zake van de facturen, is als volgt opgebouwd:
4.3
In het principaal hoger beroep vordert L-Max vernietiging van het vonnis van de rechtbank, naar het hof begrijpt voor zover daarmee haar vordering is afgewezen, en – in zoverre – alsnog volledige toewijzing van haar vordering, met veroordeling van Schindler in de proceskosten. In het incidenteel hoger beroep vordert Schindler vernietiging van het vonnis van de rechtbank, voor zover daarmee de vordering van L-Max is toegewezen, en alsnog afwijzing daarvan, met veroordeling van L-Max in de proceskosten.

5.Beoordeling in hoger beroep

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht

5.1
Deze procedure draagt een internationaal karakter, omdat de partijen in verschillende landen gevestigd zijn. In de raamovereenkomst is de rechter van de vestigingsplaats van Schindler – Den Haag – als exclusief bevoegde rechter aangewezen. De rechtbank heeft zich daarom terecht internationaal bevoegd geacht (artikel 25 Brussel I bis).
5.2
In eerste aanleg hebben beide partijen in relatie tot hun onderlinge rechtsverhouding verwezen naar wettelijke bepalingen van Nederlands burgerlijk recht, en ook de rechtbank heeft dat gedaan. De rechtbank is aldus – met partijen – impliciet uitgegaan van toepasselijkheid van Nederlands recht. Daartegen hebben partijen geen grieven geformuleerd. Het hof zal daarom ook Nederlands recht toepassen.
5.3
Op de hiervoor in 3.5 vermelde koopovereenkomst, die volgens L-Max tevens strekt tot overdracht van de gestelde vordering op Schindler (zie daarover hierna, 5.5), is intussen – krachtens rechtskeuze – Tsjechisch recht van toepassing. Daarom wordt de vraag of en zo ja wanneer deze gestelde vordering aan L-Max is overgedragen, beheerst door Tsjechisch recht (artikel 14 lid 1 Rome I, vlg. HR 16 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2373 (Brandsma q.q./Hansa Chemie)).
Verweren: geen vorderingsgerechtigdheid, verjaring, rechtsverwerking
5.4
In eerste aanleg heeft Schindler aangevoerd dat (i) L-Max niet vorderingsgerechtigd is omdat [bestuurder] de vordering ter zake de facturen niet rechtsgeldig aan L-Max zou hebben overgedragen, (ii) de vordering is verjaard en (iii) [bestuurder] /L-Max het recht op nakoming heeft verwerkt. De rechtbank heeft deze verweren verworpen. Het hof dient deze verweren opnieuw te beoordelen voor het geval dat – en in zoverre – een of meer grieven in het principaal hoger beroep slagen en dit kan leiden tot toewijzing van enig deel van het gevorderde dat in eerste aanleg is afgewezen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan (hierna, 0 e.v.). Het hof onderschrijft de verwerping van deze verweren door de rechtbank en de gronden die zij daarvoor heeft gegeven (rov. 4.6-4.10, rov. 4.2-4.5 en rov. 4.17-4.18 van het bestreden vonnis), en maakt deze tot de zijne (NB: voor 30 november 2017 in rov. 4.4 moet worden gelezen 30 januari 2017).
5.5
Wat betreft de vorderingsgerechtigdheid geldt dat L-Max in reactie op het desbetreffende verweer van Schindler de stukken heeft overgelegd die volgens Schindler nodig waren – naar Tsjechisch recht – voor een geldige overdracht (aandeelhoudersbesluit en registratiebewijs van de overdrachtsovereenkomst + bijlage 6 daarbij). Schindler heeft niet in reactie daarop betoogd dat de overdracht toch niet geldig was, en het hof ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten, zodat het hof uitgaat van een geldige overdracht. De stukken zijn van latere datum dan de overdrachtsovereenkomst (2 en 24/25 oktober 2023), maar dat neemt dan toch niet weg dat de overdracht in elk geval op de laatste datum – tijdens deze procedure – is voltooid. Het oordeel over de verjaring wordt niet anders indien zou worden aangenomen dat de overdracht van de vordering pas in oktober 2023 is voltooid: dit staat er niet aan in de weg dat de toenmalige advocaat van L-Max de verjaring van de vordering, ook al zou L-Max tot die vordering toen nog niet goederenrechtelijk gerechtigd zijn geweest, heeft gestuit.
