ECLI:NL:GHDHA:2025:2050
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof wijst zaak terug wegens schending recht op tweedegraadsberechting door OM
In deze strafzaak tegen de verdachte is het hof geconfronteerd met een procedurele tekortkoming die het recht op een eerlijk proces aantast. De raadsman had zich kort na de aanhouding bij het openbaar ministerie gemeld en verzocht om op de hoogte te worden gehouden van het verdere verloop van de zaak. Het openbaar ministerie heeft echter nagelaten deze informatie te verstrekken, waardoor de raadsman en verdachte niet tijdig op de hoogte waren van de inhoudelijke behandeling bij de politierechter.
De dagvaarding werd verzonden naar een postadres van de gemeente, dat niet het feitelijke woonadres van de verdachte betrof, en de raadsman ontving geen afschrift of kennisgeving van de zitting. Hierdoor was het voor de raadsman onmogelijk om zich bij de rechtbank te stellen en de verdediging adequaat te voeren.
Het hof oordeelt dat hierdoor het recht op berechting in twee feitelijke instanties is geschonden en dat de politierechter ten onrechte aan de inhoudelijke behandeling heeft mogen toekomen. Op grond van artikel 423, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, wordt het vonnis vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar de politierechter in de rechtbank Rotterdam voor een nieuwe behandeling.
Deze beslissing benadrukt het belang van correcte communicatie van het openbaar ministerie met de verdediging en het waarborgen van het recht op een eerlijk proces, inclusief het recht op tweedegraadsberechting.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de politierechter wegens schending van het recht op tweedegraadsberechting.