ECLI:NL:GHDHA:2025:1731
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing voorlopige hechtenis ten behoeve van executie onherroepelijke gevangenisstraf
De verdachte is sinds 30 maart 2023 in voorlopige hechtenis en is door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens gewoontewitwassen. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld door zowel verdachte als officier van justitie. De officier van justitie eist een hogere straf van zeven jaar.
De verdachte verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis om het restant van een eerdere onherroepelijke gevangenisstraf van 859 dagen uit te zitten. De verdediging stelde dat het uitzitten van deze straf een alternatief is voor voorlopige hechtenis en dat voorlopige hechtenis als ultimum remedium moet worden toegepast.
Het hof overweegt dat de executie van straffen en de volgorde daarvan primair tot het domein van de minister van rechtsbescherming behoort. De huidige voorlopige hechtenis is gebaseerd op artikel 5 lid 1 sub a EVRM Pro en de rechter moet in hoger beroep beoordelen of de voorlopige hechtenis noodzakelijk is. Het verzoek tot schorsing beoogt echter niet het afwachten van berechting in vrijheid maar een afwijking van de executievolgorde.
Het hof concludeert dat het belang van strafvordering zwaarder weegt dan het belang van de verdachte, mede gelet op de nog volledig geldende gronden voor voorlopige hechtenis en de aanzienlijke opgelegde gevangenisstraf. Praktische bezwaren en risico’s verbonden aan schorsing ten behoeve van executie spelen ook een rol. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
Het onderzoek wordt geschorst tot een nader te bepalen zitting binnen drie maanden, maar niet eerder dan een maand na heden, vanwege een nog te houden regiebehandeling. De verdachte en zijn raadsman worden opgeroepen voor die zitting.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.