ECLI:NL:GHDHA:2025:1584

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
13 augustus 2025
Zaaknummer
22-000912-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 328 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende vooringenomenheid

In de strafzaak tegen de verdachte stond op 17 juli 2025 een terechtzitting gepland bij de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Den Haag. Voorafgaand aan deze zitting verzocht de verdachte via meerdere e-mails om het horen van getuigen en het toevoegen van stukken aan het dossier. De griffier informeerde de verdachte dat dergelijke verzoeken formeel tijdens de zitting moeten worden ingediend, zodat de verdachte deze kan toelichten.

De verdachte diende daarop op 14 juli 2025 een schriftelijk wrakingsverzoek in tegen de drie raadsheren die de strafzaak behandelden. Het verzoek was gebaseerd op de vermeende beslissing van de strafkamer om geen getuigen te horen en geen stukken toe te voegen, wat volgens de verdachte wijst op vooringenomenheid.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek zonder zitting en oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond was. De mededeling van de griffier dat verzoeken formeel op zitting moeten worden ingediend, kon niet worden opgevat als een beslissing of als blijk van vooringenomenheid. Er was geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die de onpartijdigheid van de rechters in twijfel kon trekken.

Daarom wees het hof het wrakingsverzoek af en bepaalde dat een afschrift van deze beslissing aan de verdachte, de raadsheren en de advocaat-generaal zou worden toegezonden. De beslissing werd op 6 augustus 2025 genomen door de genoemde raadsheren in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.356.898/01
Rolnummer hoofdzaak : 22-000912-24
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna: [verzoeker],
strekkende tot de wraking van mr. H.A.G. Nijman, mr. B. Stapert en mr. V.M. de Winkel.

Het geding en de feiten

1. In de strafzaak tegen [verzoeker] onder genoemd rolnummer stond op 17 juli 2025 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer met voornoemde raadsheren gepland.
2. Voorafgaand aan de terechtzitting heeft [verzoeker] middels meerdere e-mailberichten de strafkamer verzocht om getuigen te horen en stukken aan het dossier te voegen.
3. Bij e-mail van 14 juli 2025 heeft de griffier [verzoeker] bericht dat dergelijke verzoeken formeel op zitting dienen te worden ingediend en dat het om die reden van belang is dat [verzoeker] op de terechtzitting aanwezig is en zijn verzoeken van een toelichting kan voorzien.
4. Na voornoemd e-mailbericht van de griffier heeft [verzoeker] diezelfde dag, op 14 juli 2025, een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan en aanvullende informatie omtrent het wrakingsverzoek ingediend.
5. De raadsheren hebben in een e-mailbericht van 15 juli 2025 laten weten niet in de wraking te berusten.

Het wrakingsverzoek

6. Het wrakingsverzoek is er op gebaseerd dat er geen verhoren van getuigen plaatsvinden en dat [verzoeker] geen kans wordt geboden om bewijs en documentatie in het dossier te voegen.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

7. De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking, zonder behandeling ter zitting, met toepassing van artikel 4 lid Pro 2, onder a. van het Wrakingsprotocol van het Gerechtshof Den Haag aanstonds af, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. De wrakingskamer heeft hiervoor de volgende argumenten.
8. Ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. De rechter wordt volgens vaste jurisprudentie uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die
een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij
een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
9. De wrakingskamer constateert dat [verzoeker] zijn wrakingsverzoek uitsluitend heeft gebaseerd op een vermeende beslissing van de strafkamer om geen getuigen op te roepen en evenmin stukken aan het dossier toe te voegen. Uit het e-mailbericht van de griffier blijkt echter niet dat een zodanige beslissing is genomen. Aan [verzoeker] is slechts medegedeeld dat dergelijke verzoeken formeel op de terechtzitting dienen te worden gedaan, hetgeen zijn grondslag vindt in artikel 328 juncto Pro artikel 415 van Pro het Wetboek van Strafvordering en de jurisprudentie van de Hoge Raad (
ECLI:NL:HR:2014:1496, Hoge Raad, 13/00445 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2014:1496)), waaruit volgt dat het hof slechts dan is gehouden een beslissing te geven op verzoeken indien daartoe door of namens de verdachte
ter terechtzittingeen uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan. Voornoemde mededeling van de griffier aan [verzoeker] kan dan ook niet worden opgevat als blijk van vooringenomenheid van de betreffende raadsheren in vorenbedoelde zin. Een beslissing op de verzoeken is immers nog niet genomen.
10. Naar het oordeel van de wrakingskamer is geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de genoemde raadsheren jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek zal derhalve als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 6 augustus 2025 door mr. J.W. van den Hurk, mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville en mr. A.E. Sutorius-van Hees, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Bazuin.
Deze beslissing is getekend door de voorzitter en de griffier.