ECLI:NL:GHDHA:2025:1748
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- M.A.J. van de Kar
- Th.W.H.E. Schmitz
- A.E. Mos-Verstraten
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dwang bij seksuele handelingen in 2018
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het onder dwang verrichten van seksuele handelingen in juni 2018, ten laste gelegd onder artikel 242 (oud) Sr. De rechtbank had hem veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf, maar het hof heeft dit vonnis vernietigd en verdachte vrijgesproken.
Het hof oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte de seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer heeft veroorzaakt met dwang. De verklaringen van het slachtoffer waren op onderdelen wisselend en onvoldoende ondersteund door ander bewijs. Ook het chatverkeer en de emotionele uitingen van het slachtoffer boden onvoldoende overtuiging.
De verdachte erkende seksuele handelingen, maar ontkende dwang. Het hof vond dat het bewijs niet voldeed aan de hoge eisen van artikel 342 Sv Pro, dat niet alleen op de verklaring van het slachtoffer kan worden gegrond. Gezien de twijfel sprak het hof verdachte vrij en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van dwang bij seksuele handelingen.