In deze civiele procedure in hoger beroep staat de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige centraal. De man betwist de ingangsdatum en de omvang van de zorgkorting die de rechtbank heeft vastgesteld. Het hof bevestigt dat de alimentatie ingaat op 7 februari 2024, de datum van het verweerschrift van de vrouw, omdat de man vanaf dat moment rekening kon houden met de onderhoudsverplichting.
De man stelde dat hij kosten voor de minderjarige heeft betaald en deze in mindering mocht brengen op de alimentatie, maar het hof oordeelt dat dit niet mogelijk is zonder nadere afspraken. De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft, draagt immers alle verblijfsoverstijgende kosten. Ook de zorgkorting blijft ongewijzigd op 5%, omdat de man weinig contact met het kind heeft (minder dan één dag per week) en het betalen van kosten niet relevant is voor de zorgkorting.
De vrouw is niet verschenen, maar het hof heeft het geding behandeld met de aanwezige partijen. De proceskosten worden in hoger beroep gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de man wordt afgewezen.