Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 15 november 2022, waarmee HP in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2022 (hierna: het eindvonnis);
- de dagvaarding van 31 januari 2023, waarmee HP in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2022 (hierna: het tussenvonnis);
- het arrest van dit hof van 13 december 2022, waarin een mondelinge behandeling is gelast in de zaak met zaaknummer 200.319.103/01;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 februari 2023;
- de rolbeslissing van dit hof van 28 februari 2023;
- de akte houdende uitlating en de aanvullende akte houdende uitlating van HP van respectievelijk 14 en 21 maart 2023;
- de antwoordakte van Hegeman van 4 april 2023;
- de memorie van grieven van HP, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van Hegeman, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van HP.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
principaal appel
Grief 1van HP richt zich tegen deze toewijzing.
de fundatie onder de klokkentoren, gaat over de erfgrens heen en komt dus in openbare grond. Dit is niet acceptabel, ook gezien het aanwezige nuts tracé in het openbaar gebied” onderbouwt de stelling van Hegeman dat in het palenplan de DPA-palen te dicht bij de omliggende belendingen en de nutsleidingen waren geplaatst. Hetzelfde geldt voor de constatering van Vroom dat “
de positie van de paal toch aangepast moet worden omdat deze te dicht tegen de bestaande gevel staat”. Het had op de weg van HP gelegen toe te lichten waarom deze citaten genoemde stelling niet onderbouwen. Dat in de e-mail ook optimalisaties worden voorgesteld doet niet af aan de daarin geconstateerde onaanvaardbare posities van de palen.
voor constructies en/of werkwijzen, waarover vooraf tussen opdrachtgever en aannemer overeenstemming is verkregen, draagt de aannemer de volle verantwoordelijkheid, onverminderd hetgeen hieromtrent in het Burgerlijk Wetboek is bepaald” (spreekaantekeningen mr. Sekeris, nr. 2.3). Met aanvaarding van de opdracht heeft Hegeman ook ingestemd met alle tekeningen, waaronder het palenplan, zodat Hegeman geen aanspraak kan maken op bestekswijziging, aldus HP.
grief 2komt HP op tegen het oordeel van de rechtbank (rov 5.8 en 5.9 tussenvonnis en 2.18 eindvonnis) dat HP aansprakelijk is voor vertragingsschade van Hegeman als gevolg van het te laat aanleveren van een deugdelijk afschotplan. Tegen toekenning van de daarmee volgens de rechtbank samenhangende extra steigerkosten van € 1.387,12 is geen grief gericht.
Aannemer loopt op planning drie weken achter. Is vastgelopen op uitwerken dakafschot.” Het hof overweegt dat uit die stellingen, in onderling verband bekeken, volgt dat het moment dat de vertraging die volgens Hegeman heeft geleid tot de latere oplevering, al plaatsgevonden had voordat HP in verzuim raakte. Dit leidt ertoe dat op dit punt geen vergoeding voor vertragingsschade kan worden toegewezen. Grief 2 slaagt dus.
grief 3komt HP op tegen het oordeel van de rechtbank dat HP aansprakelijk is voor vertragingsschade als gevolg van een te late realisatie van de nutsvoorzieningen. Het hof overweegt hierover als volgt.
de maatvoering in het werk en controle op juistheid, compleetheid en maatvoering van de sparingen en de getroffen voorzieningen en het loodrecht zijn van de instortvoorzieningen”. Hegeman heeft daarop gereageerd door aan te voeren dat die aan haar opgedragen coördinatiewerkzaamheden zien op maatvoering in het werk, waaronder sparingen en getroffen (instort)voorzieningen. Zij heeft zich van die verplichtingen gekweten, maar die werkzaamheden hebben niets te maken met het toepassen van een te kleine mantelbuis. HP heeft daar niet meer op gereageerd.
Direct na de bouwvakantie een nutsoverleg inplannen met de nutsbedrijven, Klein Poelhuis en Wolfdikken”. Hegeman verwijst voorts naar de stellingen van HP in eerste aanleg, waaruit volgt dat HP de nutsaanvragen heeft gedaan en de voorschouw heeft gepland. Uit het verslag van bouwvergadering 11 blijkt dat Klein Poelhuis dat uiteindelijk heeft gedaan (in opdracht van HP).
grief 4komt HP op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vertragingen als gevolg van het ontbreken van een deugdelijk afschotplan en die als gevolg van de te late nutsaansluiting bij elkaar heeft opgeteld.
grief 6komt HP op tegen het oordeel van de rechtbank dat HP aansprakelijk is voor schade als gevolg van prijsstijgingen gedurende de vertragingen. Het door de rechtbank toegekende bedrag bedraagt, op basis van twintig weken vertraging, € 55.254,13.
grief 7komt HP op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vertraging(sschade) als gevolg van de latere sloop van de kerk voor rekening van HP komt. Het hof overweegt hierover als volgt.
grief 8komt HP op tegen het oordeel van de rechtbank dat HP vertragingsschade moet vergoeden aan Hegeman omdat HP tekort is geschoten in haar verplichting gegevens met betrekking tot de belasting van de vloeren te verstrekken.
