ECLI:NL:GHDHA:2025:1747
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- M.A.J. van de Kar
- Th.W.H.E. Schmitz
- A.E. Mos-Verstraten
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dwang bij seksuele handelingen in 2018
In hoger beroep tegen een veroordeling tot 22 maanden gevangenisstraf wegens dwang bij seksuele handelingen in juni 2018 te Alphen aan den Rijn, heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en verdachte vrijgesproken. De tenlastelegging betrof het onder dwang verrichten van seksuele handelingen, waaronder penetratie, waarbij het slachtoffer aangaf 'nee' te hebben gezegd en onder invloed van alcohol te zijn geweest.
Het hof oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte opzettelijk dwang heeft uitgeoefend. De verklaringen van het slachtoffer vertoonden aanzienlijke inconsistenties en het bewijs werd niet voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Ook de emotionele reacties van het slachtoffer en chatberichten kort na het incident boden onvoldoende steun voor de stelling van dwang.
De verdachte erkende seksuele handelingen, maar ontkende dwang. Het hof vond dat de fysieke handelingen niet van dien aard waren dat daaruit dwang kon worden afgeleid en dat het bewijs niet voldeed aan de vereisten van artikel 342 Sv Pro. Daarom sprak het hof verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Deze uitspraak benadrukt het belang van voldoende en consistent bewijs bij het vaststellen van dwang in seksuele delicten en de zorgvuldigheid die vereist is bij beoordeling van verklaringen en ondersteunend bewijs.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van dwang bij seksuele handelingen.