Inhoudelijke beoordeling
Uitleg van de overeenkomst
5.6
L-Max maakt aanspraak op betaling voor uitgevoerde opdrachten in het kader van de raamovereenkomst. Artikel 12 van die raamovereenkomst (hiervoor, 3.3) houdt in dat:
de prijs voor de opdracht moet zijn bepaald in een tussen partijen opgemaakte
purchase order(PO)
40% ervan betaalbaar is bij aanvang van de werkzaamheden, en
de resterende 60% ‘
on provisional acceptance, against submission of an invoice validated by the Schindler chief erector after verification of completion of the works’.
5.7
Over de betekenis van
voorwaarde (ii), wanneer de eerste 40% verschuldigd is, bestaat tussen partijen geen verschil van inzicht. Als [bestuurder] is aangevangen met de werkzaamheden, moet de eerste 40% van de overeengekomen aanneemsom worden betaald.
5.8
Wat betreft
voorwaarde (iii)stelt Schindler zich op het standpunt dat de laatste 60% slechts verschuldigd is als de oplevering van de werkzaamheden
schriftelijkakkoord is bevonden door een daartoe binnen Schindler bevoegde persoon. Het hof onderschrijft echter het standpunt van L-Max dat dit niet in de desbetreffende voorwaarde is vermeld en er ook niet in kan worden gelezen. Belangrijker is intussen dat Schindler verplicht was om, telkens wanneer [bestuurder] een aangenomen werk ter oplevering zou aanbieden, die oplevering te aanvaarden, eventueel – indien daarvoor gronden mochten zijn – onder voorwaarden, dan wel – indien daarvoor gronden mochten zijn – te weigeren. Dit ligt besloten in artikel 19 van de raamovereenkomst. Als Schindler mocht bedoelen dat het haar vrijstond om naar believen niet te reageren op aangeboden opleveringen, of deze te weigeren ook wanneer de oplevering aan de opdracht voldeed, en dat zij de resterende 60% van de aanneemsom dan niet zou hoeven te betalen, dan geeft zij een uitleg aan de overeenkomst die niet met de evidente strekking daarvan is te verenigen.
5.9
Wat betreft
voorwaarde (i), het vereiste van een PO waarin de prijs is vastgelegd, geldt het volgende. Opdrachten werden in de praktijk veelal vastgelegd in een schriftelijke PO in een bepaald format. Dat format is volgens de raamovereenkomst echter niet concreet voorgeschreven. Dit betekent dat als een opdracht in voorkomend geval niet in de vorm van een PO volgens dat format, maar op andere wijze, bijvoorbeeld in de vorm van een e-mail is gegeven, evengoed sprake kan zijn geweest van een opdracht (PO) die bij uitvoering aanspraak gaf op betaling.
5.1
Tegen deze achtergrond zal het hof nu de door L-Max opgeëiste facturen beoordelen. Het houdt hierbij de hiervoor in 4.2 gegeven nummering aan.
5.11
Factuur 34: niet toewijsbaar
5.12
De rechtbank heeft de vordering op basis van deze factuur afgewezen omdat haar op basis van de overgelegde stukken niet was gebleken dat [bestuurder] uitvoeringswerkzaamheden heeft verricht of voltooid, dan wel binnen redelijke termijn (i.e.g. binnen zes maanden) na gestelde voltooiing een gereedmelding heeft gedaan (rov. 4.23). L-Max heeft ter zake van deze bevinding van de rechtbank (het ontbreken van stukken waaruit dit e.e.a. zou kunnen blijken) geen grief geformuleerd en zij heeft in het hoger beroep ook niet alsnog ter zake dienende stukken overgelegd. Zij stelt wel in algemene zin – met haar tweede grief – dat het (late) toesturen van een gereedmelding en/of een factuur – zoals in dit geval – los moet worden gezien van de mogelijkheid voor Schindler om het werk te beoordelen. Volgens L-Max werden de werken van [bestuurder] in de praktijk kort na voltooiing van zijn werkzaamheden in gebruik genomen en daarmee door Schindler opgeleverd aan de eindklant, en dat impliceerde dus ook dat Schindler het werk van [bestuurder] naar genoegen had beoordeeld – zo begrijpt het hof L-Max.