:
grief 5komt HP op tegen dat oordeel.
grief 9voert HP aan dat zij niet direct na de oplevering van fase 1, zonder de reactie van Hegeman af te wachten, COT heeft ingeschakeld. Zij heeft dat pas gedaan nadat Hegeman en haar onderaannemer hadden betwist dat de muurafwerking ondeugdelijk was. HP vordert als schadevergoeding de door haar gemaakte kosten van inschakeling van COT.
grief 12betoogt HP dat de rechtbank ten onrechte vergoeding van door HP aan Klein Poelhuis gedane betalingen heeft afgewezen. Klein Poelhuis was installateur. Het betreft (meerwerk)vergoedingen als gevolg van de uitloop van de werkzaamheden voor de kerk (€ 7.187,-) en kosten van een ploeg van Klein Poelhuis die onverrichterzake naar huis moest omdat de kerkvloer nog gebreken bleek te vertonen (€ 2.423,- en € 1.974,-).
grief 14aan dat de rechtbank ten onrechte vergoeding van de door HP aan Mooiland betaalde schadevergoeding heeft afgewezen. HP heeft Mooiland een bedrag van € 22.080,- betaald als compensatie voor de te late oplevering van Fase 1. HP baseert haar vordering op de stelling dat zij niet heeft bijgedragen aan de late oplevering van Fase 1. Die stelling valt niet te rijmen met wat hierboven is overwogen. Grief 14 slaagt dus niet.
grieven 17 en 18komt HP op tegen die veroordeling.
grief 19gericht tegen haar veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. Zij voert aan, kort samengevat, dat de door Hegeman gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten onder de proceskosten vallen.
eerste griefvan Hegeman betreft de door haar gevorderde vergoeding van vertragingsschade, door haar ook wel als ‘bouwplaatskosten’ aangeduid. Zij vordert, na eiswijzigingen, een bedrag van € 163.066,85, zijnde de door haar opgelopen schade als gevolg van een latere oplevering van fase 1 en een latere sloop in fase 2. Het bedrag van € 95.850,- dat door de rechtbank is toegewezen als bouwplaatskosten, is in de visie van Hegeman te laag.
tweede griefvan Hegeman ziet op de afwijzing door de rechtbank van de gevorderde vergoeding van de kosten van de vaste torenkraan en de kraanmachinist als gevolg van een te late verstrekking van gegevens over de belasting van de vloeren in fase 2. Hegeman heeft aangevoerd dat zij wel kosten heeft gemaakt, en voor de onderbouwing daarvan verwezen naar productie O bij haar akte na tussenvonnis van 18 mei 2022.
.
.
7.Beslissing
- veroordeelt HP om aan Hegeman te betalen € 204.969,40 (btw verlegd) aan openstaande en vervallen facturen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van art. 6:119a BW vanaf de vervaldata van deze facturen tot de dag van volledige betaling, met verhoging van de verschuldigde rente over het geheel met twee procentpunten vanaf 19 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt HP om aan Hegeman te betalen € 28.017,- (btw verlegd) aan meerwerk, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van art. 6:119a BW vanaf 19 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt HP om aan Hegeman te betalen € 154.688,09 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van art. 6:119 BW vanaf 4 december 2020 tot de dag van volledige betaling, met verhoging van de verschuldigde rente over het geheel met twee procentpunten vanaf 19 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt HP om aan Hegeman te betalen € 3.854,30 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- veroordeelt Hegeman om aan HP te betalen € 15.050,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2020 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt HP in de proceskosten in eerste aanleg, aan de kant van Hegeman vastgesteld op € 14.538,12, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt HP in de kosten van de procedure in principaal appel, aan de zijde van Hegeman begroot op € 22.128,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als HP deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als HP niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, HP de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als HP deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- veroordeelt Hegeman in de kosten van de procedure in incidenteel appel, aan de zijde van Hegeman begroot op € 1.964,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Hegeman deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
- bepaalt dat als Hegeman niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Hegeman de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als Hegeman deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- veroordeelt Hegeman om aan HP terug te betalen al hetgeen HP uit hoofde van het eindvonnis aan Hegeman heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door HP tot en met de dag der terugbetaling door Hegeman;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.