In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 29 oktober 2025 een hersteluitspraak gedaan ter correctie van een kennelijke fout in het dictum van de uitspraak van 30 september 2025. De fout betrof een onjuist bedrag aan griffierecht dat aan belanghebbende moest worden vergoed, waarbij € 138 ten onrechte werd genoemd in plaats van het correcte bedrag van € 136.
Het Hof heeft het dictum aangepast en het juiste griffierechtbedrag vastgesteld. Tevens bevestigde het Hof de eerdere beslissingen, waaronder de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, behoudens de toekenning van proceskosten en griffierecht, en de vernietiging van de uitspraken op bezwaar. Daarnaast werd de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.343 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.591. De aanslag Zorgverzekeringswet (Zvw) 2017 werd eveneens vernietigd.
Verder werd de vergrijpboete verminderd tot € 3.245. Het Hof veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende, waaronder een immateriële schadevergoeding van € 500 en een proceskostenvergoeding van € 907. De uitspraak werd in het openbaar gedaan en in Mijn Rechtspraak geplaatst.