5.13
Schindler heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat het voor haar eind 2016, toen zij de gereedmeldingen (
Handover Installation Forms, HOF’s) en de facturen voor werkzaamheden uit de periode 2012-2014 ontving (zoals ook met betrekking tot deze factuur), niet meer mogelijk was om te verifiëren of deze werkzaamheden destijds naar behoren waren verricht en feitelijk door [bestuurder] waren opgeleverd. Zij voert aan dat het onder meer mogelijk was dat het werk weliswaar aan de eindklant was opgeleverd, maar dat het door een ander dan [bestuurder] was afgemaakt. Ze heeft daarvan ook enkele concrete voorbeelden aangeleverd. Feitelijke oplevering aan de eindklant bewijst volgens haar dus niet deugdelijke oplevering door [bestuurder] .
5.14
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in gevallen waarin op basis van overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat [bestuurder] uitvoeringswerkzaamheden heeft verricht of voltooid, dan wel binnen redelijke termijn (i.e.g. binnen zes maanden) na gestelde voltooiing een gereedmelding heeft gedaan, de desbetreffende vordering niet of niet voor de laatste 60% toewijsbaar is. De enkele betwisting door Schindler behoeft gezien dit tijdsverloop dan geen nadere motivering.
5.15
Met betrekking tot factuur 34 blijkt niet van werkzaamheden, voltooiing of gereedmelding binnen redelijke termijn. De vordering op basis van deze factuur is daarom niet toewijsbaar.
Facturen 3-7: niet langer betwist
5.16
Schindler betwist niet langer de verschuldigdheid van deze facturen (en stelt dat zij deze intussen heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke handelsrente conform vonnis). Het hof zal het vonnis op dit punt bekrachtigen.
Facturen 1-2, 8, 13, 17 en 28-31: geheel verschuldigd
5.17
De rechtbank heeft de facturen 8, 13, 17 en 28-31 geheel verschuldigd geoordeeld. Zij oordeelde daartoe dat in deze gevallen uit de overgelegde stukken bleek dat [bestuurder] binnen redelijke termijn na (de gestelde) voltooiing van zijn werkzaamheden, deze ter goedkeuring had aangeboden aan Schindler, en Schindler daarop niet reageerde met een aanvaarding of weigering en dat het stilzitten van Schindler voor haar rekening komt. Deze gereedmeldingen dateerden alle uit de periode 2012-2014. Het hof onderschrijft deze benadering van de rechtbank, met dien verstande dat de brief van [naam] van 3 januari 2017 eventueel wel als weigering tot aanvaarding van de aangeboden opleveringen zou kunnen worden aangemerkt. Dit was dus echter pas circa twee jaar of langer na de gereedmeldingen in kwestie. L-Max heeft in dit geding niet als feitelijke grondslag van haar vordering aangevoerd dat de enkele omstandigheid – in voorkomend geval – dat Schindler niet binnen redelijke termijn op een gereedmelding van [bestuurder] reageerde, (het restant van) de desbetreffende aanneemsom reeds verschuldigd deed zijn (vlg. artikel 7:758 lid 1 BW). Dat neemt evenwel niet weg dat ter zake van de hier bedoelde opdrachten de late en kale betwisting van Schindler, een onvoldoende gemotiveerde betwisting oplevert van de gestelde aanvang van de werkzaamheden en voltooiing door [bestuurder] . Als het eind 2016 voor Schindler vanwege het tijdsverloop sinds de gereedmeldingen niet of alleen maar bezwaarlijk mogelijk was om haar betwisting nader te onderbouwen, dan komt dit voor haar risico.
