AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herstelbeschikking ter aanvulling dictum beschikking familierechtelijke zaak
Het Gerechtshof Den Haag heeft op 1 oktober 2025 een herstelbeschikking uitgesproken in een hoger beroep in een familierechtelijke zaak. Deze herstelbeschikking betreft een aanvulling op het dictum van een eerdere beschikking van 2 april 2025. Het hof constateerde ambtshalve dat een belangrijke passage ontbrak in het dictum, namelijk dat de griffier wordt opgedragen een afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente, mits er geen cassatie is ingesteld.
Het hof heeft partijen bij brief geïnformeerd over het voornemen tot herstel en hen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Zowel de bijzondere curator als de verweerder hebben per e-mail verklaard geen bezwaar te hebben tegen het herstel. Andere partijen hebben niet gereageerd binnen de gestelde termijn.
Op grond van artikel 31 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft het hof geoordeeld dat sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Daarom is het dictum van de beschikking van 2 april 2025 aangevuld met de ontbrekende passage. Tevens zijn nadere bepalingen opgenomen over de afgifte van authentieke afschriften en de inlevering van eerder verstrekte executoriale afschriften.
De herstelbeschikking handhaaft de beschikking van 2 april 2025 voor het overige en is uitgesproken in het openbaar door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag, bijgestaan door de griffier.
Uitkomst: Het hof heeft ambtshalve het dictum van de beschikking van 2 april 2025 hersteld door een ontbrekende passage toe te voegen en de rest van de beschikking gehandhaafd.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.318.696/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 20-8151
zaaknummer rechtbank : C/09/602694
beschikking van de meervoudige kamer van 1 oktober 2025
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
en
[appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: [appellant 2] ,
advocaat mr. F. Arslan te Den Haag;
tegen
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: verweerder,
advocaat mr. K. Moene te Den Haag.
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
(1) [de bijzondere curator] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
in de hoedanigheid van bijzondere curator over de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige] ,
hierna te noemen: de bijzondere curator;
(2) de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag,
zetelend te Den Haag,
hierna te noemen: de ambtenaar.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
1. Ambtshalve beslissing ex artikel 31 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
1.1
Het hof heeft in de zaak met voormeld zaaknummer op 2 april 2025 een beschikking gegeven.
1.2
Het hof heeft ambtshalve geconstateerd dat het in deze beschikking heeft nagelaten de volgende passage in zijn dictum op te nemen:
“ draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen cassatie is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente;”
1.3
Bij brief van 21 augustus 2025 heeft het hof partijen geïnformeerd over zijn voornemen deze omissie te herstellen middels een herstelbeschikking en in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
1.4
Bij e-mailbericht van 2 september 2025 heeft de bijzondere curator verklaard geen bezwaar te hebben tegen het voorgenomen herstel.
1.5
Bij e-mailbericht van 3 september heeft mr. K. Moene namens de verweerder ook verklaard geen bezwaar daartegen te hebben.
1.6
Binnen de daarvoor gestelde termijn is geen reactie van de overige partijen ingekomen.
1.7
Op grond van artikel 31 RvPro verbetert de rechter op een verzoek van een partij dan wel ambtshalve kennelijke rekenfouten, schrijffouten of andere kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Het hof zal daarom overgaan tot het herstel van de beschikking van 2 april 2025 door het dictum aan te vullen met de schuingedrukte passage uit overweging 1.2.
1.8
Dit leidt tot de volgende beslissing.
2. De beslissing
Het hof:
wijzigt de beschikking van 2 april 2025, in die zin dat het dictum als volgt wordt aangevuld:
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en indien daartegen geen cassatie is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente;
bepaalt dat deze verbetering met vermelding van de dag van deze uitspraak op de minuut van voornoemde beschikking wordt gesteld;
beveelt afgifte van de met inachtneming van deze beslissing verbeterde authentieke afschriften van de voornoemde beschikking;
bepaalt dat partijen de eerder verstrekte afschriften, opgemaakt in executoriale vorm, binnen twee weken na heden aan de griffier doen toekomen;
handhaaft de beschikking van 2 april 2025 voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Zonneveld, E.B.J. van Elden en P.C. van den Brink, bijgestaan door mr. R.E. Jonkhoff als griffier en is op 1 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.