ECLI:NL:GHDHA:2025:1981

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
24 september 2025
Zaaknummer
K24/220145
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 66 SrArt. 261 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beklag wegens overschrijding wettelijke klachttermijn bij smaadzaak

In deze zaak heeft klager een beklag ingediend tegen het besluit van de officier van justitie om geen vervolging in te stellen wegens smaad. De klacht betreft een passage in een biografie waarin beklaagde wordt geciteerd over een verkrachting op haar vijftiende, waarvan klager stelt dat deze beschuldiging onjuist is en zijn eer en goede naam aantast.

De officier van justitie seponeerde de zaak wegens gebrek aan bewijs, omdat niet voldaan werd aan de vereisten van smaad volgens artikel 261 Sr Pro. Klager kon zich niet verenigen met deze beslissing en diende een beklag in. Tijdens de raadkamerprocedure zijn zowel klager als beklaagde gehoord en heeft de advocaat-generaal geadviseerd het beklag af te wijzen.

Het hof overweegt dat klager in april 2023 volledig op de hoogte was van de uitlatingen in het boek en dat de klacht binnen drie maanden na die datum had moeten worden ingediend. Aangezien de klacht pas in december 2023 werd ingediend, is de wettelijke termijn ruimschoots overschreden. Hierdoor is vervolging niet mogelijk en wijst het hof het beklag af zonder inhoudelijke beoordeling van de klacht.

Uitkomst: Het beklag wordt afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke klachttermijn, waardoor vervolging niet mogelijk is.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING
gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[naam klager],
klager
,
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda.

1.Het beklag

Het klaagschrift (met bijlagen) is op 19 april 2024 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Den Haag om
[naam beklaagde], beklaagde, niet te vervolgen voor smaad.
Voor het verloop van de procedure en hetgeen eerder in deze zaak is voorgevallen verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 24 maart 2025 met bijbehorend proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 19 februari 2025, waar klager en zijn raadsman zijn gehoord.

2.Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 26 september 2024 heeft de advocaat-generaal het hof geadviseerd het beklag af te wijzen.

3.De stukken betreffende het beklag

Het hof heeft, behalve van de reeds genoemde stukken, onder meer kennisgenomen van de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal.

4.De feiten en standpunten

In het boek “[titel boek]”, wordt het verhaal van het leven van [beklaagde] beschreven door [naam auteur]. In deze biografie worden door de auteur uit de mond van [beklaagde] feiten en
belevingen opgetekend zoals zij heeft aangegeven deze te hebben meegemaakt. In het boek (op de pagina’s 32 tot en met 38) wordt beschreven dat beklaagde op haar vijftiende is verkracht door een “ex-bajesklant”.
Klager verklaart in de aangifte – kort weergegeven – dat hij direct na de publicatie van het boek en de mediaophef daaromheen wist dat dit over hem ging en verklaart dat - nu helemaal geen sprake is geweest van verkrachting, maar van vrijwillige sex, die in de zomer van 2010 heeft plaatsgevonden - zijn eer en goede naam door beklaagde zijn aangetast doordat hij als verkrachter wordt neergezet met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven.
De officier van justitie heeft de zaak geseponeerd, wegens gebrek aan bewijs, omdat niet is voldaan aan de vereisten van smaad(schrift) in de zin van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Klager stelt zich in het klaagschrift op grond van de daarin genoemde feiten en omstandigheden op het standpunt dat hij zich niet kan verenigen met de beslissing van het openbaar ministerie om geen (verdere) vervolging in te stellen. Klager stelt dat de beschuldiging van beklaagde heeft plaatsgevonden met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Hij stelt voorts dat het openbaar ministerie heeft miskend dat alleen klager zichzelf herkent als degene die beklaagde in haar boek en mediaoptredens ervan beschuldigt haar te hebben verkracht. Hoewel zij daarbij niet de naam van klager heeft genoemd, zijn in het boek en diverse mediaoptredens/interviews diverse overige gegevens vermeld waarmee de identiteit van klager eenvoudig te achterhalen is. Klager is ook daadwerkelijk door een brede kring van personen aangesproken op de onderhavige beschuldiging.

5.De behandeling in raadkamer

De meervoudige beklagkamer heeft – na aanhouding van het onderzoek ter zitting in raadkamer van 19 februari 2025, waar klager en zijn raadsman zijn gehoord - op 3 september 2025 het klaagschrift in raadkamer (verder) behandeld.
Klager en zijn raadsman zijn verschenen.
Beklaagde en haar raadsman mr. S.M. Diekstra, advocaat te Leiden, zijn – buiten aanwezigheid van klager en zijn raadsman - gehoord.
De advocaat-generaal mr. F.P. Holthuis heeft in raadkamer
- overeenkomstig het eerdere schriftelijke verslag – geadviseerd tot afwijzing van het beklag.

6.De beoordeling van het beklag

Ter zitting in raadkamer heeft de raadsman van beklaagde – overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities – bepleit dat het openbaar ministerie na een beslissing tot vervolging niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte zal zijn, nu er niet voldaan is aan het wettelijk vereiste dat binnen drie maanden na het bekend worden van het misdrijf klacht is gedaan door klager.
Het hof stelt – conform het standpunt van de raadsman van beklaagde - vast dat de klachten van klager
nietvolgens artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zijn ingediend binnen drie maanden nadat klager kennis had genomen van de uitlatingen.
Blijkens het dossier was klager immers in april 2023 in volle omvang op de hoogte van de betekenis van hetgeen beklaagde via voornoemde auteur in haar boek had beschreven. Het had daarom op de weg van klager gelegen om binnen drie maanden nadien aangifte te doen. Nu klager in december 2023 aangifte heeft gedaan en een klacht heeft ingediend, is deze termijn ruimschoots overschreden en stuit een eventuele vervolging daarop af.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beklag om die reden dient te worden afgewezen en het hof niet meer toekomt aan een verdere inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift.

7.De beslissing

Het hof:
Wijst het beklag af.
Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 24 september 2025 door mr. H.C. Plugge, voorzitter, mr. O.M. Harms en mr. A.M. Hol, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Eekeres, griffier, en is bij ontstentenis van de griffier enkel ondertekend door de voorzitter.