5.18
Wat betreft factuur 1 geldt het volgende. De PO van deze opdracht dateert van 23 oktober 2013 en vermeldt als installatieperiode 22-30 oktober 2013. Als productie 69 bij memorie van grieven heeft L-Max onder meer een op 21 november 2013 gedateerde HOF met betrekking tot deze opdracht overgelegd, die als datum van voltooiing van het werk 28 oktober 2013 vermeldt. Ook in dit geval heeft [bestuurder] het werk dus binnen redelijke termijn na voltooiing gereed gemeld, zonder dat Schindler daarop (binnen redelijke termijn) reageerde. Ook deze factuur is daarom geheel verschuldigd.
5.19
Wat betreft factuur 2 heeft L-Max een PO en een door Schindler ondertekend proces-verbaal van oplevering en een door haar ondertekende HOF overgelegd. Hiermee is de (deugdelijke) oplevering van de desbetreffende opdracht genoegzaam aangetoond. Deze factuur is dus ook geheel verschuldigd
5.2
De rechtbank heeft Schindler veroordeeld tot betaling van de wettelijke handelsrente over de facturen vanaf 31 december 2016 (ca. 30 dagen na factuurdatum). L-Max heeft tegen die rente-ingangsdatum geen grieven geformuleerd. Schindler wel: zij meent dat zij helemaal geen wettelijke handelsrente hoeft te betalen, of althans niet tot 24 oktober 2024, te weten 30 dagen na het toesturen aan haar van de producties behorende bij de memorie van grieven. Schindler voert hiertoe aan, samengevat, dat [bestuurder] /L-Max er lange tijd over heeft gedaan om stukken over te leggen die een onderbouwing geven voor de gestelde aanvang en/of voltooiing van de werkzaamheden. Dit maakt het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat toch aanspraak zou bestaan op wettelijke handelsrente vanaf 31 december 2016, aldus Schindler.
5.21
Het hof verwerpt dit verweer van Schindler, wat betreft de facturen 8, 13, 17 en 28-31 reeds omdat de beschikbaarstelling van bewijsstukken haar niet tot erkenning en betaling van (de hoofdsom van) de facturen in kwestie heeft gebracht. De – volgens Schindler: late – beschikbaarstelling van de bewijsstukken is dus niet oorzakelijk voor haar weigering om de hoofdsom te betalen. Maar ook los daarvan, en dit geldt ook voor facturen 1-2, is het verweer van Schindler ongegrond. Gegeven de vaststaande voltooiing van de werkzaamheden en gereedmelding daarvan binnen redelijke termijn, komt het voor risico van Schindler als zij daarna in onzekerheid is komen te verkeren over de vraag of de werkzaamheden wel zijn verricht en voltooid, en (dus) moeten worden betaald.
Facturen 10-12, 20 en 27: gedeeltelijk verschuldigd
5.22
Schindler heeft haar eerdere betwisting van de door de rechtbank toegewezen hoofdsommen (facturen 10-12), respectievelijk van de gehele hoofdsom (factuur 20), respectievelijk van de gehele hoofdsom minus € 472,- (factuur 27) laten varen. Deze bedragen zijn reeds daarom toewijsbaar. Schindler betwist wel de rente over deze bedragen, maar vergeefs behoudens over de laatste 60% van factuur 20. Met betrekking tot facturen 10-12 heeft de rechtbank de desbetreffende percentages terecht toegewezen. Hetzelfde geldt voor het rechtbank toegewezen percentage (40%) op factuur 20. Wat betreft factuur 27 heeft L-Max stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat voor deze factuur een vermindering van het factuurbedrag met € 472,- geldt (productie 71, de correspondentie van 12 december 2014). Schindler heeft niet in relatie tot deze facturen concreet toegelicht dat late beschikbaarstelling van stukken door [bestuurder] /L-Max, of anderszins talmen, haar verdere afzien van betwisting heeft vertraagd. Wat betreft factuur 20 blijkt uit de nader door L-Max overgelegde stukken niet dat [bestuurder] de opdracht van deze factuur heeft voltooid. Dit betekent dat het renteverweer van Schindler over het restant van deze factuur (de laatste 60%) slaagt.
5.23
De grieven van L-Max met betrekking tot facturen 10-12 zijn ongegrond. Met betrekking tot facturen 10 en 12 heeft L-Max als producties 70 en 72 bij de memorie van grieven een aantal e-mails en andere stukken overgelegd maar daaruit valt, zonder toelichting – die ontbreekt –, niet af te leiden dat het werk is voltooid of binnen redelijke termijn na de gestelde voltooiing als gereed is aangemeld. De eerste pagina van productie 70 vermeldt verder nog als toelichting op het ontbreken van een HOF ‘we did not finished lift’. De overige grieven van L-Max falen ook in relatie tot deze facturen (vgl. hiervoor, 5.12-5.14). Wat betreft factuur 27 heeft L-Max zelf stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat voor deze factuur een vermindering van het factuurbedrag met € 472,- geldt. Voor dat bedrag is de factuur niet toewijsbaar, wel voor het overige (vlg. ook hiervoor,5.22).
5.24
Het voorgaande betekent dat het oordeel van de rechtbank wat betreft facturen 10-12 in stand blijft, dat op factuur 20 ook de laatste 60% wordt toegewezen maar zonder wettelijke rente, en dat factuur 27 volledig wordt toegewezen (voor zover niet reeds door de rechtbank toegewezen) behoudens een korting van € 472,- (en de rente over dat bedrag).
Facturen 9, 14-16, 18-19, 21-26, 32-33 en 35-40: gedeeltelijk toewijsbaar, voor het overige bewijsopdracht
5.25
Voor zover de rechtbank de vordering op basis van deze facturen heeft toegewezen, blijft het vonnis in stand; Schindler heeft tegen deze toewijzing geen grieven geformuleerd. Ook factuur 35 is voor in ieder geval 40% toewijsbaar, omdat Schindler haar verweer voor dat deel heeft laten varen.
5.26
Verder geldt het volgende. Ten betoge dat [bestuurder] de opdrachten onder facturen 9, 14-16, 18-19, 21-26, 32-33 en 35-39 (is aangevangen en) heeft voltooid, heeft L-Max bij memorie van grieven schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van drie voormalig supervisors van Schindler: de heren [supervisor 1] , [supervisor 2] en [supervisor 3] . Deze supervisors verklaren kort gezegd dat [bestuurder] bepaalde opdrachten heeft aangenomen en voltooid. Deze verklaringen zien specifiek op (Sales Order (SO)-nummers die zijn vermeld op) facturen 9, 14-16, 18-19, 21-26, 32-33 en 35-39. Schindler trekt de betrouwbaarheid van deze getuigen(verklaringen) in twijfel, onder meer omdat de verklaringen betrekking hebben op zo’n ver verleden, en slechts L-Max (en niet zijzelf) bij het proces dat leidde tot het opstellen ervan, betrokken is geweest. Gelet op dit verweer van Schindler, is naar het oordeel van het hof met deze schriftelijke verklaringen nog niet bewezen dat de desbetreffende werkzaamheden naar genoegen door [bestuurder] zijn (aangevangen en) voltooid, ook niet in combinatie met de overige bewijsstukken. Het hof zal L-Max bewijs opdragen van de door haar gestelde (aanvang en) voltooiing van de werkzaamheden met betrekking tot deze opdrachten.
5.27
Met betrekking tot factuur 9 merkt het hof het volgende op. Aan deze factuur ligt geen PO (volgens het gebruikelijke format) ten grondslag. Wel heeft L-Max een e-mail van [supervisor 3] van 21 mei 2014 overgelegd, als onderdeel van correspondentie die op 14 mei 2014 begint, waarin deze [supervisor 3] aan [bestuurder] schrijft: “We will send you a PO number and confirm the job”. Schindler heeft niet aangevoerd dat [supervisor 3] niet bevoegd was om namens Schindler deze toezegging te doen of om de opdracht te geven. Bij deze stand van zaken is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de opdracht, namens Schindler, is gegeven. Dat geen PO is verstrekt, zoals Schindler heeft aangevoerd, doet daaraan niet af (zie hiervoor, 5.9). Intussen roept de schriftelijke verklaring van [supervisor 3] wel vragen op, in verband met het volgende. [supervisor 3] verklaart onder meer dat [bestuurder] de opdracht met Comm.nr. 10662604 heeft afgerond. Dat nummer is hetzelfde als het SO-nummer op factuur 9 (en ook hetzelfde als wat als Purchase Order number is vermeld, maar dat komt, zo neemt het hof aan, omdat juist geen (ander) PO-nummer was gegeven). Van de hiervoor bedoelde correspondentie tussen [bestuurder] en [supervisor 3] vanaf 14 mei 2014 maakt ook deel uit een pdf-bestand met datzelfde nummer 10662604 in de bestandsnaam (het bestand zelf is niet overgelegd). Als productie 7 in eerste aanleg heeft Schindler echter correspondentie overgelegd waarin een opdracht tot installatie van zeven installaties is gegeven aan een andere firma, HoistTec, waaronder met betrekking tot datzelfde (lift)nummer 10662604. Deze correspondentie en de desbetreffende opdrachtbevestiging zijn van vóór de correspondentie met [bestuurder] , maar de factuur van HoistTec met betrekking tot nummer 10662604 is van daarna. Dit maakt onduidelijk wie nou de opdracht met betrekking tot dit (lift)nummer feitelijk heeft uitgevoerd.
5.28
Met betrekking tot factuur 19 heeft Schindler zich op het standpunt gesteld dat [supervisor 1] hierover heeft opgemerkt dat hij zich niet kan herinneren wat [bestuurder] aan de desbetreffende liftinstallatie zou hebben gedaan. Deze stelling kan het hof niet volgen. [supervisor 1] heeft in zijn schriftelijke verklaring vermeld dat [bestuurder] niet is gestart met nummers 10764340 en 10764343, dat hij zich niet kan herinneren wat [bestuurder] dan met betrekking tot deze twee liften heeft gedaan, en dat hij deze twee liften met zijn eigen installateurs heeft gedaan. Factuur 19 refereert niet aan deze nummers (maar aan andere Comm-/SO-nummers). Factuur 20 refereert wel aan die Comm-/SO-nummers. Schindler heeft echter haar eerdere verweer op de verschuldigdheid van (de hoofdsom van) deze factuur laten varen (hiervoor,
Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.)
5.29
Voor factuur 40 heeft L-Max geen opdrachtbevestiging overgelegd. Wel is bewijs overgelegd dat werkzaamheden zijn verricht voor dit project (productie 68 bij memorie van grieven), en ook correspondentie waarin Schindler een formele (eerder al telefonisch doorgegeven) prijsopgaaf vroeg van [bestuurder] . Dit speelde in 2014; de HOF en de factuur dateren uit november 2016. Hier is onvoldoende duidelijk dat (en welke) opdracht is gegeven. Niet alleen de gestelde voltooiing van de werkzaamheden moet worden bewezen, maar ook de onderliggende opdracht. Het hof zal L-Max in de gelegenheid stellen ook dit te bewijzen.
Conclusie
5.3
Het hof zal L-Max opdragen om het hiervoor bedoelde bewijs te leveren. Als L-Max getuigen wil laten horen zal het getuigenverhoor worden afgenomen door mr. Frieling, die het hof als raadsheer-commissaris zal benoemen.
5.31
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6.Beslissing

Het hof:
  • draagt L-Max bewijs op van haar stelling dat:
  • bepaalt dat als L-Max getuigen wil laten horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een van de zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 in Den Haag op
  • benoemt mr. J.W. Frieling als raadsheer-commissaris, die de getuigenverhoren zal afnemen;
  • bepaalt dat de raadsheer-commissaris (in beginsel een keer) een nieuwe datum voor het getuigenverhoor zal vaststellen als een van beide partijen dit
  • wijst L-Max op de eerste zin van artikel 170 lid 1 Rv: “
  • bepaalt dat als L-Max het bewijs wil leveren (mede) door bescheiden, zij deze stukken, voorzien van een deugdelijke toelichting, uiterlijk vier weken voorafgaand aan het getuigenverhoor aan het hof en aan Schindler dient toe te zenden;
  • deelt mee dat het hof al beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, zodat het niet nodig is dit voor een getuigenverhoor nog een keer over te leggen;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. R.S. van Coevorden en mr. G.B. Plomp en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.